Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Hoeven

betekenis & definitie

Hoeven - 1) Abraham des Amorie van der, Nederl. kanselredenaar, Remonstr. hoogleeraar, geb. 1798 te Rotterdam, werd Remonstr. pred. te Oude-Wetering, daarna beroepen in zijn geboortestad, in 1827 benoemd als hoogl. aan het Remonstr. seminarie te Amsterdam, had door zijn welsprekendheid grooten invloed op zijn leerlingen en op die van de andere Prot. seminariën en het Atheneum. Hij overl. op zijn terugreis uit Zwitserland bij Arnhem 1855. Van hem verschenen twee bundels Leerredenen (Leeuw. 1843 en 1847), Redevoeringen (Leeuw. 1845) verder Johannes Chrysostomus als voorbeeld van Kanselwelsprekendheid (2e dr.. Delft 1852) en Het tweede eeuwfeest van het seminarie der Remonstranten (Amst. 1834). — Na zijn dood zijn verzameld: Verspreide Geschriften (Leeuw. 1856). — v. d. H. had vier zonen, van welke de twee bekendste zijn:

Abraham d. A. v. d. H. Jr., godgel., geboren 1821 te Rotterdam, promov. te Leiden 1843 in de theol. en de lett., bezocht daarna verschillende buitenl. hoogescholen, door hem beschreven in zijn Academiereis (Leeuw. 1845). Hij werd pred. bij de Rem. gem. te Utrecht, waar hij in 1848 overleed. In „De Gids” v. 1845 en 1846 schreef hij stukken, na zijn dood uitgegeven in Proza en Poëzij (Leeuw. 1850) door zijn vader, evenals Nagelaten leerreden (Leeuw. 1851). Belangrijk is zijn verhandeling De godsdienst het wezen v. d. mensch, brief aan Dr. J. J. v. Oosterzee (Leeuw. 1840). — Martinus d. A. v. d. H., rechtsgel., geb. 1823 te Rotterdam, werd 1849 hoogl. a. h. Athenaeum te Amsterdam; overleed 13 Oct. 1868, schreef: De godsdienst in hare betrekking tot het staatsrecht (Amst. 1854) alsmede vele artikelen v. rechtsgel. en philos. inhoud.

2) Jan van der, geb. 1801 te Rotterdam, gestorven 1868 te Leiden arts te Rotterdam, later hoogleeraar in de zoölogie en mineralogie te Leiden. Zijn hoofdwerk is het Handboek der Dierkunde (1827-1833), later vertaald in het Duitsch, waarin hij alle diertypen niet alleen systematisch behandelde, maar ook aan de physiologie een ruime plaats inruimde, v. d. H. was een uiterst bekwaam anatoom en zoöloog, die tal van onderzoekingen deed over allerlei diergroepen en ook in het buitenland zich een grooten naam wist te verwerven.