Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 06-12-2018

Begrip

betekenis & definitie

Begrip - (conceptus, notio, terminus). Begrippen zijn in het algemeen denkvoorstellingen, wier inhoud op één wijze (identiek) bepaald is, waarbij een veelheid onder één bepaald gezichtspunt in een éénheid wordt samengevat (begrepen). Zij zijn producten van het steeds voortschrijdend nooit voleindigbaar synthetisch-analytisch proces van het menschelijk kennen, ontstaan dus uit het oordeelen en dienen ook alleen voor het oordeelen over de ons menschen gegeven werkelijkheid. Zij worden geassocieerd aan de woorden der taal, die „namen” heeten en als prae dikaten in oordeelen kunnen gebruikt worden (zelfst. en bijv. naamw., voornw., sommige werkwoordvor men) — en wel eerst onopzettelijk.

Aan de gewone woorden der taal beantwoorden dus slechts uiterst onvolkomen begrippen. Het is de taak der wetenschap den logischen eisch van eenheid en de veelheid van het aansch. gegevene steeds meer te vervullen. Dit geschiedt door wetenschappelijke begripsvorming, waarbij men zich bedient van namen, die in een streng bepaalden zin genomen worden (technische termen). — Men onderscheidt inhoud en omvang (sfeer) van een begrip. Inhoud is de samenvat ting van al die kenmerken, waardoor datgene, wat onder het begrip valt, zich van al het andere on derscheidt, b.v. wat de wiskundige denkt, wanneer hij het woord „cirkel” in een redeneering gebruikt. Die inhoud wordt aangegeven in een begripsbepa ling (definitie). Onder den om vang verstaat men het geheel van alle dingen der werkelijkheid, waaraan de naam van het begrip als praedikaat (P) kan worden toegekend, b.v. alle dieren, die hond (P) zijn. Er zijn hoogere en lagere begrippen. Het lagere b. (species, b.v. hond) is aan het hoogere (genus. b.v. dier) ondergeschikt, gesubordineerd. Een hooger b. heeft een kleineren inhoud, maar een grooteren omvang dan het lagere. — Begrippen zijn zuiver (apriori) of empirisch (aan de ervaring ontleend). Zuivere begrippen (b.v. grootte, oorzaak) behooren tot den „vorm” van het men schelijke denken en maken eerst de empirische mo gelijk.