Biljart betekenis & definitie

Biljart, een op pooten staande, zuiver horizontale, krachtens overoude gewoonte meest met groen laken overtrokken, van verhoogde, veerende randen (banden) omzoomde, 220 tot 276 cM. lange, 110 tot 150 cM. breede tafel, waarop met ivoren ballen het biljartspel uitgevoerd wordt. Verschillende pogingen, om zuiver vierkante, ronde, ovale of veelhoekige biljarten in te voeren, hebben geen bijval gevonden. Overigens bestaan nog in de inrichting, vooral ten opzichte der openingen van de balvangers of zakken, verschillen. Het vroeger in Nederland gebruikelijke b. had behalve de vier hoekzakken nog twee in het midden der lengtezijden, eene inrichting, die nog in Duitschland en vooral in Engeland in gebruik is; op het Fransche of carambolage-biljart ontbreken zakken.

Bij de vele verschillende spelen, die op het b. door twee of meer personen met 2 tot 22 ballen, ook met kleine en op het midden der tafel geplaatste kegels, meestal echter met 3 ballen, twee witte en een roode, gespeeld worden (als gewone partij, karolien- of Russische partij, pyramide-, doublé-, carambole-, kegelpartij, gewone poule, kegelpoule, enz.) zet de speler steeds een bepaalden bal door een stoot met een stok (queue), die aan het einde van een veerkrachtig dopje (pommerans) voorzien is, in beweging; in het algemeen met het doel een anderen bal zoodanig te treffen, dat hij in de richting van een derden bal wordt gedreven en dezen raakt. Naar de regelen van het meest gebruikelijke spel wordt bij elken geslaagden stoot een aantal punten genoteerd; degene der spelers, die het eerst een vooraf bepaald aantal punten heeft behaald, is winner. Het biljartspel eischt groote behendigheid en eene groote mate van overleg. De theorie van den natuurlijken loop der getroffen ballen is tamelijk eenvoudig; niettemin wordt de praktijk van het biljartspel eerst na lange oefening verkregen. Het biljartspel schijnt zich in Italië uit een of ander balspel te hebben ontwikkeld; het kwam in de tweede helft van de 15de eeuw in Frankrijk in zwang en verspreidde zich van uit dit land over het overige Europa. Het spel zelf zoowel als de benoodigdheden ondergingen in den loop der tijden vele veranderingen; eerst in de 19de eeuw werden rechte queuen ingevoerd, in plaats van de vroegere kromme; in de 16de eeuw speelde men uitsluitend met twee ballen. Het spel is tegelijkertijd hygiënisch en amusant. Vele biljartspelers (de Engelschman Roberts, de Amerikanen Slosson en William Sexton, de Franschman Vignaux, wereldkampioen) verwierven zich als zoodanig een vermaarden naam.

Bij de biljartfabrikage is een zuiver horizontale speelvlakte een eerste vereischte; de vlakke plaat werd aanvankelijk van hout, later van steen, glas, marmer, graniet en leisteen vervaardigd; aan de laatste grondstof wordt verreweg de voorkeur gegeven; de door banden omsloten speelvlakte wordt doorgaans naar bovengenoemde verhoudingen, dat is ongeveer dubbel zoo lang als breed genomen; de 3 cM. dikke leisteenplaat wordt bekleed met dun, gelijkmatig geweven, zoo strak mogelijk gespannen, fijn, groen laken. Niet minder belangrijk en voor de bruikbaarheid van het b. beslissend is de constructie van de banden, waarvan richting en snelheid van den teruggeworpen bal, derhalve de geheele berekening van den stoot, afhangen. Het raakpunt van bal en band moet zooveel mogelijk in de nabijheid van het balmiddelpunt liggen, teneinde het springen van den bal te voorkomen, en mag in geen geval meer dan enkele millimeters daarboven gelegen zijn; hoe hooger de band boven het balmiddelpunt ligt, des te grooter is het verschil tusschen aanslag- en afstoothoek. De band moet over de geheele lengte gelijkmatig elastisch, niet te zacht en niet te hard zijn, en mag slechts een kleinen indruk van den bal toelaten. De vroeger gebruikte banden van allerlei grondstof zijn geheel door de gummibanden verdrongen. Voor de ballen is uitsluitend het weeke elastische ivoor geschikt, hoewel in den lateren tijd ook biljartballen van celluloide en z.g. kunstmatig ivoor in den handel zijn gebracht; zij mogen niet meer dan omstreeks 60 mM. doorsnede en 190-200 gram gewicht hebben en moeten nauwkeurig rond zijn. De queue moet 2 tot 3 maal de zwaarte van den bal hebben; zij moet recht en liefst 142 cM. lang en goed buigzaam zijn en aan den top met een elastische zelfstandigheid zijn bekleed; het zwaartepunt moet 40-45 cM. van het ondereinde gelegen zijn.