Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 12-01-2019

Metafysika

betekenis & definitie

Metafysika - de naam van dat onderdeel der wijsbegeerte, dat Aristoteles zelf „eerste (d. i. fundamenteele) filosofie” of „theologie” noemt, en dat zich bezighoudt met de principes van alle Zijn en gebeuren, met het Zijnde, dat aan alle empirische werkelijkheid ten grondslag ligt. Latere uitgevers duidden de hierop betrekking hebbende geschriften aan door hun plaats in de reeks van Ar.’s werken, waar zij nl. kwamen „meta ta physika” d. i. nà de fysische geschriften. Hieruit is het ongrieksche woord metafysika ontstaan (reeds gebruikt door Boethius, 500 n. C.), waarin „meta” niet „na” beteekent, maar „achter, aan gene zijde van”. De m. zou dan zijn : de wetenschap van wat achter, onder of boven de fysische wereld ligt, van de bovenzinnelijke werkelijkheid.

In lateren tijd wordt ongeveer in denzelfden zin de term „ontologie” (wetenschap van het Zijnde) gebruikt. Tot op onze dagen gelooven zeer vele filosofen aan de mogelijkheid van zulk een wetenschap, die dan zou zijn : het fundamenteelste vak der filosofie, in wier grondbegrippen de principes van alle andere wijsgeerige wetenschappen (ethiek, aesthetiek, enz.) als in een hoogste eenheid zouden samenhangen. Over den inhoud dezer metafysische kennis en de methode om daartoe te geraken, loopen echter de meeningen ver uiteen. Zij worden natuurlijk bepaald door het wijsgeerig standpunt, dat men inneemt. Anderen echter oordeelen (en o. i. terecht), dat na Kant de ouderwetsche metafysika heeft afgedaan en dat in haar plaats behoort te treden een kritische Ideeënleer, aanwijzend de functie der Idee (van het onvoorwaardelijke, „Unbedingte”) in ons theoretisch, ethisch en aesthetisch kennend bewustzijn. Met dit oordeel kan zich de overtuiging verbinden, dat de bevrediging der diepste „metafysische behoeften” onzer ziel niet is te verwachten van het wijsgeerig denken, maar alleen van het godsdienstig geloof. Kant’s grondgedachte (in tegenstelling tot die van Aristoteles) is deze, dat niet het Zijnde voorafgaat, als iets dat onafhankelijk van den geest „existeert” en waarnaar zich dan ons denken zou hebben te „richten” ; maar dat omgekeerd voor ons het kennen aan het Zijn voorafgaat, en dat wij dit kennen hebben op te vatten als een onvoltooibaar proces, waarbij het begrip „Zijn” steeds de leid-star blijft. Wie dit transcendentaal Idealisme verwerpt (zie over transc. het artikel KANT) en daarbij geen positivist, skepticus of materialist zijn wil, zal de oude aristotelische metafysika niet willen opgeven.

Deze schijnt dan als wijsgeerige grondwetenschap onontbeerlijk. De m. wil dus zijn de wetenschap van de verhouding van wereld tot wereldgrond. Wij menschen komen door uit- en inwendige ervaring alleen in directe aanraking met relativiteiten, begrensdheden, afhankelijkheden ; wij leven in een wereld van verschijningen (faenomena). Maar hoe kan, zoo zegt men, het betrekkelijke, beperkte en afhankelijke : betr., bep. en afh. zijn, als er niet iets is, dat als absoluut, onbeperkt en onafhankelijk existeert ? Die keten van betrekkelijkheden en afhankelijkheden kan toch niet in de lucht zweven ! En hoe zouden wij van verschijningen kunnen spreken, wanneer wij niet iets aannemen, dat verschijnt en dat dus behalve de eigenschap dat het ons verschijnt ook de eigenschap heeft, dat het op zichzelf (an sich) is ! In het betrekkelijke en verschijnende openbaart zich dus het niet-betrekkelijke en het absoluut Zijnde, en ons denken moet het vermogen hebben, dat te ontdekken en tot zijn oorsprong te vervolgen. Maar nu komt de moeilijke kwestie van de methode. De m. zoekt het Zijn, dat achter de verschijningen ligt. Dit doet echter de natuurwetenschap ook. Zij blijft niet bij de gewone waarneming staan.

Haar heele ingewikkelde begripsapparaat van causale verklaring dient immers om dat diepere Zijn vast te stellen, dat aan de zinnendingen ten grondslag ligt. En dat diepere Zijn wordt steeds dieper, nadert tot een diepste Zijn. Ligt dan het Zijn, dat de metafysika zoekt, nog weer dieper dan het diepste Zijn dat de fysika (in den wijdsten zin) nastreeft ? — Hier rijzen de allermoeilijkste vragen. Wij hebben, zeer grof uitgedrukt, naast de natuur de wereld des geestes (met zijn wetenschap, zedelijkheid, kunst en religie) waarin — om slechts ééne groote tegenstelling te noemen — behalve de causaliteit ook de finaliteit (teleologie) een rol speelt, waarin naast het fysische zich ook het ethische openbaart. Zal nu de kennis van het fysische en ethische Zijn, natuur en geest, gegrond worden op de kennis van een werkelijkheid, die nog weer dieper ligt dan deze beide ? Hoe zouden wij tot de kennis van die metafysische werkelijkheid komen ? Empiristisch, door verwerking der resultaten van alle natuur- en geesteswetenschappen ? Maar dan zou men ze alle moeten beheerschen. En zelfs als dit niet onmogelijk was, zou men, daar deze wetenschappen steeds voortschrijden en hun resultaten onophoudelijk corrigeeren en uitbreiden, toch nooit tot het gezochte absolute komen. Of zal men aan de aanvullende en construeerende fantasie hier vrij spel laten ? Maar dan zou de m. haar karakter van strenge, bewijsbare wetenschap verliezen.

Geen wonder, dat een talentvol verdediger van zulk een emp. m. nog in onzen tijd de verzuchting slaakte, dat men „in de m. nog minder dan ergens anders verder komt dan tot bloote waarschijnlijkheden”. — Zal men dan buiten alle ervaring om, door louter dialektische begripsontwikkeling de metaf. kennis trachten te verkrijgen ? Maar ook deze speculatieve manier, waarbij men gevaar loopt de perken van ons denken uit het oog te verliezen en te vergeten, dat wij nòch de wereld nòch onszelf met ons kenvermogen geschapen hebben, loopt op teleurstellingen uit. Hoe zijn de metaf. systemen te werk gegaan ? Zooals men zeer juist heeft opgemerkt „zij beschrijven de gesteldheid van den wereldgrond naar analogie van een bepaalde (maar als ’t ware uit het concrete in het abstracte overgedragen) zijde van den wereldsamenhang, die ons in het gebied der uitwendige of inwendige ervaring voor oogen ligt”. Zoo wordt de verhouding van wereld en wereldgrond b.v. bij Aristoteles bepaald met behulp van de tegenstelling stof en vorm, mogelijkheid en werkelijkheid, die ontleend is aan het wezen en de ontwikkeling van organismen en het scheppen van kunstwerken ; bij Spinoza doet dienst: de geometrische afhankelijkheid, bij Hegel de dialektische gedachte-beweging enz. — De metafysika (als de wetenschap, die de kennis nastreeft der achter onze ervaringswereld liggende, op zichzelf bestaande, bovenzinnelijke werkelijkheid) wordt verworpen door het materialisme, positivisme en skepticisme. Maar dit verwerpen zelf geschiedt op grond van een verward-metafysische opvatting. Zegt b.v. de materialist: „er bestaat niets anders dan stof en kracht” dan overschrijdt hij de perken der ervaring, daar hij oordeelt over „het geheel aller dingen”, dat nooit in de ervaring gegeven zijn kan. In welken zin een m. verwerpelijk, in welken zin zij aannemelijk en onontbeerlijk is, kan alleen vastgesteld worden door de zelfbezinning der kritische filosofie.