Nederland betekenis & definitie

Nederland - (het koninkrijk der Nederlanden) had in 1833, bij de invoering van het kadaster, een oppervlakte van 32.709,59 K.M.2; in 1877, volgens de afsluiting daarvan, een van 32.972,66 K.M.2; in 1909 bedroeg de opp. zonder tot de gemeenten behoorende wateren 32.600,25 K.M.2; deze wateren 1585,56, de totale opp. 34.185,31 K.M.2 De totale oppervlakte met de Zuiderzee, Wadden, Dollart en de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche stroomen bedroeg in 1909 40.828,71 K.M.2 De bevolking bedroeg naar de volkstelling van 31 Dec. 1920 6,841.155 inw.

Ligging. N. ligt tusschen 7°12'20", 99 O.L. (Nieuweschans) en 3°25'16",47 O L. (Sluis) en tusschen 50°45'49", 17 N.B. (Mesch in Limburg) en 53°32'21", 88 N.B. (Groninger Kaap op Rottum). De Westertoren van Amsterdam, als vast punt voor onze kaarten, wordt opgegeven te liggen op 4°53'18" O.L. en een breedte van 52°22'30",13 N.B.

Grenzen. De grensregeling in het O. kwam tot stand bij het tractaat van Weenen (9 Juni 1815) ter bepaling van die met Hannover en Pruisen. Nader werd met Hannover de grens geregeld door het grenstractaat van Meppen (2 Juli 1825). In 1863 werd, niet volledig nog, de grenslijn in den Dollart met Hannover geregeld en is tot heden niet bepaald, zeer ten nadeele van Delfzijl. Tusschen Pruisen en N. zijn 2 tractaten gesloten: dat van 26 Juni 1816 regelde de grens tusschen den Moezel en Mook; dat van 7 October 1816 die tusschen Mook en de Zuidgrens van Hannover. Kleine grensveranderingen hadden nog plaats bij Dingsperloo (1873), in Limburg bij Aken, waar de grens alleen bovengronds naar Nederlandschen kant verlegd werd, niet de ondergrondsche (in 1869).

De Zuidgrens werd in 1839 wel in hoofdzaak met België bepaald, doch eerst door het verdrag van 5 Nov. 1842 en voorgoed bij dat van Maastricht (8 Aug. 1843) vastgelegd. Echter bleef een enclave van België, de gemeente Baerle-Hertog, op het grondgebied van N. Het onderhoud der grenspalen is opgedragen aan de besturen der aangrenzende gemeenten. De grens van N. aan de zeezijde wordt bepaald door de laagwaterlijn; het staatsgezag breidt zich nog uit over een gedeelte der aangrenzende kustwateren ter breedte van 3 zeemijlen. Ook worden tot het territoriale gebied gerekend de riviermonden, haffen en inhammen der zee van hoogstens 10 zeemijlen breedte, alsmede de slechts door zeestraten toegankelijke binnenzeeën, als zij van alle zijden door een staatsgebied omringd zijn, in casu de Zuiderzee en de Wadden.

Geologie. Het eerste geologisch overzicht verscheen in 1822 van J. J. Omalius d’Halloy in de Observations sur un essai de carte géologique de la France, des Pays-Bas et des contrées voisines, waarbij een kaart, waarop alles behalve Z.-Limburg met een bruine kleur was aangegeven als „les terrains mastozootiques”, d. i. jonger dan het „krijt”. De schrijver, die in 1828 bij den 2en druk der kaart een afzonderlijke toelichting geeft, wijdt 15 pag. daarin aan onzen bodem en bewijst daarin weinig op de hoogte te zijn van de studiën van J. Le Francq de Berkhey, Acker Stratingh, Dresselhuys e. a.

De eigenlijke beschrijver is eerst Dr. W. C. H. Staring, die in 1844 een Proef eener geologische kaart van de N. gaf, nadat Acker Stratingh in 1837 een uitvoerige geol. kaart van de prov. Groningen gegeven had. In 1857 werd het vervaardigen eener geol. kaart op schaal 1 : 50.000 alleen aan Staring opgedragen, die daarmee, na reeds van 1852 tot 1854 er mee bezig geweest te zijn, in 1860 gereed kwam. De groote beschrijving erbij: „de Bodem van N.” kwam, in twee deelen, toen ook tot stand. Vooraf waren pogingen in het werk gesteld, om een geologische kaart samen te stellen. De daarvoor aangewezen commissie, waarin o. a. Staring en Prof. Harting zitting hadden, gaf verhandelingen in 2 groote deelen uit.

De leden werden het oneens. Daarop bleef Staring alleen de man. De geologische kaart is na den dood van Staring herdrukt en wel onveranderd. — Verdere karteeringsproeven zijn genomen door Dr. van Cappelle en door Prof. Dr. J. C. C. Schroeder van der Kolk en later door studenten van de Technische Hoogeschool onder leiding van Schroeder van der Kolk. — Niet lang geleden zijn van vele zijden, als de Akademie van Wetenschappen, Landbouwkundigen, Rijks Opsporing van Delfstoffen, enz. stemmen opgegaan om tot een nieuwe kaart te komen. Toch bleef, ondanks de gebreken, zijn kaart de grondslag voor alle schoolkaarten. Vooral op het gebied van het diluvium en alluvium moesten vele inzichten veranderen, in de eerste plaats door de onderzoekingen van Dr. J. Lorié. Den ondergrond leerde men eerst beter kennen door de werkzaamheid van de Rijks Opsporing van Delfstoffen, in 1903 opgericht (in 1918 opgeheven, opgevolgd door den Rijks-geologischen dienst, directeur Dr.

P. Tesch), welke vooral na 1906 onder leiding van Mr. W. A. J. M. van Waterschoot van der Gracht reuzenwerk heeft verricht. De Rijksgeologische dienst zal nu een nieuwe kaart vervaardigen. Zoo is het nu mogelijk een algemeen, globaal overzicht te geven van den ondergrond van N., ongeveer Noordwaarts tot de breedte van Zwolle. Uit de kaart, gegeven bij het jaarverslag 1913, der rijksopsporingsdienst blijkt, dat Nederland een deel is van het N.W. Europeesche schollenland, waarbij de volgende horsten en slenken te onderscheiden zijn: in het N.O., ten O. van een lijn Zwolle-Borculo-Winterswijk: de hooge gronden van Oost-N., waarin het begin van het Saxonische plooiïngsgebied; daarvan Westwaarts de slenkenzone IJsel-Nederrijn; vervolgens weer in de richting N.W.-Z.O. de horstenzone Veluwe-Geldern; in het W. begrensd door den breukrand Texel-Kevelaer-Keulen van de slenkenzone Geldersche Vallei-Geldern. Daarop volgt weer de horstenzone Gooi-Mill, Peel-Erkelenz, waarin de Noordelijke en de Zuidelijke Peelhorst van elkaar gescheiden worden door de dwarsslenk van Venray-Goch. Dan begint de Groote, Centrale Slenk, die in het Z.W. wordt begrensd door de horstzone Rozendaal-Hasselt, die vermoedelijk N.W.-waarts zijn voortzetting vindt op Tolen, Schouwen en Duiveland, Goeree en Overflakkee en Voorne. In het O. sluit deze zone aan Z.-Limburg en het Worm-gebied.

Zooals N. er tegenwoordig uitziet, is het voor ’t grootste deel het product der jongere tijdvakken: de oudere gesteenten worden meest overdekt door diluviale en alluviale vormingen. Slechts Z.-Limburg behoort tot het gebied van het Leisteenplateau, aan welks rand primaire en secondaire lagen te voorschijn komen. De oudere gronden zijn elders zoo goed als overal bedekt. Alleen in Oost-N. komen ze zeer dicht soms aan de oppervlakte. Door die jongere vormingen zijn de terreinsverschillen wel zeer verkleind, maar toch blijken ze niet geheel te zijn verdwenen. In ’t algemeen kan gezegd worden, dat in de slenken zich de jongere vormingen het best en tot de grootste dikte ontwikkeld hebben. Van de verschillende tijdperken, met de oudste beginnende, zijn thans bekend: Prae-cambrische, cambrische, silurische en devonische formaties komen nergens te voorschijn en zijn ook nog niet door boringen bereikt. Wellicht vormen ze den ondergrond van de caledonische plooien in het Z. van Zeeland. — Het carboon komt slechts op enkele plaatsen in het uiterste Z.O. van Limburg, o. a. bij Epen, aan den dag.

Het beneden carboon is nergens in N. bekend. In den tijd van het productieve carboon behoorden de N. tot de lange rij lagunes, die zich ten N. van het oud-carbonische vastland uitstrekten van Zuid-Rusland door Silezië-Westfalen, België-Noord-Frankrijk, naar Engeland en verder uitstrekte. In deze lagunen werden afwisselend zand- en kleilagen gevormd. In de tijden van zwakkere of onderbroken dalingen ontstond hierop een weelderige moerasvegetatie, die bij sterke daling weer bedekt werd met zand- en kleilagen. Dit proces herhaalde zich vaak. De aldus gevormde boven-carbonische lagen zijn wellicht 8000 M. dik. De tot nu toe bekende Noordelijkst gelegen plaats, waar steenkolen zijn aangeboord, is Winsterswijk. Van een vroegcarbonische plooiïng zijn in N. geen sporen gevonden; de groote laat-carbonische en vroegpermische plooiïng heeft zich hier wel doen gevoelen.

De overschuivingen, in België bekend, komen hier echter niet voor. In Z.-Limburg was de plooiïng intensief; in de Peel komen waarschijnlijk alleen zachte golvingen voor. Van groote praktische beteekenis zijn de dislocaties. Het groote dalingsveld onder N. is verdeeld in horsten en slenken, hoofdzakelijk in de richting N.W.-Z.O. met dwarsslenken W.Z.W.-O.N.O. Vele dwarsverschuivingen (N.W.-Z.O.) zijn ontstaan in het jong-tertiair, gedeeltelijk zelfs in het diluvium. — Dyas: de Zechstein ligt discordant over het gedenudeerde carboon. Er in komen o. a. voor: zoutlagen, vooral bij Winterswijk. De geheele rij lagen van de Zechstein en van de daarop volgende trias wijst op een groote verandering van het vochtige klimaat van den carbonischen tijd tot een droog en heet woestijnklimaat. Vooral in het N.O. hadden sterke plooiïngen en verzakkingen plaats. — Trias. In Z.-Limburg bleef de bontezandsteen alleen in de groote slenk behouden.

Zout bevat alleen de bovenste bontezandsteen bij Buurse en Delden. Deze afdeeling van het trias komt aan of bij de oppervlakte ten O. van Winterswijk. Schelpenkalk en keuper komen te voorschijn in het Vossenveld en bij ’t Wellink, evenals bij Buurse. Plooiïngsverschijnselen uit het trias zijn in N. niet geconstateerd. — Jura. Noch op de Peelhorst, noch in Z.-Limburg aangeboord, komt ze wel voor in de Groote Slenk, bij Winterswijk en Eibergen. Wellicht komen de bovenste afdeelingen ervan (met zoutafzettingen) voor bij Weerselo. Aan de oppervlakte komt Jura (lias) voor, in de bedding van de Wellink-Beek ten N. van Ratum, bij Kotten Wealden (beneden-krijt) van Ratum tot Oldenzaal. — Krijt. Wellicht onder geheel Nederland, alleen in een gedeelte van het O. van N. waarschijnlijk geabradeerd.

Groot verschil in vorming bestaat er tusschen de krijtformaties van het Munstersche Bekken en dat van N. en België. Senoon (bovenkrijt) ontbreekt alleen in Overijsel en Oost-Gelderland. Het boven-krijt van Zuidelijk N. is kalk en mergelhoudend, is Oost.-N. zandig. Hier komt op verschillende plaatsen zoowel bovenals onder-krijt aan de oppervlakte. Uit Z.-Limburg is het reeds lang bekend, evenals het „Hauterwien” bij Losser. Juist in den krijttijd hadden groote bodembewegingen plaats, zoowel epiro-genetische, plooiïngsals verschuivingsbewegingen; plooiïngen vooral bij Winterswijk. — Tertiair. De dikte van de tertiaire lagen neemt van Z. naar N., evenals van O. naar W. steeds toe. Eoceen en oligoceen werd aangeboord in Zeeuwsch-Vlaanderen, bij Woensdrecht; verder zoowel op de kusten als in de slenken (hoewel met zeer verschillende dikte) ook in het O. Hier en daar worden bruinkolen aangetroffen.

Mioceen komt in groote dikte in de Peel voor. Bij Winterswijk komt het, evenals op de Heerlerheide, o. a. aan de oppervlakte uit. Uit het plioceen, waarvan de bovenste afdeeling als kiezelooliet bekend staat, is vooral bekend de Tegelerklei. Aan het einde van de plioceene periode kwam N. geheel boven water, evenals een groot deel der Noordzee. De fauna kreeg steeds meer een boreaal karakter.— Diluvium. Aan het einde van de periode, die onmiddellijk aan den „IJstijd” voorafging, was N. en een groot deel der tegenwoordige Noordzee niet door water bedekt; het was land, dat voornamelijk gevormd was door de groote rivieren, die een uitgestrekte delta ver in zee vooruitgebracht hadden. Deze delta bestond uit zand en klei. Van nu af begint de bodem te dalen.

Hoogstwaarschijnlijk heeft het Noordsche landijs ons land niet eerder bereikt dan in den 3en (Risz-)ijstijd. In de periode vóór den hoofdijstijd, die weer uit glaciale en interglaciale tijdperken bestaat, brachten Rijn, Maas en Schelde groote hoeveelheden puin aan: klei, zand, grind en steenen. De door de rivieren gevormde delta breidde zich waarschijnlijk over geheel N. uit en komt als Rijn-, Maas- en Scheldediluvium nog in het Z. aan de oppervlakte. In de interglaciale periode, die onmiddellijk aan den hoofdijstijd voorafging, werd deze puinkegel door het stroomende water en door daling van bepaalde gedeelten (slenken) in deelen opgelost. Deze stukken vormen het hoogterras. Dit rivierdilivium is meest duidelijk gelaagd. Doordat de wateren in elkaar overgingen, is er meest geen duidelijk verschil te maken tusschen zuiver Rijn- en zuiver Maasdiluvium, hoewel voor beide enkele gidsgesteenten bestaan. Deze fluviatiele vormingen laten zich tot 3 groepen brengen.

Lorié onderscheidt: 1. een onderste afdeeling, bestaande uit grof zand, en waarschijnlijk gevormd in den Günz-ijstijd; 2. een middenafdeeling, bestaande uit fijner materiaal, zoowel zand-, kleials veenlagen, gevormd in den 1en interglacialen tijd; 3. een bovenste afdeeling, weer uit grof materiaal bestaande, ontstaan tijdens den 2en (Mindel-) ijstijd. Daar, waar deze lagen bedekt geworden zijn met Noordelijk, dus glaciaal, puin, wordt de grondmoreene vaak er van gescheiden door een uit fijn materiaal bestaande laag, hier en daar zeer donker gekleurde potklei of zeer fijne humeuze zanden. — Tijdens den hoofdijstijd ging de bovengenoemde daling der slenken voort. Groote erosiedalen, die waarschijnlijk door die slenken zijn aangewezen, waren het Eemsdal, het IJseldal en de Geldersche Vallei. Deze liepen ± loodrecht op de richting van het landijs. Bij het vooruitgaan moest het ijs tegen de Westelijke kanten dier dalen op. Daar werd de ondergrond opgeschoven en vaak met uit het N. afkomstig puin vermengd. Zoo ontstonden ten W. van het Eemsdal deelen van den Hondsrug, verder Z.W. de heuvelrij Havelter Berg, Hellendoornsche Berg, Lochemer Berg; ten W. van het IJseldal stootte het ijs tegen het Plateau van de Veluwe; ten W. van de Geldersche Vallei werd de stuwmoreene van de Utrechtsche heuvels en het Gooi gevormd. Ook in het Rijk van Nijmegen zijn voorbeelden van zulke opstuwing waar te nemen.

Het landijs heeft zich uitgestrekt tot de lijn Hillegom-Huizen-Rhenen-Nijmegen-Krefeld. De grondmoreene is in het N.O. van N. aanwezig als keileem: leem met groote en kleine, vaak gekraste keien. Onder den grondwaterspiegel gelegen, is het keileem meest blauwachtig grijs gekleurd en bevat het nog wel wat kalk; boven het grondwater is het meest sterk verweerd, roodbruin gekleurd en kalkarm. Hoe verder naar het Z.W., hoe minder echt Noordsch puin en hoe meer het keileem overgaat in zand. Van den ondergrond werden soms heel wat Zuidelijke gesteenten meegevoerd. Merkwaardig is de hoogteligging van het moreenepuin: bij Schoorl 100-140 M. A.P.; in ’t Gooi ± 25 M. + A.P.; bij Nijkerk 74 M. A.P.; op de Veluwe zeker meer dan 70 M. + A.P.; bij Deventer, 74 M. A.P., echter weinig betrouwbaar; bij Markeloo meer dan 40 M. + A.P., waaruit het verband met de slenken en de daling kan blijken. W. van N. door jongere vormen overdekt, komt het Noordelijk diluvium toch hier en daar aan de oppervlakte, o. a. op Texel, Grind, Wieringen, Urk, enz. Reeds gedurende, maar ook vooral na den terugtocht van het ijs, werd het moreene landschap sterk geërodeerd door stroomend water, gedeeltelijk smeltwater, gedeeltelijk van de wilde wateren uit het Z. Dit water bracht echter ook fijner materiaal, waaruit het middenterras werd opgebouwd.

De Rijn werd door het landijs tegengehouden in zijn Noordelijke strooming, waardoor naar het W. nieuwe dalen werden uitgeslepen. Uit dien tijd dagteekenen het dal tusschen Arnhem en Nijmegen, het Berkel-, het Vecht- en het Hunze-dal. — Na den hoofdijstijd kwam eerst weer een interglaciale periode; er had weer erosie plaats, terwijl door de daling van den bodem het W. en N.W. van N. onder de zee kwam te liggen. In Z.-Limburg, op het hoogterras tusschen Nijmegen en Kleef, ten O. van de lijn Ubbergen-Groesbeek, en op het middenterras ten N.O. van Arnhem tot Dieren werd löss of lössleem (zavelgrond) gevormd. In de Geldersche Vallei greep de zee ver landwaarts, hoewel ze daar ondiep was, en werd het Eem-stelsel gevormd. Spoedig trekt de zee zich weer terug en breekt er een nieuwe ijstijd aan (Würmijstijd), die zich in N. vooral kenmerkt door accumulatie van zand; de breede dalen worden gevuld met het zand van het laagterras en ook in het moreenenlandschap wordt veel zand neergelegd, het z.g.n. zanddiluvium. Meest wordt voor N. slechts één landijsbedekking aangenomen. In schema:

De dikte van het diluvium is meest zeer groot: bij Beerta ± 170 M.; bij Noordlaren ± 180 M.; bij Emmen ± 90 M.; bij Schoorl ± 200 M.; bij Gorkum ± 120M.; bij Geertruidenberg ± 90 M. — Alluvium. Het alluvium langs de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche kust wordt ingeleid door een mariene transgressie, welker sporen men in den vorm van mariene zeezanden terug vindt, welke op het tertiair, op oud-dilivium of op jong fluviatiel diluvium, een enkelen keer op Eemlagen terug vindt. Hoever de zee landwaarts indrong langs de huidige Groninger en Friesche kust, is nog niet geheel bekend. Wel is aangetoond, dat onder Terschelling zich een dikke laag marien alluvium bevindt. Tijdens deze onderdompeling in het Westen ving landwaarts de veenvorming aan. Deze zette zich later ook op den voormaligen zeebodem voort, nadat deze een hafbodem geworden was. Toen werd eerst een schoorwal gevormd, waarop zich duinen ontwikkelden. In de duinen onderscheidt v. d. Sleen, (Bijdrage tot de kennis der chemische samenstelling van het duinwater in verband met de geo-mineralogische gesteldheid van den bodem) van beneden naar boven, na het Eemstelsel 1) de haf-formatie: afwisselende blauwgrijze, fijne zandlagen of klei.

Daartusschen komen veenlagen voor, met houtresten. De onderzijde ligt op 20-25 M. -A.P. De strandwal, waarop zich de duinen gevormd hebben, is ontstaan door ophooging van den zeebodem met zand, dat door de golven is aangevoerd. Hierop ontwikkelde zich 2) de strandformatie, mariene, sterk gerolde, witte tot geelachtige zanden. Meest ligt het duinzand op deze strandformatie, maar ook wel op rivierklei, zooals bij Katwijk of op zeeklei, zooals bij Callantsoog en den Helder; 3) de duinformatie, meest uit kwartszand bestaande en daarbij gemengd, zeer ondergeschikt enkele andere mineralen. De onderkant ligt tusschen 1 M. + A.P. en 10 tot 12 M. A. P. (Schoorl). De zanden der andere duinen zijn ontkalkt. — Achter dezen schoorwal met duinen, die zich met onderbrekingen uitstrekte van Calais tot Texel en van hier verder N.-O. en Oostwaarts, en die ongeveer denzelfden vorm had als de tegenwoordige, maar verder Westwaarts lag, lag het haf, dat langzamerhand zoeter werd en waarin zich op verschillende plaatsen laagveen vormde. Door daling van den bodem werden deze oudere laagvenen weer door de zee overstroomd en vormde zich de blauwe zeeklei. Tegenwoordig ligt dit ouder laagveen in Holland meest wel 12M. -A.P., soms zelfs 19 M. (IJmuiden); bij Wijk aan Zee zelfs -23 M. Door aanslibbing werd de bodem weer hooger en het water zoet, zoodat zich opnieuw veen kon vormen, het jongere laagveen.

De dikte hiervan nam toe met de daling, die thans weer sterker werd en bereikte zóó de maximale dikte wel van 6 M. Dan begint het holoceen, de tegenwoordige tijd. De verwoestende werkzaamheid van de zee neemt toe, wat waarschijnlijk veroorzaakt werd door het ontstaan van het Nauw van Calais. Daardoor worden, vooral in het Z.W. en N. van ons land, op vele plaatsen het laagveen verwoest en bedekt met jongere zeeklei. Ook begint dan de mensch zijn invloed op het landschap uit te oefenen. Toch bleef de zee niet alleen verwoestend optreden. Aan den buitenkant werden op enkele plaatsen òf geheele nieuwe duinen gevormd òf werden vóór de oude duinen nieuwe opgebouwd. Tegenwoordig neemt op vele plaatsen de duinvoet wel af, op andere daarentegen toe. Op de diluviale helft van N. werden ook alluviale gronden gevormd in den vorm van klei of veen, terwijl de wind zijn invloed deed gelden door het doen ontstaan van zandstuivingen (landduinen).

Op de geologische kaart worden nog onderscheiden: 1) moerasveen en beekbezinking, beide langs de stroompjes. Bevatten de zandgronden veel leembanken, dan bevat het water veel slib (met plantendeelen). Dit heet beekbezinking. Is er weinig slib, dan hebben de veenstoffen de overhand en spreekt men van moerasveen. Samen vormen ze groengronden. 2) venen: waarbij onderscheiden worden: laag-, overgangs- en hoogvenen.

Men benoemt ze naar het stadium, dat ze bereikt hebben. Op een agronomische kaart dient nog onderscheiden te worden de mulle humus, gevormd door vermenging van de bovenlaag met verrotte plantendeelen en de zure humus of heiplag, die ontstaat bij gebrekkige toetreding van zuurstof. De rivieren brengen thans alleen nog op de uiterwaarden rivierklei aan. In schema krijgen we van den alluvialen tijd in de lage helft van N.: I 1e haftijd; oud laagveen. — II Oude, blauwe zeeklei. — III 2e haftijd: jonger laagveen.— IV Jonge zeeklei. Bij deze is weer te onderscheiden: a) de tijd vóór de dijken, dat er terpen en hillen gebouwd werden, b) de tijd van de nieuwste zeeklei.

Tegenwoordige daling van den bodem. Over dit vraagstuk loopen de meeningen al zeer uiteen. De nieuwste gegevens, verschenen in de Versl. van het Geol.-Mijnbouwkundig Genootschap 1916 2e deel, 4e stuk bevatten de mededeelingen van Blaupot ten Cate, Blink, Ramaer, Steenhuis, Tutein Nolthenius en van van Giffen. Ramaer heeft uit peilschaalwaarnemingen een daling aangenomen van ± 18 c.M. per 100 jaar; van Giffen komt tot het besluit, dat slechts een zeer geringe daling te constateeren valt naar aanleiding van zijn onderzoek bij de terpen. Wellicht verhouden zich de verschillende gedeelten van N. zeer verschillend en moet deze aan tectonische bewegingen van de slenken en kusten wellicht toegeschreven worden. — Litteratuur: Vooreerst het standaardwerk van Staring: de Bodem van Nederland. Dan dienen genoemd te worden de uitgaven van de Commissie voor het geologisch onderzoek, aangewezen door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. — Dr. J. Lorié heeft aan bijna alle jongere lagen publicaties gewijd. Hij gaf daarbij vaak kaarten.

Daarnaast hebben Dr. v. Cappelle, J. van Baren en Prof. Dubois zich verdienstelijk gemaakt. Het tijdschrift van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap nam vele artikelen op, evenals de Archives van het Museum Teyler (Contributions à la géologie des Pays Bas) van Dr. J. Lorié. Molengraaff en v. Waterschoot van der Gracht: Niederlände (Handbuch der regionalen Geologie I Band, 3e Abteilung 1913), de jaarverslagen en de mededeelingen van de Rijks Opsporing van Delfstoffen en het Eindverslag; de herziene en opnieuw bewerkte uitgave van Staring’s Bodem van Nederland door J. v. Baren (nog niet compleet). In alle veel litteratuur-opgaven.

Hoogte. De volstrekte hoogte in N. wordt bepaald ten opzichte van het niveauvlak van A.P. De nauwkeuriger bepaling ten opzichte hiervan wordt op de steenen met N. A. P. aangeduid. N. behoort grootendeels tot de Germaansche Laagvlakte, die zich in ons land tot 322 M. + A. P. verheft. Het laagst ligt de bodem der droogmakerijen: de Prins Alexander-polder tot -5,90 M. -A. P. We kunnen onderscheiden: a) de duinstreek met geestgronden, tot 60 M. + A. P., de gemiddelde hoogte misschien geen 10 M. + A. P., terwijl de valleien en de kleinere duinpannen meest niet boven 3 a 4 M. + A. P. liggen. De geestgronden liggen meest 1 tot 5 M. + A. P.; b) de terreinen beneden 1 M. + A. P. Ongeveer 25% van onzen bodem ligt beneden A. P.; 13% van A. P. tot 1 M. + A. P. Deze grenslijn (van 1 M. + A. P.) is genomen, omdat ook deze gedeelten bij elken vloed zouden onderloopen, indien geen duinen of dijken het land beschermden.

In dit gebied zijn de terreinen over ’t geheel zeer effen, terwijl de hooger gelegen gedeelten meer hoogteverschillen en helling vertoonen. Men zou dit laatste de hooge helft van N. kunnen noemen. Ze omvat 62% der oppervlakte; 12% der oppervlakte liggen tusschen 1 en 5 M. + A. P.; 12% tusschen 5 en 10 M.; 24% tusschen 10 en 25 M.; 12% tusschen 25 en 50 M.; 1½% tusschen 50 en 100 M.; ½% hooger dan 100 M. + A. P. De hoogste terreinen liggen in Z.-Limburg, de Veluwe, Montferland, Rijk van Nijmegen. Eenige der hoogste punten zijn: ten Z. van den Vaalser Berg (322 M.); Bescheilberg 210 M.; Ubagsberg 210 M.; hoogten bij Vaals zelf 198 M.; Sibberberg (bij Valkenburg) 150 M.; St. Pietersberg 123 M.; de Imbosch (Veluwe) 110 M.; Filipsberg en de Aardmansberg 107 M.; Hettenheuvel 105 M.

Afwatering. (Zie voor de lage helft: Beekman, Nederland als Polderland.).

Het kenmerkend onderscheid tusschen de hooge en de lage helft van N. is, dat op de eerste helling is, dus van nature kan afwateren, dat daar rivieren mogelijk zijn, die de natuurlijke afwatering van de streek vormen; in de lage helft is geen helling, daar zijn in natuurlijke omstandigheden rivieren onmogelijk en moet de mensch ingrijpen, om te zorgen niet alleen, dat het beschermde land niet overstroomd wordt, maar tevens, dat het water, dat er te veel is, op de eene of andere manier wordt afgevoerd. Op de hooge helft is, voor zoover de waterafvoer bovenaardsch geschiedt (o. a. op de Veluwe zijn groote gebieden zonder zichtbare afvloeiïng, evenals in de duinen), het land te verdeelen naar de stroomgebieden, die door meer of minder duidelijke waterscheidingen van elkaar gescheiden zijn. Deze zijn alle natuurlijk. De groote strijd tegen het buitenwater heeft de menschen in de lage helft zich doen vereenigen, om door dijken hun land te beschermen en tot gemeenschappelijke waterloozing. De boezemgebieden van het lage land zijn te vergelijken met de natuurlijke stroomgebieden. Ook op de hooge helft, niet alleen in het rivierkleigebied, maar zeer veel daarbuiten, heeft men zich aaneengesloten om een beteren waterafvoer te krijgen. Zie voor de afzonderlijke rivieren en boezemgebieden de betreffende artikels.

In verband met de hoogteligging kan men meest 3 stelsels van waterafvoer in de lage helft van N. onderscheiden: In het zeekleigebied, in het Zuidwesten van N., liggen de meeste polders hooger dan de eb en behoeven dan ook niet bemalen te worden. Hier zijn meest geen bergboezems noodig en geschiedt de loozing grootendeels door zelfwerkende uitwateringssluizen. Op de Z.-Hollandsche eilanden, waar de eb minder laag afloopt, is wel bemaling noodig. Op het zeeklei- en laagveengebied van Holland moet door de lage ligging het meeste polderwater eerst opgemalen worden in den boezem, en van hier uit op het buitenwater (dubbele bemaling). In het grootste deel van Friesland en van het N. van Groningen wordt het water wel opgeborgen in boezems, maar deze kunnen meest door de lage ebstanden vrij door sluizen loozen. In Friesland is veel boezemland, waarvan de slooten slechts door dammetjes of heelemaal niet van den boezem gescheiden zijn.

Landaanwinst en landverlies. Door droogmaking en bedijking had in den loop der eeuwen een aanzienlijke landaanwinst plaats, die te schatten is op ± 364.000 H.A. Het landverlies, ten gevolge van overstrooming, vervening, enz. wordt geraamd op 581.000 H.A. Het grootste deel der bedijkingen en droogmakerijen had plaats na 1600. In ’t geheel werden in de laatste 3 eeuwen gewonnen ± 250.000 H.A. land, en wel van 1615-1715 98.579 H.A.; van 1715-1815 54.556 H.A.; van 1816-1911 96.690 H.A. Gemiddeld bedroeg de drooggemaakte of bedijkte oppervlakte in de periodes 1816-1847 982 H.A. per jaar; 1848-1872 1347 H.A.; 1873-1892 1332 H.A.; 1893-1911 260 H.A. Van de in het tijdvak 1815-1911 op het water veroverde land zijn 43.878 H.A. bedijkingen en 52.812 H.A. droogmakerijen. In Zeeland werd van 1816-1911 ingedijkt 12.169 H.A., waarvan meer dan de helft op Zeeuwsch-Vlaanderen valt. Het landverlies in historischen tijd langs de Noordzeekust, in de Zuiderzee, den Dollart, Biesbosch en Zeeland bedraagt veel meer dan het gewonnene.

Klimaat. Door zijn ligging op middelbare breedte behoort Nederland tot de gematigde zone, en de nabijheid der zee werkt mede om zijn klimaat nog te verzachten. De gemiddelde jaar-amplitude, 15°, ligt juist op de grens van het zeeklimaat; voor kustplaatsen is de amplitude 14°, voor het Oosten van ons land 16°, dus reeds als in de overgangs-zone. De gemiddelde dagelijksche amplitude bedraagt 7°; voor de Westkust 4 a 5°, in het Oosten 8 a 9. De gemiddelde ware jaar-temperatuur varieert van 8°,6 (Groningen) tot 10°,1 (Maastricht). Met geheel W.-Europa is ons land onder den invloed van twee machtige factoren: de luchtdrukminima tusschen IJsland en de Noorsche kust, en de sub-tropische hooge drukking bij de Azoren met haar uitloopers over Z.-Europa. Daarnaast speelt de jaarlijksche luchtdrukschommeling van het groote Aziatisch-Europeesch vasteland een rol van eenig belang, in den zomer somtijds een neiging tot N.-lijke winden meebrengend, in den winter een enkele maal door een uitbreiding van het Siberisch maximum van meer beteekenis. De beide eerstgenoemde factoren veroorzaken te zamen de overheerschende Z.-lijke tot W.-lijke winden: 58% in den winter, 42 en 47% in lente en zomer, 50% in den herfst. Vooral in den winter hebben dus de vochtige zeewinden de overhand; het is in de eerste plaats het vochtgehalte, door lage bewolking of mistvorming des nachts warmteverlies belemmerend, zonder overdag in dezelfde mate de verwarming door de zon te verhinderen, dat voor onze zachte winters aansprakelijk is — directe verwarming door de zee speelt daarbij slechts een geringe rol —, de Golfstroom alleen indirect als een van de oorzaken van de Atlantische minima. Slechts een bijzonder krachtige ontwikkeling van het Siberische maximum, waardoor dit een uitlooper vormt tot voorbij de Oostzee, kan ons „ouderwetsche” winters brengen, die intusschen, zoover de opteekeningen reiken, in historische tijden even weinig talrijk waren als tegenwoordig; slechts een geringe periodiciteit, door onzen landgenoot Easton aangetoond, doet nu eens een 20-tal jaren zonder strenge winters verloopen, een andermaal 2 of 3 strenge winters in een gelijke tijdsruimte voorkomen.

Meer kans is er voor, dat door een samenloop van omstandigheden een afzonderlijk hooge-drukgebied zich bij Finland vastzet en ons enkele weken vorst brengt. In zulke gevallen is tot vlak aan de kust de invloed der zee geheel verdwenen. De absolute minima zijn daarom voor plaatsen als Katwijk even lang als in het binnenland (-22°). Laagste gemiddelde wintertemperatuur: Groningen 2°,0 (Jan. 1,2), hoogste Vlissingen 3,6 (Jan. 2,9). — Bij de verschuiving naar het N. van het Azoren-maximum in het voorjaar werken de lage temperaturen in den Atlantischen Oceaan er toe mede, dat dit maximum zich in een rug tot bij IJsland gaat uitstrekken; de IJslandsche minima verliezen aan invloed, N.-lijke winden worden talrijker dan Z.W.-lijke (April 43-41, Mei 48-36, Juni 44-42), vooral ook in de hoogere luchtlagen, en zoo biedt de lente de grootste tegenstellingen: zacht weer, zelfs hooge temperaturen, wanneer de depressies overheerschen; koude N.-winden en hevige nachtvorsten, wanneer de hooge druk den Z.W.-wind afsluit en de dalende luchtstroomen de hoogere atmosfeer uiterst droog maken. Men heeft te de Bilt in Mei een absolute amplitude van 35° C., tegen 34° in December en Januari, een dag-amplitude van 10° tegen 5° in de wintermaanden. — Na den hoogsten zonnestand verliest de hooge drukking aan invloed, maar nemen de door de verwarming van het vasteland en de Middellandsche Zee begunstigde Z.-lijke en Z.O.-lijke depressies aan invloed toe, zoodat in Juli de N.-lijke winden nog vrij talrijk blijven (42-46), maar hun koude verliezen (Z.-lijker bovenwind), om eerst in Augustus, wanneer de zee haar hoogste temperatuur bereikt en het Azoren-maximum weer verder teruggetrokken is, weer door de Z.W.-winden te worden overvleugeld (34-54). De gemiddelde zomertemperatuur blijft dientengevolge vrij laag: 15°,5 te Helder, 17°,3 te Maastricht. In ’t algemeen zal een sterker ontwikkeling van de Z.W. hooge drukking tot bestendig weer, een krachtiger ontwikkeling der depressies in het N.W. tot regenachtige zomers voeren. Zeldzaam is het voorkomen van hooge drukking over het Oostzeegebied in den zomer en even zeldzaam zijn daarom langdurige perioden van warm en droog weer, waarin de absolute maxima der temperatuur (36°-37°) voorkomen.

Met vrij groote regelmaat daarentegen verschijnen zulke hooge-drukgebieden in den herfst, zoodat de nazomer dikwijls een vergoeding is voor een tekort aan warmte en zonneschijn in den zomer. De tegenstelling in temperatuur tusschen oceaan en vasteland is in dit jaargetijde niet groot, zoodat de herfst door grootere gelijkmatigheid in temperatuur is gekenmerkt en gemiddeld zachter is dan de lente. Gemiddelde veranderlijkheid van de temperatuur van dag tot dag in Mei 1°,34, in September 0°,81, gemiddelde temperatuur lente 8°,2, herfst 9°,8. Geleidelijk nemen de Z.W.-winden toe, de N.-winden af; in September is de verhouding 44 tegen 35, in December 64 tegen 16. — Evenals bij de temperatuur is ook bij den regenval een vrij groot verschil tusschen kust en binnenland te constateeren. Overal valt de minste regen in de lente, wat vooral aan de droogte der hoogere luchtlagen, in dit jaargetijde uit N.-lijke richting aangevoerd, is toe te schrijven. Terwijl echter aan en nabij de kust verreweg de meeste regen in October valt, zooals in geheel N.W.-Europa, hebben de op grooteren afstand van de kust gelegen plaatsen het maximum in Augustus en die in het Z.O. zelfs in Juli, het type van Midden-Europa.

Voor laatstgenoemde streek is de zomer het meest regenrijk, in het midden zijn herfst en zomer ongeveer gelijk, in de kuststreken hebben de herfstregens de overhand. In totaal valt de meeste regen even achter de kust (Alkmaar-Haarlemmermeer, Leeuwarden), de minste in het Z.O. en ten Z.O. van de Zuiderzee. Onweders komen op 105 dagen per jaar voor; het grootste aantal voor een enkel station is 40. Voor de lokale of warmte-onweders valt het maximum in Juli, vooral in het Oosten van het land; de bui-onweders bij depressies met zwaren regenval hebben hun maximum in Augustus in het midden van het land; de stormonweders zijn het talrijkst aan de kust in October; het zijn vooral deze onweders, die het maximum van den regenval beheerschen. Hieronder volgen de maandcijfers voor enkele typische stations:

Bewolking en zonneschijn. De jaarlijksche gang der bewolking is niet groot, loopt van 0,7 a 0,8 in den winter tot 0,5 a 0,6 in Mei en September. Veel meer verandert het zonneschijnpercentage in verband met de verandering in de zonshoogte: in December gemiddeld slechts 12%, in Mei 40%. Overal is de namiddag zonniger dan de voormiddag: het sterkst is dat verschil in Helder, waar van 5-7 nam. 19% meer zon is dan van 5-7 v.m. (24-5), terwijl in Maastricht het verschil hoogstens 3% bedraagt. — Neemt men zoowel de schatting der bewolking als de meting van den zonneschijn in aanmerking, dan blijkt, dat iets meer zonneschijn wordt ondervonden in een strook, die van Zeeland over Utrecht naar Drente loopt, en dat in die streek het meeste zonneschijn in het midden en Z.W. wordt gevonden. Voor het geheele jaar vindt men daar 37 heldere dagen (bew. < 0,2), 116 betrokken dagen (bew. > 0,8) met 32% zonneschijn, daarentegen in het Noorden 31 heldere, 140 betrokken dagen en 29 a 30% zonneschijn, in het Z.O. 39 heldere, 138 betrokken en 28 a 30% zonneschijn. Vermoedelijk zou dit laatste cijfer veel gunstiger uitvallen, indien niet de ligging van Maastricht in het Maasdal en wellicht ook de invloed van vele fabrieken den zonneschijn daar abnormaal laag deden zijn. Terwijl het bewolkingscijfer van de kust naar het binnenland iets schijnt toe te nemen (van ± 0,62 tot ± 0,65), neemt dus vermoedelijk ook het zonneschijn-percent toe van ongeveer 29% tot 33%, wat door het verschil in wolkenvorm, meer gesloten en lage bewolking aan de kust, meer gebroken bewolking in het binnenland is te verklaren.

Nuttige delfstoffen. In Nederland werd niet, zooals in Duitschland en andere naburige landen, de mijnbouw van oudsher als een voorname tak van nijverheid beschouwd. Toch zijn de monniken der abdij Kloosterrade reeds vóór meer dan 800 jaar begonnen met de ontginning der steenkoollagen in de buurt van Kerkrade, op het terrein van de tegenwoordige Domaniale Mijn. Steenkool komt in den ondergrond van ons land vermoedelijk bijna overal voor. Slechts is het niet aanwezig in het gedeelte van Zeeland en Noord-Brabant ongeveer ten Z. van de lijn Zierikzee-Bergen op Zoom en in Z.-Limburg ten Z. van de lijn Elsloo-Valkenburg-Simpelveld. Op ontginbare diepte, minder dan 1200 M.f is de kool tot dusverre slechts aangetoond in Z.-Limburg ten Z. van Sittard, op de Peelhorst en in Oost-Gelderland bij Ratum, gem. Winterswijk. Slechts het gedeelte in Zuid-Limburg wordt thans ontgonnen.

De Domaniale Mijn is de oudste mijn; in ’t einde der 18e eeuw werd deze Staatseigendom, doch in 1845 voor 99 jaar verpacht aan de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij. Later kwam ten Z. hiervan de mijn Neuprick in exploitatie. In 1904 werd deze evenwel weer verlaten. — Pas in 1899 kwam als derde de mijn Oranje Nassau (I) in bedrijf en in 1902 begon de Maatschappij tot exploitatie van Limburgsche steenkolenmijnen te Heerlen, welke juistgenoemde mijn bezit, ook met de levering van kool uit de Oranje Nassau II (vroeger concessie Carl). Op de oude concessie-Oranje Nassau I werd in 1916 door haar ook nog de mijn Oranje Nassau III geopend. In 1902 kwamen de werken van de mijn Willem van de Société anonyme des charbonnages néerlandais Willem-Sophia gereed en in 1907 volgden die van de mijn Laura van de Société anonyme des charbonnages réunis Laura et Vereeniging. Bij de wet van 24 Juni 1901 was besloten het overige gedeelte van het geheele toenmaals bekende kolenterrein in Zuid-Limburg voor staatsexploitatie te reserveeren. Later behield de staat zich het recht voor om in bepaalde gedeelten van ons land naar delfstoffen te exploreeren, wat bij de wet van 6 Oct. 1908 over het geheele land werd uitgebreid; voor dit doel werd ingericht de dienst van de Rijksopsporing van Delfstoffen. Achtereenvolgens zijn nu reeds de volgende staatsmijnen in werking gekomen: de Wilhelmina sinds 1907, de Emma sinds 1914 en de Hendrik sinds 1918, terwijl de voorbereidende werken voor exploitatie van de mijn Maurits reeds flink zijn gevorderd. — De kolenvoorraad in Z.-Limburg op minder dan 1200 M. diepte wordt in het eindverslag van den Rijksopsporingsdienst 1918 geschat op ruim 4,5 milliard ton, waarvan voor exploitatie in aanmerking kwamen ongeveer 3,2 milliard ton.

Tusschen 1847 en 1920 werd totaal gewonnen 3,2 millioen ton. Het grootste gedeelte van den aanwezigen koolvoorraad bestaat uit magere, halfvette en vetkolen. In minder groote hoeveelheden komen voor gas- en gasvlamkolen. — Bruinkool komt in Zuid-Limburg in een aantal betrekkelijk kleine bekkens voor. Het gedeelte ten O. van de Sandgewand storing wordt gerekend tot het Plioceen, het gedeelte ten W. ervan tot het Mioceen. De laagdikte is nergens zeer groot en wisselt sterk, terwijl de deklaag in verhouding tot de dikte der bruinkool meestal groot is. Zoo is de bruinkool op de concessie Energie van 1,20-9,60 M. dik, terwijl de deklaag daar varieert 12,50 M. Op de concessie Herman zijn deze cijfers resp. 3-17 M. en 2,50-22 M. Gemiddeld kan de dikte der deklaag op 8 M. en die der bruinkool op 7,50 M. worden geschat. Eerst door den oorlog hebben deze bruinkoolafzettingen groote waarde verkregen. De ontginning ervan dateert dan ook pas vanaf 1917.

In dit jaar begon de maatschappij Carisborg met de afgraving in de groeve Carisborg I bij de staatsmijn Emma. In hetzelfde jaar begon tevens de exploitatie van het veld Energie van de maatschappij Bergerode bij de mijn Hendrik. Dezelfde maatschappij ontgint verder sinds 1918 het veld Heerlerheide (Carisborg II) en Brunahilde II, de maatschappij Louisegroeve wint een weinig bruinkool uit de gelijknamige zandgroeve en ontgint tevens sinds 1918 de groeve Graetheide en de daarbij gelegen groeve Lunenschloszhof, nu Graetheide II ten W. van Sittard. In hetzelfde jaar werd aangevangen door de onderneming Leemhorst met ’t graven van bruinkool in de gelijknamige groeve bij Tegelen. De exploitatie van dit veld zou waarschijnlijk niet loonend geweest zijn, indien niet onder de kool een zeer bruikbare leemsoort was aangetroffen. In 1919 kwam het veld Herman ten slotte in exploitatie, terwijl Brunahilde I nog niet in ontginning genomen is. In duizendtallen tons werd gewonnen: 1917 ruim 42,4, 1918 ruim 1483 en 1919 bijna 1882, te zamen ruim 3,4 mill.

ton. — Hoogveen bedekte vroeger uitgestrekte terreinen in het Noorden van ons land, in Friesland, Groningen en Drente, en Overijsel. In Gelderland en in ’t Z. van Noord-Brabant werden hier en daar nog kleine plekjes aangetroffen en ten slotte nog een vrij groote hoeveelheid op de grenzen van Limburg en Noord-Brabant in het Peelgebied. Voor ’t grootste gedeelte is dit hoogveen reeds afgegraven en is de ondergrond in cultuur gebracht, of voor zoover te geringe dikte afgraving niet loonend maakte, dadelijk in cultuur gebracht. Van de oorspronkelijke oppervlakte, geschat op 176.000 H.A., was op ’t einde van 1919 nog slechts 31.319 H.A. over, zoodat binnen vrij afzienbaren tijd alles verdwenen zal zijn. Het veen wordt voor turf en turfstrooisel verwerkt.

Laagveen is voornamelijk aanwezig in de provincies Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Friesland, Groningen, Overijsel en Drente. Een groot deel der tegenwoordige Zuiderzee werd destijds eveneens door laagveen ingenomen. In de overige provincies wordt er slechts een gering deel van de oppervlakte door ingenomen. Meestal is dit veen als grasland in gebruik. Door verlaging van den waterstand is het echter ook voor land- en tuinbouw geschikt. Op verschillende plaatsen wordt het laagveen gegraven voor turfwinning. In het Westelijk gedeelte van ons land wordt op plaatsen, waar het door jongere afzettingen is bedekt, soms vrij veel brongas uit dit veen gewonnen en voor verlichting aangewend. — Wordt de turf naar haar verbrandingswaarde vergeleken met steenkool, dan is 1 ton steenkool ongeveer gelijk aan 7500 stuks zwaardere turf, geschikt voor huisbrand en aan 7 M.3 industrieturf. Van 1 April 1916-1917 werd afgeleverd een hoeveelheid turf met een verbrandingswaarde van 400.000 ton steenkool, van 1 Apr. 1917-1 Apr. 1918 450.000 ton, van 1 Apr. 1918-1 Apr. 1919 650.000 ton en van 1 Apr. 1919-1 Apr. 1920 eveneens 650.000 ton steenkool.

Aan turfstrooisel wordt jaarlijks ongeveer 200.000 ton afgeleverd. — Ertsen bezit ons land zeer weinig. In 1856 werd hiernaar in Zuid-Limburg gezocht en bij Brommering werd op ruim 56 M. diepte een gang geconstateerd, voornamelijk bestaande uit kwarts met galeniet. Later werd bij Cottessen nog een weinig erts gevonden. Dit ertsvoorkomen houdt verband met de lood- en zinkertsen in de aangrenzende gedeelten van Duitschland en België. Voornamelijk komen deze voor op spleten in de kolenkalk, doch ook nog in het Devoon en in het productieve Carboon. Het is derhalve mogelijk, dat ook in ons land, ten Z. van het Geuldal, dergelijke ertsen in zekere hoeveelheden voorkomen.

Of deze ontginbaar zullen blijken, is de vraag. Behalve galeniet en kwarts werden in Zuid-Limburg gevonden pyriet, sfaleriet, chalkopyriet, bariet, dolomiet en calciet. — IJzererts, boonerts, werd in Gelderland door de Rijksopsporingsdienst aangeboord. De hoeveelheid en kwaliteit waren evenwel van dien aard, dat ontginning niet loonend zou zijn. Ook vroegere onderzoekingen in deze richting hebben geen succes gehad. — IJzeroer werd vroeger meer gedolven dan tegenwoordig. Voornamelijk komt dit voor in de beekbezinkingen van Drente, Overijsel en Gelderland (Oude IJselstreek), vanwaar het meest naar het buitenland werd verzonden naar de ijzersmelterijen. Voor een deel wordt het ook gebruikt in de gasfabrieken.

Zouten werden door de Rijksopsporing van Delfstoffen op verschillende plaatsen aangeboord, zoo b.v. in de Peel, doch vooral in Overijsel en Gelderland. Aangetroffen werd steenzout, doch verder anhydriet, gips en geringe hoeveelheden kalizouten. Een saline is sinds korten tijd bij Boekelo in werking. Voor den ouderdom van de zoutafzettingen, zie GEOLOGISCH OVERZICHT VAN NEDERLAND. — Door het gebrek aan meststoffen werden tengevolge van den oorlog bij Ootmarsum en enkele andere plaatsen de fosforietknollen op de grens tusschen Oligoceen en Eoceen gedolven. — Van de mineralen, welke bij ons worden aangetroffen, doch niet van oeconomisch belang kunnen zijn, kunnen worden genoemd: doppleriet, vivianiet en sideriet in ’t veen; vivianiet komt tevens voor in onze terpen, markasietknollen in tertiaire afzettingen en gipskristallen, door verweering uit deze knollen ontstaan. Calciet (kalksinter) is vooral te vinden in het meertje van Rockanje. Ook heette dit meertje radium te bevatten. Een nader onderzoek toonde de onjuistheid hiervan evenwel aan. Als minerale bron is bekend de Wilhelminabron te Haarlem.

Brongas wordt vooral in het Westen van ons land gewonnen in het door zeeklei bedekt laagveengebied en voor verlichtingsdoeleinden gebruikt. — Kalkmergel wordt in Zuid-Limburg sedert oude tijden gebroken; volgens sommigen reeds ten tijde van de Romeinen. Als gevolg van deze industrie zijn o. a. de grotten van Valkenburg en de St. Pietersberg ontstaan in het Maastrichtsche tufkrijt. De kalkmergel, uitgezaagd in blokken, werd vroeger meer dan thans voor bouwwerken gebruikt. Gedurende de oorlogsperiode werd kalksteen uit het Zuid-Limburgsche Krijt tevens veel gebruikt voor het branden van kalk. Deze industrie is nu reeds weer sterk achteruit gegaan. Fijn kalksteenpoeder wordt bovendien als bemesting op schrale gronden aangewend. De in het krijt voorkomende vuursteen wordt voor verharding van wegen betrekkelijk weinig gebruikt, overigens dient dit voor fabrikage van schuurpapier, enz. — Ten slotte is het Onderste Gulpensche Krijt (Cr3b) in de cementgroeve Vijlen-Vaals voor cementfabrikatie aangewend, waarbij het met een daartoe geschikte kleisoort wordt gemengd.

Verschillende kleisoorten komen daarvoor in aanmerking. Zand wordt voor zeer uiteenloopende doeleinden gebruikt; grove, scherpe zanden worden aangewend als metselzand. Hiervoor dienen vooral diluviale en pliocene zanden. — Zeer zuiver Mioceen-zand wordt voor witglas- en kristalglas-fabrikatie gegraven, vooral in Z.-Limburg bij Heerlerheide. — Als vormzand worden fijnkorrelige diluviale, doch ook tertiaire en mesozoïsche zanden genomen. — Klei wordt gevormd en gebrand tot steenen. Hiervoor dienen zoowel alluviale zee- en rivierklei als oudere kleisoorten, zooals leem en löss. Dit laatste wordt ook voor vormzand gebruikt. Sommige kleisoorten leveren goed materiaal voor de fabrikatie van vuurvaste steenen.

Bevolking (anthropologisch). De Nederlandsche bevolking bestaat in hoofdzaak uit twee rassen: Germaansche of Teutonische en Alpine of Kelto-Slavische ras. De kenmerken van het eerste ras zijn: lange lichaamsgestalte, dolichocephalie, blauwe oogen, blond haar. De kenmerken van het tweede zijn: korte lichaamsgestalte, brachycephalie, bruine oogen en donker haar. Het eerste ras wordt overwegend in het Noorden des lands aangetroffen; het tweede in het Zuiden en Zuidwesten.

Bij deze twee hoofdvormen moet nog een derde type genoemd worden: de zoogenaamde Saksen. Deze zijn gekenmerkt door blond haar en blauwe oogen, doch zijn brachycephaal. Van uit het Oosten is deze vorm waarschijnlijk in ons land ingedrongen en heeft het zich met het Germaansche type vermengd. Het spreekt wel vanzelve, dat men op een zoo geringe oppervlakte, als Nederland inneemt, bij de zoo uitgebreide en gemakkelijke middelen van verplaatsing, niet meer zuivere rassen zal vinden; evenals elders in Europa draagt de bevolking een gemengd karakter, waarbij alleen het ééne of het andere type overweegt. Dit blijkt uit het volgende overzicht van de haarkleur en de oogkleur in de verschillende provinciën, zooals dat aan de studie van Bolk ontleend is.

Men ziet hieruit, hoe naar het Zuiden toe allengs het aantal blondharigen daalt, terwijl de donkerharigen talrijker worden; eenzelfde verschijnsel komt bij de oogkleur voor. Bij het onderzoek naar den schedel-(resp. hoofd-) vorm treden de verschillen bij de recente bevolking niet zoo sterk op den voorgrond. Het verschil tusschen de tegenwoordige bevolking in Friesland-Groningen eenerzijds en Brabant en Zeeland anderzijds is niet groot. Het verschil van hoofdvorm verloopt in het algemeen meer Oost-West dan Noord-Zuid, zooals haar en oogkleur. Dit vindt zijn oorzaak wel in het reeds genoemde Saksische element, dat evenals het Germaansche blond en blauwoogig is, doch met het Alpine ras de brachycephalie gemeen heeft. De verschillen waren vroeger veel aanzienlijker.

De schedels van Reimerswaal en Saaftinge (uit de 13e-15e eeuw) zijn alle zeer sterk brachycephaal, terwijl de terpschedels van Friesland uitgesproken dolichocephaal zijn. Het verschil tusschen de beide vormen is zeer groot. Menging is de oorzaak, dat dit verschil langzamerhand geringer is geworden. Het spreekt vanzelve, dat bij de boven gegeven uiteenzettingen het Israëlietische deel van de bevolking buiten beschouwing is gebleven. Litteratuur: L. Bolk, De bevolking van Nederland in hare anthropologische samenstelling, in: Gallée, Het boerenhuis in Nederland en zijne bewoners (Utrecht, 1908).

Nederzettingen. Het land is verdeeld in ruim 1100 gemeenten. Men onderscheidt geografisch gehuchten, dorpen, vlekken en steden.

A. Vorm der nederzettingen: vooral in de Saksische streken vindt men de huizen om een brink, met boomen beplant (brinkdorpen); op de klei en laagveenstreken worden de dorpen langs de wegen of de dijken gebouwd en vindt men weinig of geen zijwegen. Ook langs de groote rivieren is dit vaak het geval (dijkdorpen). De nederzettingen in de veenkoloniën hebben dezen langgestrekten vorm ook, evenals die in het veen, die langs een dijk zijn aangelegd (Wapserveen, Staphorst, Oostzaan). In de jongere kleigebieden vindt men de dorpen meest langs de wegen of de dijken, in de oudere kleigebieden echter meer op terpen of wierden, dus meer komdorpen. In de droogmakerijen woont de bevolking meest zeer verspreid, evenals wel het geval is in enkele stukken van Twente en den Achterhoek. — B. Geografische ligging der nederzettingen. Vooreerst de menigte plaatsen langs de Zuiderzee, die vooral in de Middeleeuwen en de Nieuwe Geschiedenis een belangrijke rol speelde, veilig als men daar was tegen zeeroovers. Thans zijn het voor ’t grootste deel doode steden geworden (evenals vele plaatsen in het Z.W. van ons land). Ook andere inhammen der zee boden een veilige ligging (Middelzee, Lauwerszee, Zwin, inhammen in het Z.W. van Nederland).

De Westkust was daarentegen al zeer ongeschikt. Daar ontstonden slechts enkele visschersdorpen, waarvan echter vele als badplaatsen zeer zijn vooruitgegaan. In het Z.W. heeft eveneens de visscherij aanleiding gegeven tot het ontstaan der nederzettingen, waarvan vele door den handel groot werden, echter door den oorlog weer zeer achteruitgingen. Ook het dichtslibben van inhammen deed enkele achteruitgaan. Aan de rivieren ontstonden steden vooral aan de bolle zijde van een bocht, waar het vaarwater diep was, aan de hooge oevers (veilige ligging), waar landwegen den waterweg sneden, overtochtplaatsen en waar bijstroomen in den hoofdstroom kwamen, daar langs die bijstroomen meest de wegen gingen. Wat de bewoning der lage helft betreft, waren hier de eerste nederzettingen op den rand van het diluvium gelegen, waarvan vele als marktplaatsen grooter werden. Daarna ontstonden de nederzettingen aan den binnenkant der duinen, op de geestgronden, nog later bij dammetjes en overtooms in het laagveengebied, daaruit vaak de dijkdorpen en het laatst de nederzettingen in de droogmakerijen. Op het zand ontstonden daar meest de vaste woonplaatsen, waar de groenlanden weiden gaven voor het vee en waar de bodem hoog genoeg lag, om voor den landbouw geen last te hebben van te hoog grondwater.

In het hoogveengebied ontstonden de verschillende typen eerst tijdens de exploitatie. Ze ondergingen in den loop der tijden al groote wijzigingen. Door de schoonheid van het landschap komen kleine nederzettingen al meer en meer in trek bij de stedenbevolking; tot forenzenplaatsen konden ze eerst worden door de spoorwegen. Echte mijnbouwplaatsen hebben we alleen in Zuid-Limburg. Een echte garnizoensplaats is Ede geworden.

Een ambtenaarsstadje is Assen. Bij de industrieplaatsen werken vaak persoonlijke invloeden tot de snelle uitbreiding. Zie voor de verschillende factoren overigens de afzonderlijke stedenbeschrijvingen. — Naar het aantal inwoners waren in 1915: 4 gemeenten met minder dan 500 inw.; 164 hadden 500-1000; 285 1000-2000; 381 2000-5000; 161 5000-10.000; 57 10.000-20.000; 27 20.000-50.000; 7 50.000-100.000 en 4 hadden meer dan 100.000 inwoners. — De dichtheid van bevolking is al zeer verschillend, zie tabel I BEVOLKING, evenals voor de toename ervan. Voor de godsdiensten, zie tabel II.

Tabel II.

Indeeling der bevolking naar de kerkgenootschappen (Volkstelling 1909) in %.

Toename der bevolking in de 4 voornaamste gemeenten: de bevolking in 1830 op 100 gesteld:

Gebruik van den bodem. In verband met het gebruik door landbouw en veeteelt worden in N. de volgende bodemsoorten onderscheiden (een goede agro-geologische kaart bestaat niet). 1 zandgrond, 2 leemgrond, 3 kleigrond, 4 mergelgrond, 5 kalkgrond, 6 veengrond. Zie Tabel III.

Vruchtbaar kan men den bodem noemen als de cultuurplanten daarin de voedingsstoffen vinden, die ze noodig hebben en wel in zoo’n vorm, dat ze die er ook uit kunnen halen. Tot de grondverbeteringen in N. zijn te brengen:

1. de afwatering en het droogleggen (draineeren) van landerijen. Dat deze nog vaak veel te wenschen overlieten, blijkt uit Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw 1917, no. 1. In ’t algemeen is de toestand, wat de afwatering betreft, het gunstigst in het N. en W., waar het land voor ’t grootste deel is ingepolderd en wordt bemalen. Wel bestaan hier misstanden, maar deze zijn meest niets in vergelijking met de treurige toestanden in de Oostelijke provincies, De waarde van vele gronden in ’t O. zou bij betere afwatering met 20 tot 200 pCt en meer stijgen. In ’t algemeen is de toestand in de prov. Groningen goed; in Friesland betrekkelijk gunstig in de kleibouwstreek, ongunstig in het lage midden, terwijl in het O. de toestand meest slecht is. Van Drente is de waterafvoer slechts in de veenkoloniën goed; anders treurig; in Overijsel is hij droevig; in Gelderland iets minder ongunstig dan in Overijsel, maar zoowel op het zand als op de klei meest onvoldoende. De achterlijkheid van den Betuwschen landbouwer is hieraan zelfs gedeeltelijk toe te schrijven. In Utrecht staat het slecht in de gebieden, die op de Vecht af wateren, evenals die bij de Eem behooren.

In N.- en Z.-Holland is de toestand meest gunstig, behalve in Delfland, evenals hij goed is in Zeeland. In Noord-Brabant en een groot deel van Limburg is 't meest weer ongunstig of zeer slecht. Meestal wenscht men voor bouwland een waterstand van 75 tot 125 c.M., voor grasland van 50 tot 100 c.M. beneden ’t maaiveld, terwijl men voor weiland wegens de geringere verdamping en voor de stevigheid der zode een diepere ontwatering verlangt dan voor hooiland. Te weinig water is natuurlijk evenzeer verkeerd. Voor de ontwatering maakt men gebruik van greppels, of men draineert; het eerst is dit laatste toegepast door van den Bosch in 1845 in den Wilhelminapolder bij Goes. In Groningen werden de eerste proeven genomen door C. Reinders in 1850 op Groot-Zeewijk bij Warfum. In 1900 waren gedraineerd in N.: 53.567 H.A., meest bouwland, waarvan in Groningen 8002 H.A., in Zeeland 2010 H.A., in Friesland 1994 H.A., N.-Holland 947 H.A., N.-Brabant 473 H.A., Gelderland 433 H.A., Z.-Holland 433 H.A., Limburg 401 H.A., Utrecht 72 H.A., Overijsel 10 H.A. en Drente 7 H.A. De staatscommissie inzake bevloeiïngen heeft in haar rapport o. a. de terreinen aangegeven, waar een kunstmatige bevloeiïng zou kunnen plaats hebben, en de Heide-Maatschappij heeft reeds vele H.A. in vloeiweiden herschapen, zooals de gemeentelijke vloeiweiden van Valkenswaard, te Leende, bij Haaksbergen, bij Lochem, Eibergen. — 2. Het kleidelven wordt voornamelijk toegepast op de zware kalkarme en ijzerhoudende knikkleigronden van Groningen. De uit diepe greppels gehaalde kalkrijke lagen worden over het terrein uitgespreid en met den bouwvoor vermengd.

Tegenwoordig wordt het weinig meer toegepast, evenals het kleibranden. De verbeteringen door middel van terpaarde of wierdegrond met kalk en mergel hooren bij de bemestingsleer thuis. — 3. Van zeer groot belang is de ontginning van woeste gronden (zie Mededeelingen Directie Landbouw 1908, No. 6). Onder woesten grond verstaat men officiëel: onvergraven hoogveen, dalgronden, die nog niet in cultuur gebracht zijn, heidegronden, zandverstuivingen en duinen. Maar heel wat andere gronden zijn, als weinig opbrengend grasland, weinig beter dan woeste grond. Juist deze heeft men ook veel verbeterd. Voor de uitbreiding en afneming van den woesten grond zie tabel IV, waarbij men gerust 20% kan bijtellen in verband met het zoo even gezegde. Zeer loonend is de ontginning van dalgronden, vele broekgronden en sommige lage heiden. Deze laatste worden meest tot grasland gemaakt.

De middelhooge heidevelden worden meer tot bouwland gemaakt, die na eenigen tijd soms in grasland worden veranderd. De hooge heidegrond kan vaak tot bosch gemaakt worden. Daartoe wordt hij diep geploegd, 1 of 2 jaar met lupinen bezaaid en dan met dennen beplant. Onze zandstuivingen worden met kracht bestreden door het Staatsboschbeheer, bv. door het bebosschen van het Kootwijker Zand (2000 H.A.), op dezelfde wijze bij Appelsga en Dwingelo; door den Oranjebond van Orde op het Drouwenerzand, onder leiding van de Heide-Mij.; elders door particulieren. Zoowel de Staat als particulieren werken mee aan de beplanting der duinen. Aan den Staat behooren ± 17000 H.A. bosch. Reeds Staring ijverde in 1863 voor de bebossching der duinen. In 1893 werd van staatswege er weer mee begonnen, eerst opgedragen aan de Heide-Mij., van 1899 af geschiedt het door het toen opgerichte Staatsboschbeheer.

Bij Schoorl zijn thans 410 H.A., op Texel 225 H.A., op Vlieland 30 H.A., op Ameland 75 H.A. met zeedennen en Corsicaansche dennen beplant. Hoewel de meeste particuliere duinbezitters deze als jachtgronden beschouwen, begint men ook daar met bebossching. De Heide-Mij. geeft niet alleen adviezen, maar verschaft ook zaai- en pootzaad en vergemakkelijkt den afzet der producten. Het Rijk bevordert de ontginning niet alleen door ’t zelf te doen, maar ook door voor den tijd van 50 jaar aan gemeenten rentelooze voorschotten te geven, indien ze woeste gronden willen ontginnen en het werk geschiedt onder leiding van de Heide-Mij. Op de Staatsbegrooting van 1913 kwamen als zoodanig reeds 17 gemeenten voor, evenals particulieren gedurende 28 jaar vrijstelling van grondbelasting kunnen krijgen voor het in cultuur gebrachte stuk. Het aantal H.A. bosch is van 1889 tot 1911 uitgebreid van 228.000 H.A. tot 260.090 H.A. De oorzaken, die de steeds meerdere ontginning bevorderen, zijn: 1. het gebruik maken van kunstmeststoffen, die overal heen vervoerd kunnen worden; 2. de vooruitgang van de landbouwwetenschap; 3. de hooge prijzen der landbouwproducten, vooral op de zandstreken, waar bovendien de zuivelfabrieken er toe hebben bijgedragen de voordeelen van de veehouderij te vergrooten en waardoor de boer ook kapitaalkrachtiger werd; 4. de bemoeiïngen van Regeering en particulieren, vooral van de Heide-Mij.; 5. de verdeeling der markegronden; 6. als werkverschaffing in den winter werd de ontginning door enkele gemeenten, vooral in N.-Brabant en Limburg, gedreven. De ontginning werd belemmerd door behoudzucht, door grootgrondbezitters, die een deel der woeste gronden als jachtterrein wenschten te behouden, door gebrekkige wegen en slechten waterafvoer, De ontginning tot grasland is grooter dan die tot bouwland. Onder invloed van de hooge prijzen tijdens den oorlog en door de scheurwet is het bouwland toegenomen.

Grondgebruik. Naar aanleiding van de telling in 1910 gehouden (zie Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw 1912 no. 3), bleken de bedrijven van 1-5 H.A. ruim de helft te zijn van alle. De gemiddelde grootte was in het zeekleigebied met akkerbouw en gemengd bedrijf 22,27 H.A.; de zandgronden tellen meest kleine bedrijven, gemiddeld 7,67 H.A. Het aantal tuinbouwers bedroeg 15.488, en daarvan waren ⅔ (10.242) in N.- en Z.-Holland gevestigd. Hierbij overwegen de bedrijven van 1-2 H.A. Van de 114.631 landarbeiders hadden 86.084 een grondgebruik van 5 Are en meer. Op de zandgronden is de gemiddelde door landarbeiders gebruikte oppervlakte het grootst (gem. 0,92 H.A.), in de tuinbouwgebieden ’t kleinst (gemiddeld 0,35 H.A.). Wat eigendom en pacht betreft, bleek bij landbouwers 46,75% van den geëxploiteerden grond in eigen exploitatie te zijn; bij tuinbouwers 40,51%; bij landarbeiders 39,83% en bij buiten den land- en den tuinbouw hun hoofdberoep vindende personen 57,78%. Van den geëxploiteerden grond wordt bij alle landgebruikers in eigendom gebruikt: in Groningen 68,3%; in Friesland 26,86%; in Drente 56,07%; in Overijsel 67,64%; in Gelderland 55,76%; in Utrecht 42,79%; in N.-Holland 41,41%; in Z.-Holland 34,22%; in Zeeland 26,74%; in N.-Brabant 52,21%; in Limburg 47,51%, gemiddeld over Nederland 46,96%. Het pachtwezen neemt, zoowel wat den landbouw en den tuinbouw betreft, toe, ten koste van het aantal eigenaren; alleen in Overijsel is een kleine vermeerdering der laatsten te bespeuren. Landbouwgebieden, zie kaart. — Het boerenbedrijf.

1) Zandboeren. De zandboerderijen zijn tot 3 groepen te brengen: a) boerderijen met boter- en varkensproductie, n.l. de ouderwetsche boerderijen op het zand. Sedert de korenprijzen laag zijn, worden rogge, enz. op de boerderij verbruikt; in de buurt van veenkolonies legt men zich ook toe op het verbouwen van fabrieksaardappelen, elders meer van eetaardappelen. b) = a. maar met tuinbouwproducten (W. en Midden van N.-Brabant, met Breda als centrum — groenten en fruit —; het Z. en Midden van Limburg — ooft en groenten —; de streek van Rhenen en Amerongen — tabak, groene erwten —, enkele streken op de Geest), c) boerderijen met productie van aardappelen en stroo, in de veenkoloniën, vooral in Gron. en Drente (het O.); door de Groningsche boeren thans ook in Overijsel (Dedemsvaart, de Krim, Vroomshoop). Het koren wordt in de boerderij verbruikt; aardappelen en stroo gaan naar, vaak coöperatieve, fabrieken. — 2) Kleiboeren, a) boerderijen met productie van koren en stroo. Door de lage korenprijzen komen ze betrekkelijk weinig voor, meest op de Groninger kleibouwstreek en in enkele N.-H.sche polders (Waard en Groet en IJpolders). Naast koren kweekt men allerlei kleiproducten. Het stroo in Gr. gaat veel naar cartonfabrieken. b) boerderijen met productie van koren, bieten en vee, vooral in ’t Z. van Zeeland en het W. van N.-Brabant, waar ⅓ tot ⅙ van den bodem met suikerbieten beteeld wordt. Wisselbouw heeft plaats met erwten en boonen, haver, gerst en vlas, welke producten veel naar België gaan.

Veel kunstmest wordt ook hier gebruikt. Door den afval der suikerbieten is er ook wat veeteelt; de boter dient alleen voor eigen gebruik, c) boerderijen voor speciale cultures, koren en vee; ze vormen een overgang naar den tuinbouw: Schouwen-Duiveland, Goeree-Overflakkee, ook Walcheren, het Bilt in Fr., eenige polders in Holland en het W. van Utrecht, de geestgronden van Noordwijk en Haarlem en De Streek. Koren wordt gekweekt voor eigen gebruik. Wat men verder kweekt, hangt veelal van de markt af. Men houdt meest vrij wat vee voor den mest. d) boerderijen met teelt van aardappelen, andere veldvruchten en vee: N.-Friesland. e) boerderijen met productie van melk (boter), vee, koren: ’t Noorden van N.-Brabant, langs den Gelderschen IJsel en in eenige Hollandsche polders. Veel korenakkers zijn in den laatsten tijd tot grasland gemaakt. Men kweekt er klaver, bieten, tarwe, haver, erwten, boonen, aardappelen, karwij. f) boerderijen voor veeteelt en ooftbouw op het rivierkleigebied van Gelderland, Utrecht en het land van Altena, eveneens bij Hoorn. De opbrengst van het ooft is sterk toegenomen. — 3) Veeboeren, a) boerde rijen met produtie van boter en vee: om de stad Groningen; op het midden en Z. der Friesche zeeklei (hier ook met kaas) en in het Friesch-Overijselsche laagveengebied. b) boerderijen met productie van kaas en vee, meest in Holland en Utrecht.

In Utrecht is de veeteelt wel met landbouw verbonden, c) boerderijen met productie van mestvee en melk: om Schiedam (door de branderijen) en in de Beemster. — De oppervlakte van de voornaamste landbouwgewassen bedroeg: rogge 25%; aardappels 18%; haver 16%; tarwe 6%; suikerbieten 5%; gerst 4%; vlas 4%; erwten en boonen ook ieder 4% von den bouwbodem. De waarde van den oogst bedroeg van granen ƒ 90 m.; peulvruchten ƒ 11½ m.; aardappelen, suikerbieten, knollen, uien en cichorei ƒ 54 m.; vlas en lijnzaad, hennep, karwij, koolzaad en mosterd ƒ 19 m. — Bosschen. Deze zijn vooral naaldbosschen; eikenbosschen komen meest in de Graafschap voor; hier, evenals aan den Veluwezoom, ook veel beukenbosschen. Het akkermaalshout neemt in oppervlakte af; het bestaat meest uit eiken, ook wel elzen en berken. Over ’t staatsboschbeheer is reeds gesproken. Het griendhout, zoowel op buitendijksche, als op binnendijksche, is afkomstig van snij- en van hakgrienden, is van groote beteekenis voor het maken van dijken en kribben en manden (vooral door den zich sterk uitbreidenden tuinbouw en de visscherij). Hoepelmakerijen vindt men meest bij den Biesbosch (Werkendam, Raamsdonksveer, Sliedrecht). De grienden liggen meest in den Biesbosch, langs de Lek, en in de Waarden.

Mijnhout wordt naar België en Duitschland uitgevoerd en in steeds grooter hoeveelheid naar Zuid-Limburg gebracht. — Landbouw. In de laatste 60 jaar verminderde de oppervlakte, die beteeld werd met de volgende producten: meekrap (met 99%), hennep (98%), koolzaad (96%), tabak (80%), boekweit (79%), tarwe (44%), gerst (36%), terwijl die der navolgende producten vermeerderde: rogge (15%), haver (60%), aardappelen (70%) en sedert 1861 die van suikerbieten met 750%. De aardappelteelt nam vooral zóó toe door den meerderen verbouw van fabrieks- en ook van consumptieaardappelen. — Op den landbouw berustende industrieën: Voor de aardappelindustrie in ons land kwam, maakte men zetmeel uit rijst, tarwe en mais. Thans zijn er 39 aardappelmeelfabrieken in N., waarvan 28 in de prov. Groningen en 7 in Drente. Daarvan zijn er 20 coöperatief. Ze verwerken ± 12 millioen H.L. aardappelen. Behalve aardappelmeel wordt ook dextrine en glucose gemaakt.

De productie heeft een waarde van ± 14,5 millioen gulden. ’t Grootste deel van ons aardappelmeel en dextrine wordt uitgevoerd naar texiel-industriegebieden (Groot-Brittannië, België). Thans zijn er 31 beetwortelsuikerfabrieken, waarvan 18 in West-Noord-Brabant. De productie bedroeg meer dan 200 millioen K.G. Toen de scheepsbouw en de scheepvaart in de Groninger veenkoloniën begonnen te kwijnen, begon men er met cartonfabrieken. Thans zijn er in Groningen 21 (waarvan 10 in Oude Pekela); Drente heeft er één. Het carton wordt voor 90% uitgevoerd (voor een waarde van ± 6½ millioen gulden; meest naar Engeland). Door de gist- en spiritusfabrieken wordt o. a. veel gist geleverd, waarvan een groote uitvoer naar het buitenland. — Tuinbouw. De voornaamste tuinbouwgebieden zijn: ’t Westland, op IJselmonde (Zwijndrecht en Charlois), Overschie en Hillegersberg, de duinstreek, Boskoop, Alfen, Hazerswoude, de Langedijk, de Streek, de Beemster, Kennemerland, Aalsmeer; Zuid-Limburg: Venlo en Roermond; groote deelen van de Betuwe, ’t Rijk van Nijmegen, deelen van het Land van Maas en Waal; bij Breda, Bergen op Zoom, Helenaveen, Oudenbosch, Rozendaal; de streek van Loppersum en Roodeschool, bij Hoogezand en Sappemeer, de streek van Berlikum in Friesland. Behalve in ons eigen land wordt veel vervoerd naar Duitschland, België en Frankrijk. — Bloembollenteelt, zie BLOEMBOLLEN. — Bloemisterij omvat nu de teelt en ook den handel met siergewassen, voor zooverre dit geen hier winterharde boomen en heesters zijn (boomkweekerij) en geen op groote schaal geteelde bloembolgewassen.

Ook het versieren en het maken van bloemwerken acht men tot de b. te behooren. Tusschen bloemisten, bloembollenkweekers, boomkweekers en warmoeziers bestaat geen scherpe bedrijfsscheiding. Door organisatie van het tuinbouwonderwijs en door krachtiger vereenigingsleven werd geleidelijk zooveel verbetering verkregen, dat in de jaren 1900-1914 het buitenland meer en meer erkende, dat onze b. in vele opzichten weder een eerste plaats inneemt. Hoeveel wijziging in betrekkelijk korten tijd kan verkregen worden, leert de ontwikkeling van Aalsmeer, waar in 1873 de 1e kas met verwarming werd gebouwd, in 1908 de trekkassen 2,3 H.A. en in 1912: 7,25 H.A. besloegen, waar op 1 Dec. 1911 de 1e veilingsopbrengst (der veiling Bloemenlust) ƒ 50 bedroeg, in 1920 3 veilingsgebouwen dienst doen en de omzet der Centrale Aalsmeersche veiling in 1919 meer dan 1 millioen gulden bedroeg. Ook de toeneming van het aantal bloemenwinkels kan hiervan ten bewijze strekken. In de sedert 1908 opgerichte federatie van vereenigingen, „de Nederl. Tuinbouwraad”, is sedert 1911 een bijzondere groep gevormd uit de bloemist-leden aller aangesloten vereenigingen, waardoor de algemeene vakbelangen te beter behartigd worden.

Veestapel. Gegevens omtrent de grootte van den veestapel zijn te putten uit de resultaten van de veetelling in 1910, die zeer nauwkeurig geschied is. In de oorlogsjaren 1914-1918 zijn meermalen geheele of gedeeltelijke veetellingen gehouden, doch de uitkomsten zijn weinig nauwkeurig, afgezien van het feit, dat door de oeconomische omstandigheden de getalsterkte van de verschillende huisdieren zeer afwijkend was van dat uit normale tijden. — Het aantal huisdieren in de verschillende provinciën van Nederland was: (Zie tabel).

Hieruit blijkt dus, dat vooral de rundveestapel zeer groot is en ook de hoeveelheid varkens zeer beduidend. — Paarden vindt men in de groote steden in de laatste jaren in steeds geringer aantal; op het platteland neemt het aantal nog steeds toe. De fokkerij is in verschillende provinciën, vooral Groningen, Gelderland, Zeeland, Limburg, van groote beteekenis; het aantal fokhengsten bedraagt meer dan 700; het aantal veulens, dat per jaar geboren wordt, meer dan 50.000. Oorspronkelijk kwamen in Nederland 3 rassen voor, en tot een 40 of 50 jaar geleden is dat zoo gebleven. Deze drie rassen waren het Friesche, het Geldersche en het Zeeuwsche ras. Het Friesche ras, dat oorspronkelijk een groot gedeelte van Nederland bewoonde, werd later vooral gefokt in de Noordelijke provinciën, vooral in Friesland, waar het nu in het Zuid-Westelijk gedeelte nog voorkomt. Het Friesche paard is een landbouwkoetspaard, hoogstens 1.60 M., zwart van kleur, met mooie manen en staart, veel temperament en hooge, doch korte gangen. De bouw is niet krachtig, waarom het steeds minder gefokt wordt. In Groningen, Drente en Overijsel was het paard na aan het Friesche verwant.

Het Geldersche paard was een koetspaard, beter van bouw dan het Friesche, bruin en met minder verheven, doch wel vlotten gang. Vroeger werd het ook als zwaar rijpaard gebruikt. Vooral in de Betuwe en langs den Gelderschen IJsel kwam het voor. Door allerlei kruisingen is het sedert een 30-tal jaren verloren gegaan. Het Zeeuwsche paard was een zwaar paard, voor den arbeid op de zware kleistreken geschikt. Het was een koudbloedpaard, zwaar en plomp, doch met slappen rug, hellend kruis, onvoldoende beenwerk en waaienden, schommelenden gang. Ook dit ras is door kruising verdwenen. Sedert omstreeks 1870 is men begonnen, door invoer van buitenlandsche hengsten voor kruising, verbetering in de Nederlandsche rassen te brengen.

Het gevolg hiervan is wel geweest, dat wij betere paarden hebben gekregen, doch het Geldersche en Zeeuwsche paard is daardoor verloren gegaan, het Friesche zeer teruggedrongen. Waar tuigpaarden gefokt worden, werd en wordt nog veel gekruist met Oldenburgsche en Oost-Friesche, soms ook met Hackney, Anglo-Normandische hengsten en enkele andere rassen. Men heeft door de kruising met den Oldenburger hengst vooral gekregen een landbouwtuigpaard van groote maat en met goede gangen. Het best wordt dit gefokt in de provincie Groningen, doch ook in Friesland, Drente, sommige deelen van Gelderland en Utrecht en N.-Holland. In Gelderland heeft men door kruising met O.-Friesch, Hackney en Anglo-Normand meer gekregen een luxe tuigpaard, iets kleiner doch met meer chic, meer luxe, meer uithoudingsvermogen, meer gang en beter beenen. In de Zuidelijke provinciën, en ook in verschillende deelen van Gelderland, Z.-Holland, N.-Holland, heeft men veel gekruist met Belgische hengsten, ter verkrijging van een zwaar trekpaard, dat niet alleen voor den landbouw, doch ook voor den handel geschikt is. Ook in andere provinciën zijn fokkers, die met Belgische hengsten kruisen. Vooral in Limburg en Zeeland heeft men trekpaarden gekregen, die men met de Belgische paarden op één lijn kan stellen.

Vele trekpaarden worden op den leeftijd van 1½ jaar naar het buitenland verkocht. — Rijpaarden worden in Nederland niet gefokt. Van wege het Ministerie van Oorlog is in de laatste paar jaren nog een poging in die richting gedaan door Engelsch volbloed en Hannoveraansche hengsten in te voeren, doch de resultaten zijn gering. Een fokkerij van renpaarden en harddravers, die zich eenige jaren geleden begon te ontwikkelen, is grootendeels te niet gegaan, toen in de zedelijkheidswetten het wedden op de renbanen werd verboden. — De rundveeteelt is in N. van zeer groote beteekenis voor de voeding van de bewoners, doch vooral ook wegens den export van vleesch en zuivelproducten, boter en kaas. Het aantal melkkoeien bedraagt meer dan 1 millioen en dus ook het aantal kalveren, dat jaarlijks geboren wordt. Het aantal springstieren bedraagt c.a. 25.000. De geboren stierkalveren worden voor een groot gedeelte vetgemest of nuchter geslacht, de vrouwelijke kalveren worden voor een groot deel tot melkkoeien opgevoed. N. is door alle tijden heen zeer rijk aan rundvee geweest. Romeinsche schrijvers wijzen reeds op den rijken veestapel, door de Romeinsche legers in deze streken aangetroffen.

In de terpen (opgeworpen de laatste eeuwen vóór Chr.) vinden wij nog veel overblijfselen van beenderen van huisdieren, vooral ook van runderen, zoodat wij daar zelfs drie typen kunnen onderscheiden: vooral het korthoornige (Bos taurus brachyceros), doch ook het grofhoornige (Bos taurus primigenius) en het hoornlooze (Bos taurus aceratos). Daaruit is het Nederlandsche rund ontstaan. Men rekent de runderen in N. tot de groep van Laaglandsche runderen (Bos taurus Hollandicus), die de O.-kust van de Noordzee bewoont. Wij onderscheiden 3 veeslagen: het Friesch-Hollandsch Zwartbont, het Groninger Zwartblaard, en het Roodbont Rijn-Maas-IJsel veeslag. Het Friesch-Hollandsch veeras komt vooral voor in Friesland, N.- en Z.-Holland, Zeeland en Utrecht. De kleur is in den regel zwartbont; het hoofddoel is melkproductie (percentsgewijze uitgedrukt is de geschiktheid voor melkproductie 70, voor vleeschproductie 30). Het Groninger Zwartblaard veeslag komt vooral voor in de provincie Groningen en het Noordelijk gedeelte van Z.-Holland. Dit veeslag is iets meer ontwikkeld in de vleeschdan in de melkrichting (melk 40, vleesch 60), is zwart, met wit hoofd (zwarte ringen om de oogen), witte ondervoeten, witte pluim aan den staart.

Het Rijn-Maas-IJselvee, dat wij in Overijsel, Gelderland, langs den IJsel, in het Land van Cuijk en in N.-Limburg aantreffen, is roodbont en is even goed in de melkals in de vleeschrichting ontwikkeld (melk 50, vleesch 50). Het is regelmatig gebouwd en stelt geen hooge eischen aan voeding en verpleging, is soberder dan de beide andere veeslagen. Vroeger werden in sommige, vooral de zandstreken, dikwijls de rassen onderling gekruist; sedert enkele jaren is men daarvan geheel teruggekomen en wordt elk veeslag zuiver gefokt. Ten einde de melkproductie te verhoogen, heeft op groote schaal een contrôle van de melkproductie plaats, terwijl door een uitgebreid stamboekwezen (Nederl. Rundvee Stamboek, met een afdeeling voor elk der 3 veeslagen, het Friesch Rundveestamboek, dat alleen voor de provincie Friesland geldt en het Groninger Stamboek voor Zwartblaard vee). Met buitenlandsche rassen, vooral met het Engelsche Durham vee, is vroeger veel gekruist. De sporen daarvan zijn nog dikwijls zichtbaar. — De schapen in Nederland kan men onderscheiden in heide- en in polderschapen. Het aantal heideschapen, dit zijn schapen, die in kudden in de heidestreken, vooral in de provinciën Drente, Overijsel, Gelderland en Noord-Brabant en N.-Limburg gehouden worden, gaat geregeld achteruit.

Vroeger kwamen zij ook voor in Utrecht en in een deel van N.-Holland, doch zij zijn daar bijna verdwenen. Tusschen 1904 en 1910 is het aantal gedaald van 148 duizend op 114 duizend. De heideschapen worden gehouden op de heidevelden, waar voor andere huisdieren geen voedsel groeit. De kudden staan onder leiding en toezicht van een herder met een herdershond. ’s Nachts worden zij ondergebracht in de bekende schaapskooien. De heideschapen worden gehouden voor de mest, die vroeger vooral bij de tabakscultuur onmisbaar was (prov. Utrecht), voor de wol, die van geen beste kwaliteit is en voor het vleesch. Wel worden de schapen niet spoedig vet, doch het vleesch is goed en smakelijk. Wij bezitten twee rassen heideschapen: het Groote heideschaap of Veluwsche schaap, dat bijna altijd hoornloos is en het kleine heideschaap of Drentsche schaap, dat bijna altijd gehoornd is.

De rammen hebben zware, spiraalvormig gewonden horens. Van het Veluwsche schaap hebben wij een variëteit het Kempensche schaap (N.-Brabant), van het Drentsche schaap een, het Schoonebeker schaap (omgeving Koevorden). De polderschapen behooren thuis in vruchtbaarder streken. Het geheele aantal in Nederland was in 1910 bijna 800 duizend, waarvan meer dan ⅓ in de provincie Noord-Holland. In Friesland hebben wij een polderschaap, dat groot van stuk en voornamelijk voor melkproductie geschikt is, het beste melkschaap uit Europa, dat op verschillende boerderijen nog zuiver gefokt is. Vroeger hadden wij op Texel een ras, het Texelsche ras of de pijlstaarten, dat meer voor wol- en vleeschproductie geschikt was, doch ook vrij wat melk leverde. Dit ras is door kruising met het Engelsche Lincolnras gewijzigd, vroegrijper geworden, beter voor vetmesting geschikt. Wij hebben een nieuw ras gekregen: het Nieuw Texelsch ras, dat al jaren lang zuiver gefokt wordt, voldoende constant is en op Texel en een deel van N.-Holland voorkomt.

Op Texel worden zeer veel schapen gefokt; de lammeren worden in de weiden van N.- en Z.-Holland vetgeweid. Verder wordt in de meeste provinciën, ook in N.-Holland, geregeld gekruist, het meest met het Lincolnras en het Wensleydale ras, ook wel met Border-Leicesters en Cotswolds. Dit geschiedt steeds om de dieren meer voor vleeschproductie geschikt te maken en tevens de wol te verbeteren. — Geiten worden vooral gehouden in fabriekscentra, in de mijnstreken en door boerenarbeiders en wel voor de melkproductie. Vroeger is van de geitenteelt al heel weinig notitie genomen, werden de geiten, ook wat voeding en verpleging betreft, in den regel verwaarloosd. Men heeft in de laatste jaren leeren inzien, dat de geit voor het arbeidersgezin groote waarde heeft, omdat zij gemakkelijk te houden en te voeden is, en veel goede melk en goed eetbaar vleesch levert. Vooral de melk is voor het gezin zeer veel waard. Een bepaald ras van geiten hadden we in ons land niet. Toch heeft men in sommige streken door een goede teeltkeus en door fokkerij met bokken en geiten uit eigen streek vrij veel verbetering gekregen.

Veelvuldig heeft men heil gezocht in kruising met buitenlandsche rassen, vooral door invoer van bokken van het Saanen ras (wit); soms ook door bokken van het Toggenburger ras (haaskleurig). Beide rassen zijn goed gebouwd en zeer melkrijk. Het best is het Saanen ras, en de kruising hiermede heeft in verschillende streken een goed resultaat opgeleverd. In Drente en Groningen heeft men wel met Toggenburger bokken gekruist, omdat dat ras iets soberder is dan het Saanen ras. — Varkens worden op de meeste boerderijen gehouden, vooral ook omdat zij gevoed kunnen worden met afvalproducten der zuivelbereiding (ondermelk, wei), met aardappelen (ook kleine en zieke), allerlei afvalproducten van landbouw en nijverheid. Zij moeten daarbij gerste-, mais- of roggemeel hebben. In ons land komen op 1000 inwoners 216 varkens: een cijfer, dat nog niet hoog is, als wij bedenken, dat dit in Denemarken 578 bedraagt. Toch is vooral in de Oostelijke provinciën, Overijsel, Gelderland, N.-Brabant en Limburg het aantal varkens groot. Vroeger had men in N. twee rassen: het Kleine, steiloorige varken en het Groote, grootoorige ras.

Het eerste is sedert een 10 jaar verdwenen en werd verdrongen door het Groote, grootoorige varken, ook het Nederlandsche of Inlandsche ras genoemd. Dit ras had als voordeelen, dat het groot en lang was, zwaar van gewicht werd, sterk was en veel spek leverde. Sedert een 40 jaar, nu de vleeschexport zich uitbreidde, heeft men er naar gestreefd, varkens te krijgen, die vroegrijper waren, sneller groeiden en meer vleesch in verhouding van spek en been leverden. Eerst heeft men gekruist met het Zwarte Berkshire ras uit Engeland, later ook met het Zwarte Poland-China ras uit Amerika. Het meeste succes is verkregen met het Groot Yorkshire ras, waarmede in alle deelen van het land gekruist is, zoodat weinig van het Inlandsche ras meer over is. Het streven is nu ook in de varkensfokkerij de kruising na te laten, doch te fokken òf het Groot Yorkshire ras, òf het Veredelde Duitsche landvarken of het Inlandsche ras. Het eerste past op boerderijen, waar enkel ondermelk of wei, en meel wordt gevoederd, het tweede meer in de Oostelijke provinciën, waar de varkens ook afvalproducten van den landbouw moeten eten, het derde op de zeer extensieve bedrijven. Deze laatste worden echter in aantal gering, zoodat het Inlandsche ras meer en meer verdwijnt.

Visscherij. a. Zeevisscherij. De haringvisscherij gaat vooruit, de opbrengst is ± 60% der geheele Nederlandsche zee- en kustvisscherij. De haringvloot ligt voor een groot deel in Vlaardingen. De zoute haring gaat meest naar Pruisen, de bokking van de Noordzeeplaatsen naar België. De opbrengst dezer visscherij bedroeg in 1913 bijna ƒ 24 millioen. De schrobnet- of trawlvisscherij, hoofdzakelijk van uit Scheveningen en Katwijk. Opbrengst in 1913 ƒ 6 m. Beugvisscherij (hoofdzakelijk kabeljauw en schelvisch). De opbrengst der beugvisscherij bedroeg ƒ 0.6 mill.

Van IJmuiden wordt veel verzonden naar Duitschland en België. Het is de 1e vischmarkt van het vasteland van Europa. De Zuiderzeevisscherij is al zeer wisselvallig; ze levert vooral haring en ansjovis. De geheele, gemiddelde opbrengst bedraagt ± ƒ 2 millioen. Op de Zeeuwsche en Z.-Hollandsche wateren is bot het hoofdproduct, verder oesters, mossels en garnalen. Van de laatste 3 gaat veel naar Engeland, België en Duitschland.

De zoetwatervisscherij gaat sterk achteruit. De voornaamste afnemer is thans Duitschland, vroeger Engeland. De uitvoer heeft een waarde van ƒ 2 millioen. Op de rivieren wordt o. a. zalm gevangen. De voornaamste markt, 't Kralingsche veer, heeft een aanvoer voor ongeveer ½ millioen gulden. De zalmvisscherij gaat steeds meer achteruit, ondanks zalmtractaat en kunstmatige teelt.

Nijverheid. Ondanks de weinige grondstoffen, de nog onvoldoende exploitatie van steenkolen en het kleine afzetgebied, begint de industrie zich al meer en meer te ontwikkelen. De voornaamste industriegebieden zijn: 1) de streek van Hoek van Holland tot Gorkum, langs den Rotterdamschen Waterweg, Nieuwe Maas, Noord en Merwede en Hollandschen IJsel (scheepsbouw, machines, kustmest, glas, verder chemische industrie); 2) het Noordzeekanaal met de Zaanstreek (veelsoortige industrie); 3) Twente en het Oostelijk deel van de Graafschap (meest textielindustrie); 4) N.-Brabant, vooral de Meierij (textielindustrie, sigaren, enz.) en de Langstraat (schoenen en leer), terwijl in W. Noord-Brabant de suikerindustrie van beteekenis is; 5) de Groninger Veenkoloniën met aardappelmeel- en stroocartonfabrieken; 6) de Oostrand der Hooge Veluwe van Hattem tot Dieren, met textiel-, metaal-, papier- en andere industrie; 7) de Oude IJselstreek met nog eenige ijzerfabrieken; 8) de nijverheid in de steden, Amsterdam en Rotterdam, Delft, Leiden, Gouda, Utrecht, enz. — Van de textielindustrie is die van katoen het belangrijkst. Van de 16 katoenspinnerijen zijn er 14 in Twente met ± 4000 arbeiders; daar zijn 27 katoenweverijen met 16.000 arbeiders, in de Meierij 13 met 2000 arbeiders. Ruwe katoen en afval van de spinnerijen wordt in 10 fabrieken tot watten verwerkt. De ruwe katoen komt meest uit de Vereenigde Staten en wordt grootendeels over Bremen ingevoerd; de gesponnen garens komen hoofdzakelijk via Rotterdam. De afzet van de Twentsche katoen heeft voor bijna de helft in Nederland plaats. De linnenindustrie is al zeer ingekrompen, hoewel Zeeland, Groningen en Friesland nog altijd het fijnste vlas leveren. Meer dan de helft wordt onbewerkt uitgevoerd, meest naar West-Vlaanderen.

In Tilburg is de eenige Nederlandsche stoomvlasspinnerij. N.-Brabant heeft 21 stoomlinnenweverijen en talrijke handweverijen. De linnen garens worden meest ingevoerd uit België en uit Groot-Brittannië. De linnenindustrie werkt bijna alleen voor inlandsch gebruik, De fijne wol wordt uitgevoerd, meest via Antwerpen en Londen, terwijl Amsterdam ook begint rechtstreeks in te voeren. De meeste wolindustrie vindt men in Tilburg. Ons land voert meer wollen stoffen in dan uit. Jute-industrie zetelt hoofdzakelijk in Rijsen, verder Oldenzaal, Goorle, enz. Tapijtweverij: Deventer (Smyrnasche), Rotterdam, ’s-Gravenhage, Hilversum, Laren, Amersfoort, Rhenen, enz.

Tricot van katoen, wol en zijde: Friezenveen, Winterswijk, Apeldoorn. Nettenfabrieken zijn te Apeldoorn, Scheveningen, Goor, Leiden, Gouda. Zeildoek vooral te Krommenie. Kunstzijdefabrieken zijn o. a. te Arnhem gevestigd. — Metaalindustrie. De vroegere hoogovens aan den Ouden IJsel zijn verdwenen.Thans wordt met staatshulp een groot hoogovenbedrijf opgericht. IJzergieterijen zijn er in N. ruim 80, staalgieterijen 2, Aan vele zijn verbonden constructiewerkplaatsen en machinefabrieken. De constructiewerkplaatsen leveren meest voor binnenlandsch gebruik. De machinefabrieken zijn over N. verspreid, ’t meest natuurlijk in de industriegebieden, vooral waar scheepsbouw zetelt.

Onze werven werken veel voor het buitenland. Motoren, o.a. de Kromhout-motoren, worden in Amsterdam, Alkmaar en aan de Noord, tevens in Appingedam, vervaardigd. Verder zijn van beteekenis de koperfabrieken (o. a. te Hengelo O.), auto- en rijwielfabrieken, die van brandkasten (o. a. te Dordrecht), van electrotechnische apparaten, blikemballage, capsules, brandspuiten, goud- en zilverwerken (Voorschoten, Utrecht, Haarlem, Groningen, als kleinbedrijf nog veel in Schoonhoven). — Chemische e. a. industrie. Reeds oud zijn de olieslagerijen. Thans wordt meest buitenlandsch zaad verwerkt (lijnzaad, koolzaad, sojaboonen, grondnoten- en sesamzaad) en vooral copra. Als bijproducten leveren de oliefabrieken koeken. De oude smeerkaarsen zijn verdrongen door stearinekaarsen (fabrieken te Gouda en Schiedam, die veel uitvoeren naar het buitenland). De margarine-industrie gebruikte oorspronkelijk oleo-margarine, uit rundvet verkregen en met melk of room tot margarine verwerkt.

Thans vermengt men deze oleo-margarine met andere vetten, zoowel dierlijke als plantaardige. De eerste margarinefabriek is opgericht te Os; thans zijn er in N. 28 met ± 2400 arbeiders. Het is een belangrijk uitvoerartikel geworden: in 1910 56½ mill. K.G., waarvan bijna 95% naar Groot-Brittannië. Ook de zeep-industrie verwerkt veel olie. 35 Papierfabrieken. Cacao- en chocoladefabrieken (± 40), meest te Amsterdam, Weesp, Bussum, de Zaanstreek, den Haag, Breda. Meelfabrieken, waaronder een 20-tal groote, vindt men aan de Zaan en verder over het land verspreid, evenals de rijstpellerijen, vooral in de Zaanstreek, Amsterdam en Rotterdam. De leer- en schoenennijverheid zetelt in de Langstraat, verder in Tilburg, Eindhoven, Delft, Eibergen, enz.

Moutwijn wordt meest in Schiedam gefabriceerd; spiritusfabrieken zijn in Schiedam, Delft, enz., waar ook de gist gemaakt wordt. Destilleerderijen en likeurstokerijen vindt men ook daar veel, verder in Amsterdam, Rotterdam, den Haag, enz. Na Frankrijk levert ons land de meeste fijne likeuren voor den wereldhandel. Bierbrouwerijen. De grootste, die ook veel voor export werken, zijn te Amsterdam en Rotterdam, verder zijn er vele groote over het land verbreid, terwijl in N.-Brabant en Limburg op bijna elk dorp een kleine brouwerij gevonden wordt. Suikerfabrieken, zie boven.

De grootste suikerraffinaderijen bevinden zich in Amsterdam en Rotterdam. Sigarenfabrieken zijn er vele, vooral in N.-Brabant (Eindhoven) en in de groote steden. De diamantindustrie is gevestigd te Amsterdam en Hilversum. Kunstmeststoffenfabrieken zijn te Rotterdam, Zwijndrecht, Amsterdam en te Hoogkerk. Ze leveren superfosfaat, guano, zwavelzure ammoniak, enz. Bij de nijverheidsbedrijven waren in 1909 werkzaam 782.382 of 13% van de bevolking, in de landbouwbedrijven 639.577 of 10% bij de handelsbedrijven 409.570 of 7%.

Handel. Als handelsland neemt N. onder de Europeesche staten de 4e plaats (na Groot-Brittannië, Duitschland en Frankrijk) in; van alle landen der wereld de 5e. In 1907 omvatte N. 6.3% van den geheelen wereldhandel. De vooruitgang van 1900-1907 bedroeg 35% (Gr.Brittannië 33%, Duitschland 50%). Voor den handel met de voornaamste landen zie tabel.

Onze handel met de voornaamste landen (1913) in mill. guldens:

Uit de Tabel blijkt o. a. ook de groote betekenis van ons koloniaal bezit. De voornaamste handelsartikelen zijn: a. granen, waarvan van tarwe ingevoerd werd 2.160.000 ton; de uitvoer, meest naar Duitschland, bedroeg in 1913: 1.530.000 ton; gerst invoer 880.000 ton, uitvoer 696.000 ton; maïs invoer 100.200 ton, uitvoer 110.000 ton; rogge, resp. 621.000 en 363.100 ton; haver 569.000 en 451.000 ton. De grootste invoer heeft Rotterdam, daarna Amsterdam; b. de houthandel, zetelende te Amsterdam, Rotterdam en Zaandam, voert timmerhout en meubelhout aan; c. koloniale waren: tabak, waarvan uit Indië ter waarde van 92 millioen gulden; thee ruim 20 m. K.G., waarvan 5 m. K.G. weer werd uitgevoerd; koffie: invoer 146.5 m. K.G., waarvan 91.6 m. uit Brazilië en 21.6 uit Indië. De uitvoer had meest plaats naar Duitschland: totaal 92 m. K.G.; rijst in 1913: 418 m. K.G., waarvan 225 m. K.G. weer uitgevoerd; rubber, waarvan de aanwas van plantagerubber zeer toeneemt, in 1913: 1.814.500 K.G., waarvan uitgevoerd wordt ⅗; ertsen: de invoer bedroeg 10.290 m. K.G., waarvan 84% in Rotterdam, gaat meest naar het Roergebied; zuidvruchten, meest in Amsterdam ingevoerd, voor een waarde van ruim ƒ 10 m. Een deel wordt weer uitgevoerd. De totale handelsbeweging bedroeg in 1912 in Rotterdam 25.8 millioen ton, zoodat het in dat jaar Hamburg en Bremen achter zich liet.

Verkeer. Van het goederenverkeer kwam in 1912 in % 84% van ’t geheele goederenvervoer geschiedt dus te water. Voor de grootte van het verkeer op de verschillende hoofdwateren zie tabel.

Scheepvaart in 1000-tallen M.3 in 1913.

Hoek van Holland 78.622 Noordzeekanaal (Noordzeesluizen) 25.903 Rijn bij Lobith 52.354 Kanaal van Hansweert 16.923 Kanaal bij Terneuzen (naar Gent) 16.673 Merwedekanaal bij Amsterdam 10.999 Gouwe bij Gouda 3.203 Het verkeer te land geschiedt hoofdzakelijk langs de spoorwegen. In 1915 totaal 3400 K.M. spoorweg, waarvan de S.S. 1847, H.IJ.S.M. 1288, N.C.S. 148, N.B.D.S. 52, Mechelen-Terneuzen 12, Bentheimer Kreisbahn 2, Pruisische S.S. 25, Oldenb. S. 1. Voor het goederenvervoer hebben ze lang niet die beteekenis, welke ze in het buitenland daarvoor hebben.

Litteratuur: a. Kaarten. Vooreerst de topographische en militaire kaart voor het Koninkrijk der Nederlanden, schaal 1 : 50.000, 62 bladen, ook gekleurd als Chromo-topografische kaart; op schaal 1 : 200.000 verscheen de Topografische Kaart in 19 bladen, ook gekleurd verkrijgbaar. Sedert 1887 verschijnt de Topografische Kaart 1 : 25.000, welke vroeger alleen de strookkaarten der verdedigingslinies omvatte, in 766 bladen, waarvan ± 600 verschenen zijn. De historisch-statistieke schetskaart 1 : 100.000, in 30 bladen, dient meer om er in te teeltenen. In 1864 is begonnen met de Waterstaatskaart 1 : 50.000, waartoe als grondslag dient de topografische, maar dan elk blad in vieren gedeeld, met veel kantteekeningen en litteratuuropgaven. Op schaal 1 : 10.000, verscheen de Rivierkaart. De Geologische kaart op schaal 1 : 200.000 van de Commissie voor de Geologische kaart werd in 1889 herdrukt, zoo goed als ongewijzigd, en voldoet thans lang niet meer. Een Algemeene Hoogtekaart (1 : 600.000) moet ook noodig herzien worden.

Wel is sedert een Atlas verschenen van de Staatscommissie inzake bevloeiïngen (waarin hoogtekaarten op schaal 1 : 200.000 van de hooge helft van Nederland). Een mooie overzichtskaart in den schoolatlas van P. R. Bos-Niermeijer. Van de zeekaarten dienen voor N. genoemd te worden: Noordzee: Nederlandsche kust (1 : 500.000); Ned. Kust: Noordhinder tot Kijkduin (1 : 250.000); IJmuiden tot Eems (1 : 250.000); de Schelde van Vlissingen tot Antwerpen (1 : 50.000); de Maas tot Rotterdam (1 : 30.000); de Zuiderzee (1 : 100.000); de Vaarwaters naar de Zuiderzee in 2 bladen (1: 50.000). — b. Oudere litteratuur: Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden (1739-1795) van verschillende schrijvers; de Algemeene Statistiek (2 dln, 1870-1873); Dr. H. Blink, Nederland en zijn bewoners (1887-1892, in 2 dln.) Voor den vroegeren toestand van N. zij gewezen op: L. Ph. C. van den Bergh, Handboek der Middel-Nederlandsche Geographie en G. Acker Stratingh, Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands (1846-52). Voor de geschiedenis der plaatsnamen, zie Nomina Geographica Neerlandica, terwijl ook een Woordenlijst van de aardrijkskundige namen in N. door het Koninkl. Nederl.

Aardrijksk. Genootschap bezorgd werd. — c. Samenvattende nieuwere werken zijn: R. Schuiling, Nederland; Mr. H. Smissaert, Nederland in den aanvang der 20e eeuw. — d. Van de tijdschriften zij genoemd: Tijdschrift van het Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap; Tijdschrift voor Economische Geographie; Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde (verschijnt niet meer), terwijl ook in andere tijdschriften wel artikelen, op Nederland betrekking hebbende, verschijnen. — e. Voor de geologische litteratuur zij verwezen naar de lijst van Prof. Jonker en het aanvullende litteratuuroverzicht in Molengraaf en van Waterschoot van der Gracht, Niederlande, verder de verslagen en mededeelingen van de Rijks Opsporing van Delfstoffen en de verhandelingen en Mededeelingen van het Geologisch Mijnbouwkundig Genootschap. — f. Voor den waterstaatkundigen toestand: Beekman, Nederland als Polderland, Polders en Droogmakerijen, Dijks- en Waterschapsrecht in Nederland. Klimaat: Krecke, het Klimaat van Nederland, en behalve de reeds genoemde verschillende Mededeelingen van ’t Meteor.

Instit. te de Bilt. — g. Bevolking: verouderd is Lubach, de Bewoners van Nederland (1863); Holwerda en Bolk zijn elders genoemd. — h. Voor land- en tuinb. en de veeteelt dient vooral gewezen te worden op verschillende Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw, verder De Nederlandsche Landbouw van 1813-1913. Dr. H. Blink schreef een Geschiedenis van den Boerenstand. Ook zij gewezen op het Tijdschrift van de Nederl. Heide-Maatschappij en op Dr. J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft in den Niederlanden. — i. Een Beschrijving van Handel en Nijverheid onder leiding van Mr.

J. C. A. Everwijn verscheen in 2 deelen, terwijl daarbij uitkwam een Historisch Economische atlas, bewerkt door Dr. H. Blink. Van de Directie van den arbeid verschenen verschillende uitgaven, zooals no. 11, Fabrieken en Werkplaatsen. Onmisbaar zijn de jaarcijfers van het Kon. der Nederlanden. Verder dienen genoemd: Verslag van den staat der zeevisscherijen, Statistiek van de scheepvaartbeweging op de rivieren en kanalen, terwijl de bevolking van verschillende zijden bezien wordt in de Uitkomsten der tienjaarlijksche Volkstellingen.

Landsverdediging. Naast de zorg voor de verdediging zijner onafhankelijkheid rust op N. de plicht tot handhaving zijner neutraliteit. Deze eischen verklaren de noodzakelijkheid van het bezit van een goed geoefend leger, waarvan de sterkte aan voornoemde eischen voldoet, van welbewapende, moderne land- en kustversterkingen en van een strijdwaardige oorlogsvloot. Het beginsel, waarop onze landsverdediging en vooral de totstandkoming onzer verdedigingsliniën berust, laat zich gemakkelijk uit de eigenaardige bodemsgesteldheid van ons vaderland verklaren. — De strijdmacht op voet van oorlog omvat: 1e Algemeen Hoofdkwartier, 2e Veldleger, 3e Kustdivisie der Marine, 4e scheepsmacht voor locale verdediging en voor het bewaken der rivieren, 5e de bezettingstroepen der liniën, stellingen en afzonderlijke forten, 6e troepen in beginsel voor territoriale verdediging bestemd, 7e landstorm. Het algemeen Hoofdkwartier bestuurt de algemeene landsverdediging, gesteund door het Departement van Oorlog. Het Veldleger bestaat uit: Hoofdkwartier van het Veldleger, met telegraafafdeeling, 4 divisiën, de cavalerie brigade, de Etappeninspectie. Een Divisie van het Veldleger is samengesteld uit: staf der divisie, 3 infanteriebrigades, 1 comp. wielrijders, 1 reg. huzaren (indien een cav. brig. wordt geformeerd, 1 of 2 eskadrons), 1 reg. veld-art., 1 comp. veldpioniers, 1 inf. munitietrein, 1 art. munitietrein, 1 telegraafafdeeling, 1 verlichtingsafdeeling, 1 verbandplaatsafdeeling, 1 veldziekenstal, 1 pontonafdeeling. Wanneer een cavelerie brigade wordt geformeerd, dan is deze samengesteld uit: staf der brigade; aan te wijzen onderdeelen der regimenten huzaren, het Korps Rijdende Artillerie, den cav. munitietrein, den art. munitietrein van het Korps Rijdende Artillerie. (Zie voorts ETAPPENDIENST). De bezettingstroepen van het leger bestaan uit: de hoofdkwartieren der liniën en stellingen, alsmede de stafkwartieren van de sectoren en groepen der liniën en stellingen; de in den bezettingsstaat aangegeven bataljons infanterie, 38 comp. vesting-artillerie, het 3e Regiment vest.-art., 5 comp. pantserfort-art., 2 comp. torpedisten, 4 pelotons vest.-pioniers, het personeel van den vest.-telegraafdienst en van den telephoondienst bij de mil. kustwacht; personeel der verlichtingsinstallatiën, administratietr. en der hospitaalsoldaten.

Deze troepen zullen, terwijl het Veldleger den indringer tegemoet gaat, de daartoe aangewezen stellingen (zie hierna) in staat van verdediging brengen en bezetten. Wordt het veldleger teruggeslagen, dan vindt het een wijkplaats en een houvast in de stellingen. Het Rijk is verdeeld in 44 landweerdistricten, welke leveren 48 bataljons landweerinf., 52 comp. vesting-artillerie, 4 compagnieën pioniers, 1 telegraafcomp., 2 comp. pontonniers, 4 comp. hospitaalsoldaten, 1 comp. adm.-troepen. De bataljons inf. v. d. landweer, die niet in de liniën en stellingen worden ingedeeld, kunnen worden bestemd voor de territoriale verdediging, voor kustbewaking, voor indeeling bij het veldleger enz. Ter aanvulling en africhting zijn bestemd de depot-troepen, bestaande uit: a. van het leger: 12 depot-bataljons inf. (1 per divisie tevens als depot voor het overcomplete personeel der comp. wielr.), 2 dep. huzaren, 4 dep. veld-art., 4 dep. afdeelingen vest.-art., het Bruggendepot (tevens depot voor het korps torpedisten); het depot genietroepen, het depot adm. troepen, het depot marechaussee; b. van de landweer: depotcomp. of depot-bataljons landweerinf., depot-afdeelingen landweer-vest.-art.; c. van het leger en de landweer: het algemeen paardendepot. Vermeld dienen nog de Marechaussee, in vredestijd ingedeeld in een staf, 4 divisiën en een depot; de Vrijwillige Landstorm (o. a. 191 officieren) en het Vrijwillig Militair Automobielkorps (47 officieren). De Nederlandsche weermacht is, wat de landmacht betreft, grootendeels samengesteld uit militie, waarin de vrijwilligers, het overblijfsel van de vroegere staande legers, voornamelijk zijn opgenomen, teneinde in tijd van vrede een kern van beroepsmilitairen te bezitten, die de militie oefenen. De totale oorlogssterkte is ongeveer 200.000 man, doch kan door onder-de-wapenen-roeping van landweer en landstorm tot ruim 500.000 man uitgebreid worden.

Het veldleger is het eigenlijke mobiele element onzer verdediging. Alleen dat leger is in staat, en dan ook bestemd, om den vijand in het open veld buiten onze liniën en stellingen de betreding van ons grondgebied te verhinderen. Een belangrijk deel van ons land is door deze kunstmatige verdedigingswerken afgesloten. Denkt men toch in ons land geen enkel verdedigingswerk, geen enkele linie of stelling aanwezig en dus de geheele weerkracht in het veldleger geconcentreerd, dan zal er licht altijd een punt zijn, dat men zoolang mogelijk aan den vijand moet betwisten, omdat met het verlies daarvan, het grondgebied geheel in ’s vijands macht is. Het veldleger zou in het gedachte geval den vijand de nadering tot dat punt zoo lang mogelijk moeten beletten. Zoodra de vijand door een omtrekking van ons veldleger zich langs een nevenoperatielijn in de richting van het te beschermen punt beweegt, zal het tot een teruggaande beweging genoodzaakt zijn. Vrijwel dezelfde toestand treedt in, wanneer het zooeven beschouwde punt de eenige vesting is. Geheel anders wordt de toestand, wanneer men, onafhankelijk van het veldleger, over de middelen beschikt om den vijand den toegang tot een meer uitgestrekt gedeelte van het land te ontzeggen.

Dat veldleger kan dan vrijer opereeren, zooals de omstandigheden het meest gewenscht doen achten. Dit gebied — ook wel de Vesting Holland genoemd — omvat Noord- en Zuid-Holland en het Westel. deel van Utrecht. Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht, enz., onze voornaamste koopsteden en havens, liggen in dit gedeelte des lands, evenzoo ’s-Gravenhage, de zetel der regeering. Doch ook militaire overwegingen leiden tot de keuze van dit landsgedeelte. Immers, de nadering van den vijand moet hier geschieden òf over zee, òf over een terrein, dat door zijn lage ligging kan worden geïnundeerd, waardoor het mogelijk wordt aan een groote overmacht het hoofd te bieden. Wordt nu de Vesting Holland door troepen bezet, dan blijft het veldleger c.q. in vereeniging met bondgenootschappelijke legers, beschikbaar voor het optreden in het vrije veld. Het veldleger kan genoodzaakt zijn, binnen de Vesting Holland terug te gaan, waarna het geheel of ten deele aan de verdediging daarvan zal kunnen deelnemen. Wenschelijk is de mogelijkheid uit de Vesting Holland uit te breken, met het doel de operatiën in het vrije veld te hervatten.

Een inundatiestelling, zooals de Vesting Holland aan de Oostzijde grootendeels is, leent zich voor een dergelijke offensieve onderneming niet goed, zoodat het offensief bij voorkeur buiten de vleugels van de stelling aan de Oostzijde (N. H. Waterlinie) zal moeten plaats hebben, b.v. over de Zuiderzee of door Brabant. Gelukt het den vijand, ondanks onzen weerstand, in de Vesting Holland binnen te dringen, dan moet de verdediging in het Hollandsche poldergebied, dat zich zoo bijzonder daartoe leent, worden voortgezet. De terugtocht moet dan op den zetel der regeering gericht zijn, welk punt nu echter, werden den tegenstander geen ernstiger hinderpalen in den weg gelegd, na korteren of langeren tijd in vijands handen zou vallen. Daarom is het wenschelijk dit laatste punt met duurzame werken te omringen; dit riep de Stelling van Amsterdam in het leven. Een enkel woord dient gewijd aan de Vestingwet van 18 April 1874. Het lag voor de hand, dat Nederland, toen België zich daarvan in 1830 had afgescheiden, tot de definitieve regeling van zijn vestingstelsel zou overgaan. Jaren verliepen intusschen, en de tallooze vestingen en liniën, waarmede het gansche land al sedert den Spaanschen vrijheidsoorlog was bezaaid, bleven gehandhaafd en bezet, ook al hadden zij voor de verdediging geen beteekenis meer.

Omstreeks 1843 werd door den toenmaligen luitenant Stieltjes en de kapiteins Knoop en de Roo van Alderwerelt de strijd tegen de z.g. schadelijke vestingen aangebonden. Dank zij hun onvermoeid streven verdwenen geleidelijk tal van nuttelooze verdedigingswerken, doch daar de inzichten der wisselende ministers van Oorlog voortdurend veranderden, kregen de gelden, voor de landsverdediging beschikbaar, veelal niet de meest gewenschte bestemming, totdat de volksvertegenwoordiging hieraan een einde maakte door voor eens en altijd, uit te maken, welke versterkingen in ons verdedigingsstelsel zouden vervallen, welke men behouden zou, welke eindelijk nieuw zouden worden gebouwd. Het vestingstelsel werd dus in de wet vastgelegd, zoodat de opvolgende ministers van oorlog aan een vast systeem gebonden waren. Zoo kwam na herhaalde mislukking, op den 18en April 1874 onder minister Weitzel de vestingwet tot stand, die tot op heden nog steeds bindende kracht heeft en waarop het stelsel onzer doode weermiddelen berust. Volgens art. 1 van deze wet omvat ons vestingstelsel: a. de Nieuwe Hollandsche Waterlinie van de Zuiderzee langs Utrecht naar de Lek, van de Lek tot de Merwede en door het land van Altena tot de Nieuwe Merwede; b. de stelling van de Geldersche Vallei met die in de Neder-Betuwe, als voorpostenstelling van eerstgenoemde; c. de stelling van ’t Hollandsch Diep en het Volkerak; d. de stelling van de Monden der Maas en van het Haringvliet; e. de stelling van Den Helder; f. de werken tot dekking van rivierovergangen en opname van troepen aan IJsel, Waal en Maas; g. de stelling van Amsterdam; h. de Zuider Waterlinie, van de Maas boven Sint-Andries tot de Amer beneden Geertruidenberg; i. werken aan de Westerschelde. Volgens art. 2 zouden de werken in onderstaande volgorde worden uitgevoerd: 1e die onder a en e, 2e die onder c en d, 3e die onder het overig gedeelte van f en onder b, 4e die onder het overig gedeelte van g, 5e die onder h, 6e die onder i, met recht van afwijking. Uit deze volgorde blijkt de bedoeling, eerst de stellingen aan den omtrek der Vesting Holland te voltooien en daarna de werken en de stellingen buiten en binnen genoemde vesting noodig geacht. Aan de onder b genoemde werken is sedert de vestingwet niets meer gedaan en zal wellicht nooit meer gewerkt worden.

De Nieuwe Hollandsche Waterlinie vormt het Oostelijk landfront der Vesting Holland, van de Zuiderzee tot en met den Biesbosch een aaneenschakeling van versterkingen, waarvoor zich breede onderwaterzettingen uitstrekken, een weerstandslijn van groote beteekenis, welke door de groote afstootende werking der moderne vuurwapenen, in den Iaatsten tijd nog veel is toegenomen. Haar ligging, dicht bij onze Zuidelijke en Oostelijke grenzen, vereischt, dat zij in zeer korten tijd in volkomen staat van tegenweer kan worden gebracht. Het veldleger kan geheel of ten deele in de buitenprovinciën blijven, steunend op de zekerheid, in het centrum des lands een krachtige stelling gereed te vinden om aan een groote overmacht het hoofd te bieden. Tot de N. H. W.L. behooren verscheidene, ter verdediging ingerichte, lijnen, zoomede de permanente werken (forten, batterijen, enz.) ter afsluiting van de accessen door de innudatiën of van de dijken langs de groote rivieren; een uitzondering daarop vormen de forten beoosten Utrecht. De lengte der stelling bedraagt ongeveer 115 K.M. De stelling van den Helder dient tot a. het beschermen van Nieuwediep, als basis van onze oorlogsvloot in ’t Noorden, b. het afsluiten van de toegangen naar de Zuiderzee, m. a. w. tot het verleenen van directen steun bij de verdediging van de Vesting Holland, c. het verleenen van indirecten steun bij de verdediging van de stelling van Amsterdam. Zoolang wij eerstgenoemde stelling kunnen behouden, kan een vijand uit het Westen het Zuiderzeefront van de Amsterdamsche stelling niet insluiten, terwijl succes van een aanval op het Noordfront van laatstgenoemde stelling uitgesloten is, zoolang de bezetting van den Helder den vijand in den rug bedreigt en deze de beschikking mist over een goede haven. De stelling heeft een zeefront en een landfront, welk laatste de aanvallen moet keeren van een in N.-Holland gelanden vijand. Tot het zeefront behoort o. a. het pantserfort Harssens met kanonnen van 30,5 c.M. kaliber in koepel, die vuur brengen op de reede van Texel.

De stelling van ’t Hollandsch diep en het Volkerak dient in vereeniging met de stelling van de Monden der Maas en der Schelde tot afsluiting van de toegangen, uit Zuidelijke en Zuid-Westelijke richting naar de Vesting Holland. Gelukte het toch aan een tegenstander tot Rotterdam door te dringen, dan vond hij hier een basis voor zijn verdere operatiën in N. of O. richting. Bij het vaststellen van de punten van afsluiting der toegangen op het Zuidfront, gold het beginsel met een minimum aantal werken te volstaan. Deze zijn nabij Willemstad door de aldaar op den Brabantschen wal, op het eiland Beierland en op het eiland Goeree en Overflakkee tot afsluiting van het Haringvliet en het Volkerak (Hellegat). Omdat nu een tegenstander door voornoemde stelling nog niet belet wordt, de Vesting Holland van het Westen of of Zuid-Westen binnen te dringen, zijn de volgende maatregelen genomen. Tot afsluiting van den Nieuwen Waterweg is het fort aan den Hoek van Holland gebouwd. Dit o. a. vormt met de werken aan de Schelde de stelling van de Monden der Maas en der Schelde. De toegang langs Brielle (vesting) is van weinig beteekenis, zoodat daar uitgebreide werken achterwege bleven; de toegangen tot het Zeegat van Goeree zijn ook slechts voor kleinere schepen bevaarbaar; zij worden verdedigd door de werken van de vesting Hellevoetsluis.

Tot de Werken der Westerschelde behooren het fort de Ruyter op Walcheren, eenige batterijen op den wal van Zeeuwsch-Vlaanderen en Walcheren en door de Marine bewaakte mijnversperringen. De toegangen tot de Oosterschelde zijn moeilijk bevaarbaar, evenzoo het Brouwershavensche gat. De stelling van Amsterdam is het reduit van onze landsverdediging. Naar alle zijden ligt deze stelling in 2e linie; bij een aanval uit het W. ligt zij gedekt door de kuststrook; bij een aanval uit het Z. vormen de groote rivieren onze eerste weerstandslijn; bij een aanval uit het O. de N. H. Waterlinie, bij een aanval uit het N. de stelling van den Helder. Wanneer een tegenstander in de Vesting Holland is binnengeloopen, wenscht men nog een laatste permanente verdedigingsstelling te bezitten om de verdediging zoo lang mogelijk te rekken. Dat bij de keuze van dit reduit het oog op Amsterdam viel, is eensdeels het gevolg van traditie (de hoofdstad des lands); maar vooral was Amsterdam de aangewezen plaats door haar gunstige ligging te midden van gemakkelijk te inundeeren terreinen, doordat de stelling zich uitstrekt van de Zuiderzee tot de Noordzee, is geheele insluiting hoogst bezwaarlijk. De verdedigingswerken bestaan uit een aantal forten en verdedigingsliniën; voorts zijn er nog enkele forten, die buiten de kringstelling liggen en enkele werken in 2e linie. Meet men de kringstelling langs de verdedigingslijn, dan vindt men een omtrek van ± 130 K.M., als zoodanig een der grootste van Europa.

In den laatsten tijd is veel studie gemaakt van de uitbreiding van de stelling met vleugels naar de Noordzee, waardoor het voor een tegenstander nagenoeg onmogelijk wordt de stelling geheel in te sluiten. Verschillende ontwerpen zijn aan de hand gedaan en in 1893 is een commissie benoemd om aangaande deze aangelegenheid rapport uit te brengen. De afzonderlijke forten buiten de hiervoren genoemde liniën en stellingen zijn het fort bij Pannerden, dienende ter bestrijking van den onverdeelden Rijn, het Pannerdensche kanaal en de Waal, voorts de forten Nieuw St. Andries en Crêvecoeur en de vesting Geertruidenberg, ten behoeve van een eventueelen terugtocht van troepen over de Maas c. q. Bergsche Maas. Voor de verdediging van de kust en de afsluiting onzer zeegaten, zal de marine (in samenwerking met het veldleger, de kustforten en de bevestigde zeefronten) een belangrijke taak te vervullen hebben.

Door de betrekkelijk geringe tonnemaat, zwakke pantsering, bewapening en bemanning zal een strijd in open zee met de vloten der ons omringende mogendheden uitgesloten zijn en de Nederlandsche Marine zich in hoofdzaak tot de kustverdediging moeten bepalen. Ter bewaking van het gedeelte des lands buiten het gebied, beheerscht door het veldleger en de liniën, stellingen en afzonderlijke forten, is het Rijk verdeeld in een viertal gebieden, waar het militair gezag uitgeoefend wordt door Territoriale Bevelhebbers. Zij ten slotte nog gewezen op het bestaan van een Raad van Defensie (ingesteld bij Kon. Besl. van 16 April 1908, No. 79), bestaande uit 3 afdeelingen: de 1e afdeeling komt samen, wanneer het aangelegenheden betreft, welke de algemeene landsdefensie raken; de 2e afdeeling vergadert ter behandeling van aangelegenheden, uitsluitend de landmacht betreffende en de 3e afdeeling ter behandeling van aangelegenheden, welke alleen op de zeemacht betrekking hebben. Op de leiding der operatiën in oorlogstijd heeft deze commissie geen invloed. — (Litt.: R. Schuiling, Nederland, Handboek der Aardrijkskunde; Orgaan der Vereeniging tot beoefening van Krijgswetenschap, 1902-03 Ie Afl.; Militaire Gids 1883, „Een oude Strijd” door W. Badon Ghyben; Handelingen der Tweede Kamer 1873/1874, Idem 1881/1882, Idem 1907/1908; „De Stelling van Amsterdam” door W. E. van Dam van Isselt, kap. der Veld-Art., 2e druk 1910.

Marine. De eerste sporen der Ned. zeemacht kunnen niet vroeger worden aangewezen dan in de 10e eeuw, nadat de aan zee gelegen gewesten onder erfelijke graven zelfstandiger waren geworden. Toen waren het schepen, die slechts tijdelijk voor transport of den krijg te water werden gebezigd. De aanleiding tot de eerste gevechten te water moet gezocht worden in de strooptochten der Noormannen. In ’t laatst der 14e eeuw kwam grootere regelmaat in de uitrusting en het bestuur der grafelijke vloten door de aanstelling van personen met de bijzondere zorg daarover belast, nl. admiraals. Tijdens de Bourgondische en Oostenrijksche vorsten kregen de grafelijke vloten meer 't karakter van een eigenlijke zeemacht en werd het zeewezen op vasteren voet gebracht. De oorlogsschepen hadden als uiterlijk teeken een gespleten wimpel. Onder Karel V werd de eerste vaste zeemacht geschapen van 11 schepen, welke in oorlogstijd de kern der vloot uitmaakte. In de eerste verwarring van den 80-jarigen oorlog verdween de koninklijke vloot en werd vervangen door de schepen der Watergeuzen en gewapende koopvaarders van bijzondere personen of steden, eerst uit eigen beweging, later slechts op last van den Prins van Oranje uitgerust.

Het bestuur werd onder den Prins door Admiraliteiten uitgeoefend, waarvan er vijf ontstonden. In 1597 werd een Instructie voor de Admiraliteiten uitgevaardigd, welke de grondslag van het bestuur over het Zeewezen bleef tot het einde der oude Republiek. De Oost- en West-Indische Compagnieën vormden de kweekscholen voor het personeel van de vloot van den Staat, waardoor tevens een band ontstond tusschen die vloot en de vloten der Compagnieën, terwijl zij in tijd van nood schepen en volk leverden. — Het glanstijdperk voor de Ned. Zeemacht was in de 17e tot in het begin der 18e eeuw met vlootvoogden als de Ruyter, Tromp, Evertsen, enz. Van 1693 tot 1697 had de Republiek jaarlijks meer dan 100 schepen met 4 a 5000 stukken en 20 a 24000 man in dienst. In het begin der 18e eeuw begon de verwaarloozing van ’s lands vloot; er trad een algemeen verval in, waardoor de Republiek haar ondergang tegemoet ging en in 1795 reeds onder Franschen invloed kwam. De Admiraliteiten werden opgeheven en vervangen door een Comité, later Agent voor Marine. In 1800 bezat de Republiek nog 14 linieschepen, 6 fregatten, 4 korvetten, 5 brikken, 50 kanonneerbooten, adviesjachten, enz., doch aan volk en geld was gebrek.

In 1806 werd bij de oprichting van het Koninkrijk een Minister van Marine benoemd, totdat de Zeemacht na den afstand van Lodewijk Napoleon bij de inlijving, een deel uitmaakte van de Keizerlijke Fransche Marine. Na de omwenteling van 1813 vormde de toen aanwezige scheepsmacht, nl. 9 linieschepen, 4 fregatten met een aantal kleine vaartuigen den grondslag van de Nederlandsche Marine, sinds 1815 Koninklijke. Het Ministerie van Marine, nu en dan met Koloniën vereenigd, bleef sedert 1840 een afzonderlijk Departement. In 1826 werd het eerste raderschip, in 1847 het eerste schroefstoomschip bij de Marine gevoegd. In de 2e helft der 19e eeuw verkeerde Nederland in bijzondere omstandigheden t.o. v. de Marine. Snel opvolgende uitvindingen als stoom en electriciteit kwamen in toepassing, de pantsering trad op den voorgrond en de artillerie nam een hooge vlucht, de spar- en vischtorpedo kwamen in gebruik, hetwelk groote en voortdurende veranderingen in den bouw en de uitrusting tengevolge had. Voor kleine staten eischte het op de hoogte blijven groote geldelijke opofferingen, waardoor alle kleine marines achter bleven.

Na den grooten oorlog (1914-’18) begon een bijzonder ongunstig tijdperk. Het personeel verliep, het materieel was versleten en door de groote onzekerheid omtrent totstandkoming en werking van den Volkenbond bestond bij Regeering en Volksvertegenwoordiging geen lust tot krachtigen aanbouw en aanwerving van personeel. — Voor een gedeelte bevindt de Nederlandsche Marine zich in Oost-Indië ter bescherming en verdediging onzer koloniën aldaar. De Marine-officieren worden opgeleid op het Kon. Instituut voor de Marine te Willemsoord met een vóór-opleiding, nl. de Adspiranten-school der Marine, gevestigd te Dordrecht. Te Leiden is gevestigd de Kweekschool voor Zeevaart, opleiding voor leerlingen-onderofficier. Voorts zijn er nog opleidingen voor officieren van de marine-reserve, konstabels, kanonniers, enz.

Taal. Naam. Met den naam Nederlandsch (adjektief bij Neder = laag land) duidt men de, tegenwoordige algemeen beschaafde omgangstaal aan voor de bewoners van Groot-Nederland, d. i. Noord-Nederland en ’t Vlaamsch-sprekend gedeelte van België (Zuid-Nederland). In de Middeleeuwen was dietsch (afgeleid van diet = volk) of duutsch (duitsch) de gebruikelijke term, die in de 16e eeuw door den naam Nederlandsch werd teruggedrongen. Al heel gauw wordt de term Nederduitsch een geduchte mededinger, die zich tot het begin van de 19e eeuw weet te handhaven, maar dan voor goed wijkt voor den naam Nederlandsch. Deze wordt vooral als technische term gebruikt, terwijl het volk zijn taal liever in N.-Nederland Hollandsch, in Z.-Nederland Vlaamsch noemt.

Ontstaan, ’t Nederlandsch is een Germaansche taal en als zoodanig een zelfstandig lid van de Germaansche taalgroep, die weer een onderdeel is van de groote taalfamilie, welke men de Indogermaansche (zoo genoemd naar de, in de uiterste grensgebieden gesproken talen: ’t Indisch en ’t Germaansch) of minder gebruikelijk de Indoeuropeesche noemt en die zich uitstrekt van de Himalaya tot aan de Pyreneeën. Al deze talen denkt men terug te kunnen brengen tot één grondtaal. Deze grondtaal veronderstelt in den oertijd een volkseenheid, waarvan het stamland nog niet met eenige zekerheid en nauwkeurigheid is aangewezen. Het Indogermaansch splitste zich in negen taalstammen, waarvan het Germaansch de meest Noord-Westelijke was. Dit onderscheidt zich van de overige Indogermaansche talen vooral door de taalverschijnselen, die zich in den oertijd, vermoedelijk omstreeks 1000-400 v. Chr., hebben voltrokken en samengevat worden onder den naam van Germaansche klankverschuiving. Het Germaansch werd gesproken door de in de geschiedenis als „Germanen” bekend staande volksstammen, die hun naam van de Kelten ontvingen. De Germaansche taalstam, die reeds ten tijde van Caesar en Tacitus geen geheel meer uitmaakte, splitste zich in drie groepen. ’t Noordgermaansch, dat we slechts kennen in zijn vertakkingen: het Zweedsch, het Deensch, het Noorweegsch en het IJslandsch; ’t Oostgermaansch, de taal van de Oostgermaansche volken, die in ’t begin van onze jaartelling ten Oosten van de Elbe woonden, maar nu verdwenen zijn en waarvan we, behalve enkele uitzonderingen (o. a. de bijbelvertaling van den Westgotischen bisschop Wulfilas ± 383) geen overleveringen meer bezitten; ’t Westgermaansch. Het werd in ’t begin van onze jaartelling gesproken door een groot aantal volkjes ten Westen van de Elbe en kwam na een periode van voortdurende wisseling na de 5e eeuw tot een min of meer stabielen toestand.

Na dien tijd onderscheidt men langzamerhand twee groepen van Westgermaansche dialekten: de Anglo-Friesche groep: het Angelsaksisch gesproken door de Jutten, Angelen en Saksers, die zich in Brittannië vestigden en ’t Friesch, de taal van de Friezen langs de Oost- en Noordkust van ons land; verder de Duitsche groep. Deze laat zich weer door de tweede of Hoogduitsche klankverschuiving (zie DUITSCHLAND, Taal in twee groepen verdeelen : a. de Hoogduitsche tongvallen die wèl door die klankverschuiving werden beïnvloed, b. het Nederduitsch, dat dien invloed niet onderging en dat door ’t Oud-saksisch (de taal van de Saksers, die zich op ’t vasteland vestigden tusschen Rijn en Elbe, de Noordzee en den Harz) en door ’t Oudnederfrankisch wordt gevormd. Uit een dialekt nu van dit Oudnederfrankisch, n.l. uit ’t Westnederfrankisch, is ons tegenwoordig Nederlandsch voor het grootste deel opgebouwd. Binnen de grenzen van het tegenwoordige Nederland hebben zich eertijds drie stammen gevestigd: de Friezen, die zich uitstrekten langs de geheele kust van de Noordzee tot in Groningen toe, maar wier eenheid door ’t ontstaan van de Zuiderzee gebroken werd en wier taal zich nu alleen nog in Friesland en op Schiermonnikoog heeft kunnen handhaven; de Saksers, die zich in het Oosten van ons land vestigden, waar ook nu nog in Groningen, Drente, Overijsel en in de Graafschap hun tongval wordt gesproken; de Franken, die zich in ’t midden en in ’t Zuiden vestigden. Ook nu nog wordt deze tongval gesproken in ’t Westen van Gelderland, Utrecht, Holland, Zeeland, Brabant, Limburg en het Vlaamsch sprekende deel van België, natuurlijk met de eigenaardigheden, die aan iedere streek eigen zijn.

Dit Frankisch dialekt werd als Oostnederfrankisch gesproken in Limburg, in het Oosten van Noord- en Zuid-Brabant en in Antwerpen als Westnederfrankisch in het Westen en Zuid-Westen van ons taalgebied. Uit dit Westnederfrankisch, maar dan nog uit een Noordelijken tongval, die in Holland gesproken werd, ontwikkelde zich onze schrijftaal en daarmee ook de algemeen beschaafd-Nederlandsche omgangstaal. Vandaar het beslist Frankisch karakter van onze taal. Het spreekt van zelf, dat ook Friesche en Saksische elementen in de taal zijn opgenomen en dat ook de Zuidelijke Frankische dialekten veel van hun eigenaardigheden in het algemeen Nederlandsch terugvinden.

Ontwikkeling. Om het overzicht te vergemakkelijken zijn we gewoon de ontwikkeling van de taal in drie tijdperken te verdeelen: het Oud-, Middel- en Nieuwnederlandsch. Tusschen ieder tijdperk ligt een overgangstijdperk; er zijn geen scherpe grenzen te trekken: de overgang geschiedt langzaam en geleidelijk.

Het Oudnederlandsch. Hieronder verstaat men het stadium van onze taal, waarin de uitgangen nog hun volle vocalen hadden en deze nog niet in een stomme e waren overgegaan — b.v. tellon = (ver)tellen. — Men stelt dezen tijd ongeveer van de 4e tot de 12e eeuw. Als eenige overgebleven gedenkstukken, waaruit we ons een voorstelling kunnen maken van onze taal in dit tijdperk, zijn behouden gebleven: een gedeelte van een Oud-Oostnederfrankische psalmvertaling (de z.g. Wachtendoncksche psalmen) en een aantal z.g. glossen (de Lipsiaansche gl., getrokken uit de gen. psalmvertaling). — Reeds in de oudste periode ontdekken we den invloed van andere talen op het Nederlandsch.— De betrekkingen, die er bestonden tusschen Germanen en Kelten vinden we terug in Keltische plaatsnamen, als: Rijn, Nijmegen, Loosduinen en enkele andere woorden van Keltischen oorsprong: rijk, ambacht e. a. Heel vroeg ook al begon de blijvende en vèrstrekkende invloed van het Latijn op de Germaansche talen. De omgang van de Germanen met de Romeinen, kooplui, kolonisten, Romeinsche legioenen, in den eersten tijd van onze jaartelling, bracht heel wat Latijnsche woorden in onze taal, die zich nu niet meer als uitheemsche woorden laten aanzien, omdat ze na hun overgang typisch-Germaansche of typisch-Nederlandsche klank- of klemtoonveranderingen hebben meegemaakt, b.v. fenestra = venster, cellarium = kelder, calix = kelk, angelus = engel, krijt = creta, enz. Ten deele werden deze woorden overgenomen als naam voor tot dan toe onbekende begrippen, ten deele werden de oude Germaansche benamingen op den achtergrond gedrongen door de Latijnsche. Op alle gebied zijn de overgenomen woorden talrijk en doen ons helder zien, op hoe veelsoortige wijze onze beschaving door de Romeinen is bewerkt of beïnvloed. — Door de prediking van het Christendom kwam een nieuwe vloed van kerkelijk-gekleurde Latijnsche en ook Grieksche woorden onze taal binnen. In dit tijdperk is 't vooral de invloed van het gesproken Latijn; die van het geschreven Latijn zullen we in de volgende ontwikkelingsperioden kunnen volgen.

Het Middelnederlandsch. Deze periode begint omstreeks de 12e eeuw bij de eerste schriftelijke overlevering van onze taal, waarin zich het Nederlandsch aan ons vertoont als een Westnederfrankisch dialect met Saksische en Friesche bestanddeelen en met toonloos geworden of geheel verdwenen uitgangen. — Het eerste letterkundig geschrift, dat binnen de tegenwoordige grenzen van ons land verschijnt, is de „St. Servatiuslegende”, door den Maastrichtenaar Heinric van Veldeke bewerkt in 1171. Het werd echter geschreven in een Oostnederfrankisch dialect en kan daarom niet onverdeeld als een Nederlandsch letterkundig produkt beschouwd worden. Iets later, in ’t begin van de 13e eeuw, ontstond er een letterkundige taal in Vlaanderen en bijna gelijktijdig in Brabant en Holland. Het spreekt van zelf, dat onder de vormende hand van dichters en schrijvers de taal zich krachtiger en breeder ontplooide. Vooral de volksdichters brachten door hun werken de eigenschappen van de geschreven taal op de spreektaal over. Men denke hier b.v. aan de veelgelezen leerdichten van Maerlant en zijn school. — Tegelijkertijd begon men ook in plaats van het Latijn de landstaal te gebruiken in officiëele en ambtelijke stukken, wat ook weer een eigenaardige inwerking had op de gesproken taal. — Hoewel de schrijftaal van de Middeleeuwsche schrijvers en dichters een gewestelijke kleur hield, waaraan we ook nu nog hun woonstreek kunnen herkennen, legden de meesten er zich op toe zooveel mogelijk een eenvormige taal te gebruiken, die zoowel in de Noordelijke gewesten als in Vlaanderen en Brabant verstaan werd.

Vooral Maerlant, die èn in ’t Noorden èn in ’t Zuiden gewoond had, trachtte hier een schakel te vinden. Deze min of meer algemeen geldende schrijftaal noemde men het Dietsch, maar was toch, daar ’t voornaamste beschavingscentrum in Zuid-Nederland lag— getuige de schoone en machtige Vlaamsche steden — Vlaamsch-Brabantsch gekleurd. Wat de inwerking van vreemde talen op het Middelnederlandsch betreft, ’t is ten eerste die van ’t Latijn, die zich sterk deed gelden; echter nu niet van het gesproken, maar van het geschreven Latijn. Men denke hier aan ’t Latijn als de taal van de kerk, den bijbel, de geleerden, de officiëele geschriften; aan de vertalingen van klassieke stof en de bewerkingen naar Latijnsche bronnen; en in de late Middeleeuwen aan den beginnenden invloed van Renaissance en Humanisme en de Latijnsche scholen, die overal in ons land werden gesticht. — Even belangrijk is in de Middeleeuwen de invloed van het Fransch op onze taal. In de spreektaal was dit ’t sterkst in de Zuidelijke streken, die vlak aan de Fransch-sprekende gewesten grensden.

Onze schrijftaal werd beïnvloed door de talrijke, uit het Fransch vertaalde letterkundige werken. De verfransching èn van zeden èn van taal steeg ten top ten tijde van de Henegouwsche en Bourgondische vorsten. Niet alleen de kanselarijtaal, ook de letterkundige voortbrengselen werden overstroomd met bastaardwoorden. De bewijzen daarvoor liggen in de Rederijkerskunst voor ’t grijpen. — Maar tijdens den strijd voor de nationale vrijheid heeft ook de taal zich een tijd lang aan de heerschappij van ’t Fransch grootendeels weten te ontrukken.

Het Nieuwnederlandsch. De scheiding tusschen dit en ’t vorig tijdvak berust niet zooals die tusschen Oud- en Middelnederlandsch op vormverschillen. Het spreekt vanzelf, dat ook de interne ontwikkeling is voortgegaan en dat wij ook hier vorm- en klankverschillen kunnen aanwijzen, (b.v. de diphthongeering van ī en ū tot ij en ui, welke verandering zich waarschijnlijk vóór ’t begin van dit tijdvak in alle Nederlandsche gewesten had voltrokken), maar hoofdzakelijk toch loopt deze scheiding parallel aan de indeeling van geheel onze beschavingsgeschiedenis. De ingrijpende verandering door de ontdekking van de Nieuwe Wereld, door Renaissance en Hervorming, en in ons land nog door de bevochten onafhankelijkheid veroorzaakt in geheel de volksziel en al haar uitingen, moet ook noodzakelijk aan de taal als middel daarvan, een geheel ander karakter geven. ’t Nieuwnederlandsch is dan ook geen rechtstreeksche voortzetting van het Middelnederlandsch. Op het tijdperk van bloei en krachtsontwikkeling in Vlaanderen, volgde in de 15e eeuw een tijd van inzinking en verval. Tegelijkertijd verplaatste het middelpunt van macht en beschaving zich naar Holland, dat langzamerhand ook het letterkundig middelpunt werd. Nadat ’t Noorden zich aan de heerschappij van Spanje ontworsteld had, geraakte het Zuiden geheel ten achter. De beste Zuidnederlandsche krachten vestigden zich in Holland en hielpen daardoor ’t overwicht van Holland versterken.

Van Amsterdam uit zijn ’t nu vooral de groote dichters geweest; Vondel, Hooft en de blijspeldichters, die ’t gesproken Amsterdamsch als schrijftaal gebruikten, welke ’t Amsterdamsch-Hollandsch als schrijftaal hebben bestendigd, waaruit zich later ook de algemeen geldende, beschaafde spreektaal ontwikkelde. Een groot aandeel aan de verspreiding van de algemeene schrijftaal heeft ook de Bijbelvertaling gehad, die op last van de Staten-Generaal werd bewerkt en in 1637 voltooid. In de 18e eeuw is in alle gewesten van Nederland het geschreven dialect geweken voor de algemeene schrijftaal. Het spreekt van zelf, dat sindsdien het steeds werkende leven in de taal niet heeft opgehouden en dat ons tegenwoordig algemeen beschaafd Nederlandsch niet alleen in vorm en verbuiging maar ook in woordenschat verschilt van de taal in het begin van dit tijdperk. — De bestudeering en vertaling van de klassieke schrijvers in de 16e en 17e eeuw deed niet zoo zeer Latijnsche woorden als wel vertaalde en naar ’t Latijn gevormde woorden en constructies in de taal binnensluipen. Ook nu nog is het Latijn de taal van universiteit en wetenschap. Dit spreekt o.a. uit de veelvuldig gebruikte Latijnsche plantennamen, medische termen, enz. — De invloed van ’t Fransch stijgt weer na de komst van de Hugenoten in ons land en in de 18e eeuw werd het gebruik van Fransche woorden een eisch voor voornaamheid en deftigheid, welk verschijnsel in bepaalde kringen zelfs nu nog niet geheel is verdwenen. ’t Aantal in de spreek- en schrijftaal opgenomen Fransche woorden is dan ook legio en vele ervan zijn bij gebrek aan een gelijkbeteekenend Nederlandsch woord ook moeilijk te vervangen. Veel minder verstrekkend is de invloed van andere talen op ’t Nederlandsch. Meestal ook strekt die invloed zich uit op een bepaald gebied: denk b.v. aan de Duitsche wetenschappelijke termen, de Engelsche sporttermen, de Italiaansche muzikale benamingen, enz.

De spelling. De ontwikkeling van de spelling is niet altijd gelijk opgegaan met die van onze schrijftaal. In de Middeleeuwen bestond er geen eenvormigheid. Ieder schrijver spelde met zijn individueele eigenaardigheden zooveel mogelijk phonetisch met behulp van het Romeinsche alphabet. In de 16e eeuw kwam hierin verandering. Verschillende verhandelingen verschenen, waarin getracht werd de spellingkwestie op te lossen. De meeste invloed ging uit van de „Twe-Spraack der Nederduitsche letterkunst”, uitgegeven door de kamer „In liefde bloeiende”.

Spieghel, de maker hiervan, nam voor ’t eerst den regel van gelijkvormigheid aan. Latere spellingbestudeerders voegden hieraan toe de regels van de etymologie en de beschaafde uitspraak. — In 1865 werd door M. de Vries en L. A. te Winkel een nieuw spellingsysteem opgezet. Deze geleerden hielden zich te veel bezig met het etymologische, dus geleerde vraagstuk en te weinig met het praktische. Ze stelden zich daardoor in veel gevallen op een verouderd standpunt. De aanhangers van de „Vereenvoudigde spelling” ijveren voor een logischer en gezonder verhouding tusschen de thans gesproken taal en de spelling. Nog door een andere, nauw met de spelling samenhangende kwestie wordt de kloof tusschen spreek- en schrijftaal noodeloos verwijd.

Dit is de stelselmatige indeeling van woorden naar ’t mannelijk en ’t vrouwelijk geslacht. Reeds in de Middeleeuwen was dit verschil gedeeltelijk opgeheven. De verbuiging van beide soorten liep door elkaar, maar nadat de Renaissance de bewuste bestudeering van de taal had gebracht, is men dit geslachtsverschil zonder grond in de schrijftaal gaan vergrooten. Woordenlijsten verschenen, gebaseerd op het soms geheel willekeurig gebruik van de woorden door Vondel en Hooft. De zooeven genoemde geleerden hebben ook deze geslachtslijsten vervolmaakt en ’t woordgeslacht definitief vastgesteld. Het behoeft geen betoog, dat waar het gesproken Nederlandsch deze onderscheiding niet bewaard heeft, deze in de schrijftaal evenmin gehandhaafd dient te worden. — Het Nederlandsch buiten de tegenwoordige grenzen van Nederland ontwikkelde zich op zelfstandige wijze in Vlaamsch-België. In België wordt thans nog Nederlandsch gesproken in Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen, een klein deel van Noordelijk Henegouwen, Brabant en Limburg. Vroeger strekte het Nederlandsch zich uit over geheel Noordelijk Frankrijk en in de provinciën Luik, Namen en Henegouwen, maar dit taalgebied heeft ’t Nederlandsch aan ’t Fransch moeten afstaan. — Na de afscheiding tusschen de aan de Spaansche heerschappij ontworstelde, grootendeels Protestantsche Noordelijke Nederlanden en de Katholieke Zuidelijke gewesten, die nog onder Spanje bleven, begon de taal in het Zuiden een eigen leven los, van het Noord-Nederlandsch.

Daardoor en doordat geen dialect zich krachtig genoeg ontwikkelde om als algemeene schrijftaal uit te groeien, ontstond er geen eenvormige geschreven taal. De invloed van het Fransch werd steeds grooter en omvangrijker en het Nederlandsch werd hoe langer hoe meer naar het platteland verbannen. De Vlaamsche beweging bracht hierin verandering. Gewekt door hun nationaliteitsgevoel, zochten de Vlamingen aansluiting bij het Noorden tegen de steeds groeiende macht van het Fransch. De Noord-Nederlandsche schrijftaal en spelling werd aangenomen en de jonge Vlaamsche letterkunde bereikte een hoogte gelijk aan die van Noord-Nederland. Bijna een eeuw lang strijden de Vlamingen met onvermoeide geestdrift hun harden taalstrijd; echter zonder dat hun wenschen „gelijkstelling van het Fransch en het Vlaamsch” tot nu toe bewaarheid zijn. — Buiten Europa leeft de invloed van het Nederlandsch in meer of mindere mate nog voort in verschillende eertijds door Nederlanders gestichte koloniën, bijv. de in de zeventiende eeuw door Hollanders gestichte kolonie Nieuw-Nederland in Noord-Amerika en de Nederlandsche bezittingen in Oost- en West-Indië.

In Oost-Indië wordt de Nederlandsche Regeeringstaal gesproken door de talrijke Europeesche families en eenigszins geradbraakt door de Inlanders. —Een eigenaardige ontwikkeling van onze taal heeft plaats gehad in Zuid-Afrika, waar de oorspronkelijk in de Kaapkolonie gevestigde Boeren twee republieken stichtten: Transvaal en Oranje Vrijstraat. Hun taal, het Afrikaansch of Kaapsch-Hollandsch, is een vermenging van het Hollandsch en het z.g. Maleisch-Portugeesch, een soort van internationale handelstaal. Een groot onderscheid is er tusschen deze spreektaal en de schrijftaal, die langen tijd een eenigszins verouderde Noord-Nederlandsche was. Nadat een deel van de Afrikaanders het Afrikaansch als schrijftaal gebruiken ging, ontstond er een Zuid-Afrikaansche litteratuur. Sedert de Boeren onder Engelsch bestuur staan, zoeken zij door nauwere aansluiting bij het Noord-Nederlandsch hun taal sterker te maken tegenover den invloed van het Engelsch. — Litt.: Te Winkel, Geschiedenis van de Nederlandsche Taal (Paul’s Grundriss); Verdam, Uit de Geschiedenis der Nederlandsche Taal; Lecoutere, Inleiding tot de Taalkunde en de Geschiedenis van het Nederlandsch; Schönfeld, Historiese Grammatieka van het Nederlands; Franck Mittelniederländische Grammatik; Salverda de Grave, De Fransche woorden in het Nederlansch; Hesseling, Het Afrikaansch; de Vries e. a., Woordenboek der Nederlandsche taal; Franck-v. Wijck, Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal.

Letterkunde. De beginperiode van de Nederlandsche Letterkunde valt betrekkelijk laat; terwijl in de omliggende landen reeds een bloeiende letterkunde was, kon daarvan in ons land met een eenigszins achterlijke beschaving nog geen sprake zijn. Producten van een Oud-Nederlandsche letterkunde hebben wij dan ook weinig of geen; alleen de z.g. Wachtendoncksche Psalmen (uit den tijd der Karolingen) kunnen ertoe gebracht worden. De taal, waarvan men zich bediende, was het Latijn, niet alleen in officieele zaken, maar vele vertellingen en legenden werden ook in het Latijn opgeteekend en zoo bewaard. Bovendien was er een mondelinge letterkunde: liederen, enz. leefden in den volksmond verder. Tot ontwikkeling komt onze letterkunde in de 13e eeuw, in den tijd dat ook de derde stand opkomt. Willen wij het begin onzer Middel-Nederlandsche letterkunde vastknoopen aan een naam, dan kunnen wij Heinric van Veldeke (± 1180) noemen uit Limburg, de streek waar het eerst in ons land oeconomische opbloei was door de nabijheid der Zuidel. Nederlanden en vooral door den grooten handelsweg, die langs Maastricht voerde. Oorspronkelijk is onze letterkunde dan nog geenszins; zij staat bijna geheel onder Franschen invloed; slechts van sommige werken kunnen wij hoogstens getuigen, dat er geen Fransch origineel is aan te wijzen, hetgeen dan nog volstrekt niet zeggen wil, dat zij werkelijk oorspronkelijk zijn.

De litteratuur begint met den „ridderroman”. Veldeke had o. m. den Roman d’Enéas vertaald en na hem volgen een eindelooze reeks van uit het Fransch vertaalde romans, de geheele 13e eeuw door. Deze romans spelen in verschillende kringen en de oude verdeeling in: 1. Frankische, 2. Britsche, 3. Klassieke, 4. Oostersche, laat zich zeer wel handhaven. De Frankische spelen om Karel den Groote (b.v. Karel ende Elegast, Reinout v. Montalbaen, Roelandslied), de Britsche om Koning Arthur heen (b.v. Walewein, Ferguut, Lancelot). De Klassieke verplaatsen ons in de Oudheid (Historie van Troyen, Eneïde), de Oostersche naar het Oosten (Parthenopeus van Bloys, Floris ende Blanchefloer). Zij verschillen onderling ook wel. De Frankische roman is nog ruw en grof, de Britsche is verfijnder, vol hoofsche galanterie. De Oostersche romans hebben geen eigen karakter, behalve de plaats der handeling, en ook de Klassieke worden meer vermiddeleeuwscht dan dat zij waarlijk klassiek zijn.

In de 14e eeuw wordt deze litteratuur-soort nog wel gelezen, waarschijnlijk ook door de burgers (Lodewijk van Velthem brengt begin 1400 nog een groote verzameling Britsche romans bijeen), maar met het tanen van den adel gaat zij toch ten onder. Als volksboeken blijven zij in de volgende eeuwen nog wel bestaan. — Dat in de 13e eeuw, naast de ridderromans, die den adel vertegenwoordigen, ook een „geestelijke” poëzie opkomt, spreekt van zelf. Het sterke verlangen naar religie en wonderen, naar het leven hiernamaals, spreekt zich hierin uit. Tal van heiligen-levens ontstaan, men denke aan Sint-Brandaen (het oudste), aan de levensgeschiedenissen van Jezus (Van den Levene Ons Heeren ± 1270, ’t Boec van den houte), aan de vele Marialegenden, waarvan vooral Theophilus en de Sproke van Beatrys genoemd moeten worden. Deze beide gedichten dagteekenen waarschijnlijk reeds uit de 14e eeuw. In de latere heiligen-levens zien wij een sterke neiging tot ziekelijke vermysticeering en hyper-ascese, die deze boeken soms zelfs onsmakelijk maakt (Leven van St. Amand, St. Lutgardis, St.

Christina). Doch ook de burgerij begint zich te uiten; er ontstaat een burgerlijke dichtkunst, waarvan het dierenepos, de roman Van den Vos Reinaerde (± 1250), het prachtigste staal is. Hoewel ontleend aan den Franschen roman Roman de Renart, is nergens sprake van slaafsche navolging; veeleer hebben wij met een zelfstandige schepping te doen. Ook draagt deze roman een nationaal karakter, meer dan al de ridderromans. In dezen roman hooren wij het verzet der poorters tegen de hoogere standen, die door wel sterke, maar onbeduidende dieren worden voorgesteld. De Reinaert is een kostelijk, levend en kleurig boek en hoort tot de beste voortbrengselen der Middeleeuwsche letterkunde. De belangrijkste dichter, wiens werk wij vrijwel compleet kennen en die alle dichtsoorten der litteratuur, bovengenoemd, beoefend heeft, is Jacob van Maerlant (±1235 ±1290). Aanvankelijk schreef hij ridderromans (Alexander, Historie van Troyen), maar spoedig krijgt hij minachting voor deze „leugens” en wendt hij zich tot ernstiger werk.

Hij wil de menschen iets leeren en hun nuttige werken brengen; zoo wordt hij de groote didacticus. In Der Natueren Bloeme geeft hij een populaire geneeskunde, in den Rijmbijbel tracht hij de menschen den bijbel beter te doen verstaan, in zijn Spieghel historiael geeft hij een wereldgeschiedenis. Hij stelde ook een heiligenleven samen : Sinte Franciscus Leven. Bovenaan staan zijn strofische gedichten, die krachtig en forsch van bouw en inhoud zijn: in Wapene Martyn, Dander Martyn en De derde Martyn behandelt hij maatschappelijke en andere problemen, in Der Kercken Clage en Van den lande van Oversee laat hij een luide klacht hooren, fel en bitter, tegen de slapheid tegenover het Heilige Land. Zoo is Maerlant in alle opzichten de typische representant der 13e eeuw; in hem trekt zich het geheele geestelijke en maatschappelijke leven samen. Hij heeft grooten invloed uitgeoefend en veel navolgers gehad; niet ten onrechte heet hij „de vader der dietsche dichters”; de geheele didactische litteratuur der 14e eeuw, die zeer uitgebreid was, is van zijn geest doortrokken. Er ontstaan berijmde geschiedverhalen (Brabantsche Yeesten van Jan van Boendale, Rymkroniek van Melis Stoke, Slag van Woeronc van Jan van Heelu, enz.), en zedespiegels, die zeer vaak het karakter van hekeldichten krijgen (b.v. Spieghel der Zonden van Jan de Weert en diens Disputacie van Rogier ende van Janne). Deze didactische strooming is karakteristiek voor de 14e eeuw en geeft tevens getuigenis van het sterk opgeleefde nationaliteitsgevoel.

Dit didactische zit ook in de kortere gedichten, die nu in de mode gaan komen en meestal voorgedragen worden door „sprooksprekers”: boerden en sproken, verhalen met een zedelijke strekking, zeer realistisch; soms grof en plat, voorzoover het de boerden betreft. De sproken zijn fijner. Zulke gedichten zijn behalve door onbekende dichters, ook gemaakt door Willem van Hillegaersberch; als voorbeeld van een mooie sproke worde Die Borchgravinne van Vergi genoemd. Ook de liefde is een veel besproken onderwerp en tal van moralisaties worden eraan ten beste gegeven (Der Minnen Loop van Dirc Potter, De roman van de Roos (sterk allegorisch) van Heyn van Aken). Van de Middelnederlandsche lyrische poëzie is uit ouderen tijd ons weinig bewaard gebleven; zij leefde meer door mondelinge voordracht dan schriftelijke opteekening; uit de 13e eeuw hebben wij enkele liederen van Jan I van Brabant, maar de meeste liederen dateeren uit de 14e en 15e eeuw.

Geestelijke liederen uit omstreeks 1300 zijn die van Hadewych, die mystieke verzen gaf van zeer bijzondere schoonheid, welke nu nog ten volle gewaardeerd kunnen worden. Van de latere wereldsche liederen onderscheiden zich door echt gevoel en teeren toon: Het Daghet in den Oosten, Danieelken, Halewijn. Het lied is in de 14e en 15e eeuw al vrij gevariëerd; wij kennen uit dien tijd wachterliederen, Meiliederen, drink- en ruiterliederen; deze staan onder Duitschen invloed. In de geestelijke liederen onderscheiden wij Kerstliederen, Paaschliederen, enz.; vele zijn gewijd aan Maria en Jezus en ademen groote geestelijke liefde. Een geestelijke ballade is Van een soudaensdochter; namen van dichters zijn ons weinig bekend; uit ± 1500 kennen wij Zuster Bertke.

Het proza is evenals de lyriek van iets lateren datum; aanvankelijk werd proza alleen in officieele stukken gebruikt en dacht men er niet aan het voor de kunst te bezigen. Toch valt er ook later niet veel proza van groote kunstwaarde aan te wijzen. Het is voornamelijk van stichtelijke strekking; men bracht den bijbel in proza over (Leven van Jezus, 1332, Die Evangelien die men hiet Concordancien, 1360, enz.) en andere boeken uit de Christelijke letterkunde. Het Vaderboeck of het Leven der Heiligen Vaderen in de Woestinen was reeds in de 14 eeuw vertaald naar de „Vitae Patrum”; iets later was het Passionael of gulden Legende, een vertaling van de „Aurea Legenda” van Jacobus de Voragine; hiertoe zijn ook te rekenen de Maria-legenden in proza, waarvan vele verzamelingen bestonden. Kunstvol proza ontstaat als ook hier te lande het mystieke geloofsleven gaat opbloeien onder invloed van de Duitsche mystiek. Wij herinneren hier vooral aan Ruusbroeck, wiens Die Chierheit der gheesteleker Brulocht (1350) een blijvend monument van innig doorvoeld mystiek proza is, verder aan Jan van Leeuwen, Hendrik Mande. Beroemd is Brugman om zijn preeken.

De dramatische poëzie gaat terug tot ± 1400. Waarschijnlijk is het wereldlijke tooneel jonger dan het geestelijke. Hoe de verhouding tusschen die beide is geweest en hoe het wereldlijke tooneel uit het geestelijke is ontstaan, is nog altijd niet uitgemaakt; wel is het als vrij zeker te beschouwen, dat het geestelijke tooneel het oudste is en zijn oorsprong in de kerk heeft gevonden. Bij de viering van Kerst- en Paaschfeest weerden allerlei tafereelen uit de geboorte- en lijdensgeschiedenis van Jezus vertoond. Behalve episoden uit Jezus’ leven gaf men ook de paradijs- en zondenval-geschiedenis. Deze vertooningen groeiden uit tot de zgn. mysterie-spelen; in tegenstelling met andere landen hebben wij weinig van zulke mysterie-spelen over. Bewaard gebleven is het in 1444 te Brussel vertoonde Die eerste Bliscap van Maria; ook de Sevenste Bliscap hebben wij nog, maar de tusschenliggende zijn verloren gegaan.

Enkele mirakelspelen zijn ons nog overgeleverd: Het spel van den Heiligen Sacramente van der Nyeuwervaert (± 1500) en Het spel van Sinte Trudo. Langzamerhand verdwijnt het tooneel uit de kerk, vooral wanneer komische en wereldsche elementen binnendringen, naar de markt en wordt het Latijn door de volkstaal vervangen. Daarnaast was inmiddels ook een wereldlijk tooneel ontstaan. Een klein getal zgn. „Abele Spelen” zijn in een handschrift (± 1400) bewaard: Esmoreit, Gloriant, Lanseloet, alle drie gedramatiseerde ridderromans, levendig en frisch opgezet, maar nog zwak van intrigue en bouw. Van dit wereldlijk tooneel zijn ook nog enkele sotterniën (kluchten) over: Lippijn, Die Buskenblaser, Die Hexe, die meest over ontrouw in het huwelijk handelen en vrij grof en plat zijn. In de 15e eeuw ontwikkelen zich ook de moraliteiten, waarin zinnebeeldige figuren optreden, die een maatschappelijke of godsdienstige gedachte verzinnelijken, b.v. Elckerlyc (eind 15e eeuw).

De voorstelling dat de overgang van de Middeleeuwen tot onze 17e eeuw zou worden gevormd door de Rederijkersperiode, is in de latere jaren opgegeven; men is tot de ontdekking gekomen, dat er ± 1400 reeds rederijkerskamers waren en dat verschillende der bovengenoemde dramatische werken tot de rederijkersletterkunde behooren. „De Violieren” te Antwerpen, „De Fonteyne” te Gent, „Het Bloemken Jesse” te Middelburg zijn alle omstreeks 1400-’30 opgericht. Deze kamers bestonden uit leden der burgerij en werden door de stedelijke regeeringen beschermd en bevoorrecht; zij zullen zijn voortgekomen uit de „gezellen” die vroeger in de kerk als helpers van de priesters optraden. In die kamers oefende men zich in voordracht en spel; feesten werden georganiseerd en de wedstrijden („landjuweelen”) vormden de glanspunten (de bekendste: 1539 te Gent, 1561 te Antwerpen). Een voornaam persoon trad vaak op als beschermheer, met den titel van Prins of Keizer. De tooneelstukken werden door den leider der kamer, den factor, gemaakt. Over het algemeen staat de rederijkerspoëzie niet zoo hoog aangeschreven; heel veel groote kunst is er ook niet bij, veel rijmelarij; ook staat zij in het teeken van de bastaardwoorden (invloed van de Bourgondische heerschappij) en kan er van schoone, zuivere taal weinig sprake zijn. Tot de beste rederijkers behooren Anthonis de Roovere en Cornelis Everaert, die wel verdienstelijk werk geleverd hebben.

Matthys de Castelein gaf in zijn Const van Rhetoriken (1548) een boek, waarin hij alle regels der dichtkunst beschreef, zoowel wat de verschillende dichtsoorten als wat de vers-techniek betreft. Het ernstige tooneelwerk der rederijkers draagt den naam van „Spel van Sinnen”, het komische dien van „esbattement”. Hun andere poëzie heet meestal „refereinen”, die iets zeer gekunstelds hadden, maar waarvan wij toch wel mooie vinden bij Anna Bijns, de heftige bestrijdster der Hervorming. Het geheel, dat de rederijkersperiode voortgebracht heeft, moge geen zeer hoogstaande kunst geweest zijn, wij mogen toch niet vergeten, dat in hen het leven dier tijden zich uitte en dat zij de kleurigheid en fleurigheid aan het volksleven gaven. De burgerij in opkomst hebben zij vertolkt. Dat zij niet schakel zonder meer zijn tusschen Middeleeuwen en 17e eeuw bewijst ook hun voortbestaan tot diep in die eeuw.

Tijd van overgang op alle gebieden is de 16de eeuw: oeconomische veranderingen voltrekken zich, handel en industrie maken de burgerij in de steden sterker, politiek begint zich een nationale eenheid te vormen; naast stoffelijke onafhankelijkheid komt een geestelijke vrijmaking; men wordt in onze landen vatbaar voor de groote stroomingen, die in de 16de eeuw over Europa komen: Humanisme, Renaissance en Hervorming. Met Erasmus doet het Humanisme zijn intrede, de Renaissance komt voorloopig niet rechtstreeks uit Italië, waar deze beweging ontstaan was, maar door Frankrijk heen (Ronsard, c.s.) tot ons. Sommige dichters, als v. Ghistele, Jan van der Noot, Carel van Mander, Jan van Hout, rekenen wij tot de Vroeg-renaissance; zij zijn nog halve rederijkers, maar dragen toch iets van het nieuwe geluid in zich. De klassieke tint bestaat dikwijls meer uit een naïef gebruik van mythologische namen dan dat de klassieke geest in hun werk zit; kenmerkend is echter het gebruik van de bindende jambe-maat, die in de nieuwe richting wijst. Ook van belang zijn hun vertalingen van klassieken. Carel van Mander b.v. leverde zeer goede (Ovidius, Homerus), terwijl dezelfde ook een Schilder-boeck schreef, dat van breed artistiek inzicht getuigt. Ook de Hervorming had begrijpelijkerwijze grooten invloed op onze letterkunde; er ontstaat een Geuzenlitteratuur, waarin op allerlei wijze die nieuwe geest gehuldigd wordt. Strijdzangen, martelaarsliederen, vol geloofskracht en haat tegen de Roomsche Kerk werkten bezielend; het beroemdste Geuzenlied is het Wilhelmus, al of niet van Marnix van St.

Aldegonde; verschillende Psalmberijmingen zien het licht, o. a. van Lucas d’Heere, Willem van Zuylen van Nyevelt, Petrus Dathenus (1566, eeuwen lang in de N.H. Kerk gezongen); Marnix van St. Aldegonde, die onmiddellijk uit den grondtekst vertaalde en, behalve hierdoor, ook door zijn zeer geestige en vinnige satire Biënkorf der H. Roomsche Kercke het Protestantisme verdedigde. — In de 2de helft der 16de eeuw staan enkele beteekenisvolle dichterfiguren op, die den geest van de genoemde stroomingen in zich verwerken en een nog directeren overgang tot de groote 17de-eeuwsche dichters vormen. Van deze is het vooral Coornhert, die op den voorgrond treedt. Hij is doortrokken van humanistische beginselen, staat geheel onder den invloed der Stoïsche wijsbegeerte, die hij met zijn volle ziel aanhangt, vooral in zijn hoofdwerk Zedekunst, dat is Wellevenskunst (1586). Hij vertaalde Boccacio’s Decamerone en legde daarmee getuigenis af van zijn Renaissance-liefde; hij schreef drama’s in 5 bedrijven, gelijk de klassieken. Hij maakte zich los van de Roomsche Kerk, zonder haar ooit te verlaten, maar aanvaardde ook niet de gebondenheid van het starre Calvinisme; hij disputeerde in woord en in geschrift steeds tegen drijvende predikanten. Hij was het type van een 16de-eeuwschen humanist, die het leven zoekt in de liefde en de verdraagzaamheid en daardoor een eigenaardig soort Nederlandsche reformatie vertoont. Bovendien heeft hij groote verdienste als taalpurist: hij streefde naar zuiverheid van taal.

In dit verband moet met hem in één adem worden genoemd zijn geestverwanten Hendrik Laurenszoon Spieghel en Roemer Visscher. Zij waren leden van de rederijkerskamer de „Eglentier” te Amsterdam. Al bleef Spieghel de R. Kerk trouw, ook zijn werk verraadt humanistischen geest (hoofdwerk: Hertspieghel). Visscher is als dichter van minder beteekenis (Brabbeling, Sinnepoppen), maar voor de taal, voor de nationaliseering der Renaissance hebben zij veel gedaan. Zij dreven de Fransche modetaal, in de rederijkerskringen zeer geliefd, uit en gaven een Renaissance-spraakkunst uit: Tweespraack van de Nederduytsche Letterkunst (1584), waaraan het meeste gearbeid is door Spieghel en waarvoor Coornhert een voorrede schreef. Zóó concentreert zich omstreeks 1600 het litteraire leven te Amsterdam; van daaruit wordt de toon aangegeven en daar wonen de dichters ; dit bloeiende litteraire leven staat natuurlijk in verband met den algemeenen oeconomischen opbloei van Amsterdam, dat vooral na den val van Antwerpen in 1585 zich vrij ontwikkelen kon en in handel en bedrijf met groote energie zich opwerkte. In de huizen van Spieghel en Roemer Visscher vormen zich letterkundige middelpunten: in het begin der 17de eeuw komen daar tal van jonge dichters, die later de toonaangevers zullen worden, bijeen: Hooft, Vondel, Coster, Breeroo. De dochters van Roemer Visscher, Maria Tesselschade en Anna, die zelf ook schreven, oefenden grooten invloed op hen uit.

Een levendig, dichterlijk verkeer ontstaat; men zendt elkaar zijn verzen toe ter beoordeeling, draagt elkaar zijn stukken op; als Hooft Drost van Muiden is geworden, vereenigt zich op het Muiderslot een schare van artistieke menschen, niet alleen op letterkundig gebied, maar ook op dat der schilderkunst en der muziek (behalve de reeds genoemden, Vossius, Barlaeus, Huygens, Francisca Duarte, enz.). Het is in dezen kring vooral dat de Renaissance tot haar volle ontplooiïng komt, terwijl als de beste vertegenwoordiger wel genoemd mag worden Pieter Cornelisz. Hooft, die op zijn reis naar Italië (1598-1601), persoonlijker nog, humanistische en renaissancistische invloeden heeft ondergaan. Hij heeft in zijn historie-werken prachtig, zwaar gebeeldhouwd proza gegeven, dat in moeilijken bouw vaak Tacitus, zijn groote voorbeeld, nabijkomt; als lyrisch dichter, vooral van minnedichten, is hij misschien nog altijd onze beste; ook in dezen stond hij onder Italiaanschen invloed; zijn Petrarca e. a. zijn voorbeelden; eveneens aan Italië hebben wij zijn herdersspel Granida (1605) te danken. Seneca volgde hij na in zijn drama’s Geeraerd van Velsen (1613) en Baeto (1626), Plautus in Warenar. Hij is het type van den Amsterdamschen patriciër uit de eerste helft der 17de eeuw: libertijnsch in zijn opvattingen, individualistisch in al zijn voelen en denken. Zijn stukken werden, evenals die van Breero, Vondel e. a., aanvankelijk gespeeld in de „Eglentier”, later in de „Eerste Duytsche Academie”, door Samuel Coster in 1613 gesticht, tengevolge van twisten in de oude Kamer, vooral met Theodoor Rodenburgh, die een andere, meer romantische kunstrichting was toegedaan en stukken uit Spanje en andere landen introduceerde, terwijl Hooft c. s. meer de klassieke richting uitgingen. Na Rodenburgh’s vertrek in 1621 ging de oude Kamer kwijnen, tot zij in 1635 met de „Academie” vereenigd werd. De „Academie”, die in het teeken van het libertinisme stond, gaf jaren lang den toon aan in de kunstwereld.

Coster, de leider, schreef er ook tooneelstukken voor, terwijl alle belangrijke stukken der andere dichters ook daar vertoond werden. Geen zuiver klassicist in dezen kring was Bredero, die geen Latijn kende, maar des te beter het Amsterdamsche volksleven, dat hij in vele stukken allerkleurigst en prachtig wist te teekenen. Zijn Spaensche Brabander (1617), zijn Moortje (1616) bevatten prachtige schilderingen. Aan zijn neiging tot romantiek gaf hij toe in stukken als Griane (1612), Rodderick en Alphonsus (1611); voortreffelijke kluchten wist hij te geven in Van de Koe (1612) en Van den Molenaer (1613), al zijn deze soms wel wat plat, evenals zijn realistische kunst in een deel van zijn lyriek, waarnaast niet vergeten mag worden, dat hij ook „aandachtige” liederen schreef en zeer fijne minne-poëzie in het licht gaf. In sommige dingen verwant aan Hooft e. a., nam hij toch een geheel eigen plaats in door zijn echt Hollandsch werk. Velen hebben hem bij het schrijven hunner klachten tot voorbeeld genomen, maar geen die hem kon evenaren. Als aan hem verwant moet hier genoemd worden de dichter van de Friesche Lusthof en van de klucht Jan Soetekauw, Jan Jansz. Starter, die over groote komische kracht beschikte, zij het dat hij minder talentvol was dan Bredero. — Buiten Amsterdam, maar niet buiten het Amsterdamsche letterkundig leven, stond de Haagsche dichter Constantijn Huygens, een geestig opmerker, die het leven in den Haag en daarbuiten — hij reisde veel in diplomatieken dienst — voortreffelijk had waargenomen en dit o. a. op kostelijke wijze in zijn Voorhout (1621) en zijn Costelick Mal (1622) wist te schilderen, nooit op grove wijze, maar wel op ondeugende.

Als een echte Hollander kan hij het moraliseeren niet laten en al zijn werk zit vol zedelessen. Typisch voor die neiging is zijn Oogentroost (1647), waarin hij al de verschillende soorten zedelijke blindheid beschrijft. Zijn bondigheid en kortheid maken dat hij niet gemakkelijk te lezen is en zijn talrijke woordspelingen verhoogen die moeilijkheid. Met zijn Zeestraet (1666) had hij meer dan een dichterlijke bedoeling; door de aandacht op de slechte verbinding Scheveningen—den Haag te vestigen, droeg hij inderdaad veel toe tot de verbetering hiervan. Verwondering mag het baren, dat deze deftige Hagenaar ook tot het realisme kon afdalen; toch schreef hij een vrij platte klucht, Tryntje Cornelisz. In zijn volle kracht is hij in zijn spreuken, waarin hij kan botvieren aan zijn neiging om veel in weinig woorden te zeggen. Zijn liefde voor de Italianen blijkt uit vertalingen naar Petrarca en anderen. — Toch weerspiegelen de genoemde dichters geen van allen volkomen het Hollandsche leven, zooals zich dat in een zeer groot deel, het Calvinistische, openbaart. Zij hebben allen min of meer, tenzij zij het vroolijke, luchtige volksleven weergeven, een vreemden tint.

Typisch vertegenwoordiger van ons Calvinistisch Nederland is Cats, uit wiens bijnaam „vader” reeds blijkt hoe populair hij was. Eeuwenlang werd hij gekocht, gelezen, genoten. Al zijn werk verraadt den volksman. In zijn Houwelyck (1625) schildert hij het gezinsleven, in de Spieghel van den ouden en den nieuwen tijdt (1632) geeft hij voor alles wat maar met mogelijkheid in ons huiselijk en maatschappelijk leven kan voorkomen, goeden raad. Men kan Cats nu langdradig en vervelend vinden, vergeten mag nooit worden, dat hij historisch een uiterst belangrijke figuur blijft, die een echt vertegenwoordiger van ons volk is, zij het dan meer van dat deel, dat niet vooraan staat in ontwikkeling en wetenschap, en al moge hij dan meer gesproken hebben tot de stille en kleine luiden. Als een groot artiest is hij zeker niet te beschouwen.

Zooals het Middeleeuwsche dichterlijke leven samenvloeit in Maerlant, zoo is in de 17de eeuw de belangrijkste figuur: Joost van den Vondel, die, in Duitschland uit Brabantsche uitgeweken ouders geboren, spoedig naar Amsterdam komt en door zijn stuk het Pascha (1612), door de Brabantsche Kamer vertoond, naam maakt. Hij werd eigenaardig bepaald door den kring waaruit hij voortkwam, dien der Doopsgezinden; hij is geen volbloed klassicus, leert pas laat Latijn en Grieksch, en als hij het geleerd heeft, is er bij hem geen sprake van de verfijndheid van renaissance-dichters als Hooft e. a. Hij was een breed en statig dichter, wiens verzen ons nu nog als „modern” in de ooren klinken en van een groote gedragenheid zijn. Als vredelievend Doopsgezinde moest hij niets hebben van de dogmatische beperktheid der Calvinistische predikanten, die hij in zijn hekeldichten Roskam, Harpoen (1630) e. a. heftig te lijf gaat, nadat hij reeds vroeger den strijd geopend had door zijn Geuzenvesper en zijn tooneelstuk Palamedes (1625). Intusschen krijgt de Roomsche Kerk hoe langer hoe grooter bekoring voor hem, en het Roomsche geluid in zijn verzen wordt steeds sterker; reeds in Gysbreght van Amstel (1637) is het te hooren en in 1641 gaat hij openlijk tot de R. Kerk over. Gedichten als Altaergeheimenissen (1645), De heerlyckheit der Kercke (1663) zijn uit zijn volle overtuiging van de waarheid der R. Kerk geschreven. Op elk gebied der dichtkunst munt Vondel uit; of wij hem nemen als dramatisch, episch of lyrisch dichter, hij openbaart overal zijn zeldzame macht over de taal; zijn drama’s worden ook naar den vorm steeds volkomener; hij aanvaardde b.v. de z.g.n. drie eenheden en bereikte in Jephta (1659), geheel volgens die regels opgezet, groote volkomenheid.

Zijn minder voorspoedige maatschappelijke toestand verminderde noch zijn scheppingskracht, noch zijn verhevenheid; men denke aan de grootsche schepping als Lucifer (1654) en Adam in Ballingschap (1664). Nadat hij aan de Bank van Leening zijn ontslag had gekregen, werkte hij nog vele jaren aan vertalingen van Ovidius (en Sophocles); een prachtige lyrische zang is de Uitvaert van mijn dochterke. Meer dan een halve eeuw leefde Vondel met groote belangstelling en liefde zijn tijd mee; dat hij niet buiten de dingen stond, bewijzen zijn gedichten op nationale helden en Amsterdamsche gebeurtenissen (Lof der Zeevaart, 1622, Verovering van Grol, 1627). Niet onvermeld mag blijven zijn proza, dat, al is het weinig, een voorbeeld van goeden Nederlandschen stijl is (Aenleidinghe der Nederlandsche Dichtkunst). Jaren lang is Vondel het groote voorbeeld gebleven. Ook onze tijd eert hem nog door van tijd tot tijd zijn stukken voor het voetlicht te brengen; zijn invloed ging ook over onze grenzen: in de 17de eeuw, toen wij in litterair opzicht invloed op Duitschland uitoefenden, waren het o. m. Vondel’s stukken, die in het Duitsch werden vertaald (door Gryphius).

Naast de toonaangevende dichters, die wij hier vermeldden, zijn natuurlijk nog vele andere, ook verdienstelijke, te noemen. Van de tweederangs tooneelschrijvers vermelden wij er geen, maar op stichtelijk-lyrisch gebied is veel schoons geleverd door schrijvers als Camphuysen, wiens Maysche Morgenstondt iedereen kent, Stalpaert van der Wiele, Ravius, Westerbaen en anderen. Prozawerken leverde de eerste helft der 17e eeuw niet veel op; wel werden er vele Amadis- en andere romans vertaald, doch zeer verheven litteratuur is dit niet; Johan van Heemskerck schreef een Batavische Arcadia, waarna tal van Arcadia’s verschenen (Zaanlandsche, Rotterdamsche, Dordrechtsche, enz.), die een geliefde litteratuursoort werden. Als monument van prachtige 17de eeuwsche taal, hoewel niet als kunstwerk bedoeld, blijft nog altijd de Statenvertaling van den Bijbel.

Het tweede geslacht der 17de eeuwers (geb. 1625 en werkende na 1650) bereikt op verre na niet de hoogte van het eerste geslacht; de litteratuur daalde vrij snel af van het hooge plan, waarop zij werkelijk gestaan had. De dan optredende dichters zijn allen navolgers van onze grooten. Zij leverden nog wel goed werk, waarin veel te waardeeren valt, doch al te vaak hooren wij Vondel en Hooft, waardoor onze waardeering slechts een betrekkelijke kan zijn. Op het tooneel zien wij een niet zeer verheven strijd ontbranden tusschen Jan Vos, die bloederige spectakelstukken schreef (Aran en Titus, 1641) en het genootschap „Nil Volentibus Arduum” onder Meyer en Pels, die het Fransch-klassieke drama, door vertalingen en navolgingen in ons land invoerden, een strijd, die ons tooneel verbazend deed zakken. Een tamelijk goed blijspeldichter leverde het eind der 17e eeuw op, n.l. Thomas Asselijn, wiens Jan Klaasz of Gewaande Dienstmaagd (1682) niet zonder verdienste is; naast hem kan als blijspeldichter Pieter Bernagie nog worden genoemd. — Leerlingen van Vondel zijn o. a. Johan Antonides van der Goes met zijn IJstroom, Reyer Anslo, Jeremias de Decker, Joachim Oudaen, Vollenhove e. a. Zij hebben alle min of meer verdienstelijke poëzie geschreven, die echter nergens zich tot het bijzondere verheft. Als stichtelijke dichters zijn te waardeeren Lodensteyn, de piëtist, in wiens verzen wij een innig-vromen klank hooren; Jan Luyken, de Rijnsburger collegiant, die zooals in de latere jaren weleens beweerd is, een Spinozistisch pantheïst geweest zou zijn. Hij was zijn dichterlijke loopbaan begonnen met minne-poëzie, doch wendde zich later tot het vrome, ingetogen leven; ook Heiman Dullaert, die wel fijne verzen schreef. De beste navolger van Hooft was Joan van Broekhuyzen.

Zoo valt in het algemeen van de 2e helft der 17e eeuw te zeggen, dat haar litterair verval vrijwel parallel loopt met haar staatkundig verval; de bloeitijd was voorbij. Slechts op een enkel gebied kunnen wij op iets bijzonders wijzen; dit geldt b.v. voor de levensbeschrijvingen van Geraerd Brandt, den historieschrijvenden predikant, die bovendien volgens Vondel een „goed epigrammatist” was. Hij gaf uitstekende biographieën van Hooft en Vondel: zijn proza moge wat onder Hooft’s invloed gevormd zijn, dit neemt niet weg, dat deze levensbeschrijvingen zeer waardevol zijn. Ook zijn andere geschiedwerken (een Historie van Enkhuizen, enz.) munten uit door frischheid. Doch verder werd ook ten opzichte van het proza weinig gepresteerd; naast de Arcadia’s komt de schelmenroman op (De vermakelijke Avonturier van Dr. Nicolaas Heinsius); Johan de Brune schrijft niet ongeestig moralistisch werk (Bankketwerck), evenals zijn neef en naamgenoot, die onder invloed van Montaigne stond.

De overgang naar de 18e eeuw wordt gevormd, niet door een of ander bepaald genre, ook niet gekenmerkt door bijzondere verschijnselen; de 17e eeuw loopt uit in de 18e, met dichters als Lucas Schermer, Lucas Rotgans, Jan Baptista Wellekens, van wie de laatste veel herderspoëzie schreef, de tweede behalve eenige heldendichten, boertige poëzie (De Boerenkermis). — Wat de 18e eeuw in het algemeen betreft: haar armoede aan geestelijk leven, haar gemis aan energie en kracht, die zich overal deden gelden, beïnvloedden natuurlijk ook de litteratuur. Men teerde op den roem van de voorvaderen, de oude 17de-eeuwsche zeden verdwenen; toenemende weeldezucht kwam over de menschen. In handen van weinigen hadden zich geweldige rijkdommen opgestapeld, daarnaast was het getal der paupers groot. Driekwart eeuw gaat echter het leven nog in tamme banen, het 4e kwart zien wij overal nieuw leven ontwaken, ook hier en daar in de letterkunde. Zoo is de algemeene indruk der letterkunde dezer eeuw, dat zij zeer weinig beteekent; de groote 17e-eeuwers worden vlijtig nagevolgd, men liefhebbert in kunst en schaft zich mooie boeken aan; er bloeit een groot aantal „Dichtgenootschappen”. Maar boven het middelmatige komt dit alles niet uit, men neemt den schijn aan van het groote en dicht heldendichten, maar tenslotte is het meer een bombastische verheerlijking van voorbijgegane grootheid, dan bewustzijn van eigen kracht. Eigenaardig is, dat men den laatsten tijd der 18e eeuw weer wat naar voren haalt en b.v. Kloos allerlei schoons in de litteraire producten van tal van dichters ontdekt. Het is natuurlijk niet te ontkennen, dat hier en daar mooie verzen gemaakt zijn, maar het algemeene aspect verandert er niet door en wij zullen dezen tijd toch wel nooit anders zien, dan als een van groote middelmatigheid.

Gaan wij in de afzonderlijke onderdeelen de letterkundige ontwikkeling na, dan zien wij voortzetting van het oude, ook hier en daar het opkomen van nieuwe dichtsoorten. — Op tooneelgebied kan uit de 18e eeuw nog als belangrijke figuur naar voren gebracht worden de blijspeldichter Pieter Langendijk, die zich aansluit bij de zedenschilderingen van dichters als Asselijn en Bernagie, en een groot dramatisch talent vertoont, zooals bijv. blijkt uit Het Wederzijds Huwelijksbedrog (1712) en vooral uit De Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden. Groote komische werking gaat van zijn stukken uit; zij zijn handig in elkaar gezet (Krelis Louwen, 1715). Overigens levert het blijspel niet veel op, wel veel smakelooze kluchten; wat het drama betreft, komt men steeds meer in de sfeer van het Fransch-klassicisme; dit heerscht vrijwel de geheele 18e eeuw door. De schrijvers zoeken, naast de talrijke vertalingen van Racine en Corneille, die zij leveren, hun stof hoofdzakelijk in de historie en zoo komt er een geweldig getal vaderlandsche tooneelstukken te voorschijn, waarvan het moeilijk is verdienstelijke te noemen. Dat sommige stukken succes hebben gehad, komt in hoofdzaak doordat wij in de 18e eeuw zeer goede acteurs (Punt, Corver, enz.) hebben gehad, die van de heldenrollen nog wel iets hebben gemaakt. Tot de beste van deze dichters hooren nog Feitama, Van de Marre, Van Nomsz. Op het laatst der 18e eeuw komt meer en meer de politiek in de stukken, en wordt het tooneel vaak gebruikt voor patriottische of niet-patriottische propaganda (Gerrit Paape, Witsen Geysbeek e. a.). Ook herders- en zinnespelen worden in dezen tijd nog ten tooneele gevoerd, maar ook deze zijn uiterst onbelangrijk; hetzelfde geldt van het blijspel en de klucht. Rijk is deze eeuw aan heldendichten: Rotgans dichtte zijn Willem III, Hoogvliet zijn Abraham de Aartsvader, Feitama zijn Telemachus en zijn Hendrik de Groote, Willem van Haren zijn Friso (1741), om van vele anderen te zwijgen.

Al dit werk onderscheidde zich wel door groote verzorgdheid; men schaafde en snoeide; zoo werkte Feitama 20 jaar over zijn Hendrik de Groote (1735-1755). Met het beschrijven van hun buitens waren Huygens en Westerbaen reeds voorgegaan; in de 18e eeuw, den tijd der „patriciërs”, komen de zgn. „Hofdichten” in zwang; Jan Baptista Willekens beschrijft Endenhout, Jan de Marre De Dageraad en Groeneveld. Steeds meer trekken de welgezeten burgers naar hun buitens; dit doet de pastorale poëzie weer opbloeien; de natuur wordt bezongen. Tot de bekende dichters van herderspoëzie behooren Jan van Hoogstraten, Kornelis Boon en ook Pieter Langendijk, de blijspeldichter. In al deze poëzie zit veel hoogdravends en onechts; om dezelfde reden worden al onze rivieren beschreven („Stroomdichten”). Een oprecht natuurdichter bezitten wij in den eenvoudigen boer Hubert Cornelisz. Poot, die veel zuiverder natuurpoëzie schrijft, dan al deze hof- en herdersdichters. — Verdienstelijk en apart werk schreef de essayist Justus van Effen, die, onder Engelsche invloeden, hier „De Hollandsche Spectator” oprichtte, waarin hij zedekundige vertoogen schrijft en op geestige wijze weet te moraliseeren. Voortreffelijk typeert hij de burgerlijke zeden en gebruiken.

Hij vond veel navolgers en tal van spectatoriale geschriften zien het licht; over het andere proza der 18e eeuw, voornamelijk bestaande uit vertaalde en min of meer oorspronkelijke romans, kan hier gevoegelijk gezwegen worden. Wij zien een deel van het litteraire leven zich concentreeren in de „Dichtgenootschappen”, waartoe echter de bekende dichters niet behooren. Zij worden gevormd door de tweede-rangs grootheden; geweldig is het aantal (onbeteekenende) dichtbundels, dat door deze genootschappen wordt uitgegeven, na 1750 breekt hun eigenlijke bloeitijd aan; tot hun geliefde bezigheden behoort het uitschrijven van prijsvragen; herhaaldelijk werd Rhynvis Feith bekroond, ook Bilderdijk viel meermalen de eer te beurt. — Intusschen, de 18e eeuw moge er in vele opzichten een geweest zijn van decadentie en verval, een feit blijft dat ook allerlei stroomingen en geestesrichtingen ontstaan, die in de letterkunde weerspiegeld worden. Wat in het buitenland geschiedt, vindt in meerdere of mindere mate in ons land weerklank. Men komt tot nadenken over allerlei ingrijpende zaken; de natuurwetenschappen waken op en veroorzaken op theologisch en ander gebied groote omwentelingen. De tijd van de „Aufklärung” doet zich op elk gebied voelen. De derde stand, die omhoog streeft en op het einde der eeuw zich tracht te bevrijden, laat zich reeds gelden. In Engeland ontstaat de burgerlijke roman; Richardson schrijft zijn Pamela en andere romans; hij wordt hier nagevolgd door Betje Wolff in haar Sara Burgerhart (1782), Willem Leevend (1784); ook Rousseau is voor haar geen onbekende.

Als de reactie tegen de „Aufklärung” opkomt en men vervalt in het sentimenteele, vindt ook dat hier navolging, o. a. bij Elisabeth Maria Overdorp-Post en vooral bij Rhynvis Feith, wiens romans Julia (1783) en Ferdinand en Constantia (1785) overloopen van gevoeligheid. Ook Lessing krijgt hier invloed: Simon Stijl, Ryklof Michaël van Goens en Hieronymus van Alphen ondergaan dezen, in het bijzonder de laatste in zijn Theorie der Schoone Kunsten en Wetenschappen (1778), terwijl van hem als dichter zijn Starrenhemel en Kleine Gedigten voor Kinderen jarenlang met groote graagte gelezen werden. Ook anderen gaan intusschen theoretiseeren over de kunst (Bellamy, Kinker); zij protesteeren tegen de zelfgenoegzaamheid en zelfvoldaanheid der dichters, die in het algemeen meenden, dat de kunst tot groote hoogte gestegen was. Maar juist deze kritiek bewees, dat men tot betere inzichten kwam en was aanwijzing dat iets beters bezig was te groeien. — De overgang van de 18e naar de 19e eeuw wordt gevormd door de zeer belangrijke figuur Willem Bilderdijk, die tijdenlang hemelhoog verheven werd en daarna zeer in de achting gedaald is, vooral in de officieele toonaangevende letterkundige wereld. Hoe men over hem moge denken, hij is een belangrijke schakel in de ontwikkeling onzer letterkunde; hij was tegen alle verstandelijkheid, een echte gevoelsdichter; echter ontaardde zijn gevoel maar al te vaak in oratorie en bombasterij, waarin naar den echten toon en den inhoud tevergeefs gezocht wordt. Hij heeft ongeveer alle dichterlijke genre’s beoefend: hij schreef leerdichten (De mensch, De ziekten der Geleerden, 1809, De Dieren, 1817), epische poëzie (balladen, romancen: Elius, Urzyn en Valentijn, 1795), een groot epos De ondergang der eerste Wereld (onvoltooid, 1810), treurspelen: Floris V, Willem van Holland, Kormak (1808). Zijn beste werk blijven altijd zijn lyrische verzen, waaronder veel minnepoëzie. Hij is de groote dichter van het Calvinistisch Nederland gebleven, zooals ten duidelijkste bleek toen in 1906 zijn 150e geboortedag gevierd werd.

Naast hem mag als beteekenisvolle figuur in dezen tijd genoemd worden Johannes Kinker, wiens gedichten doortrokken zijn van filosofische bespiegelingen. Hij was een aanhanger van den Duitschen wijsgeer Kant en trachtte diens filosofie in ons land ingang te doen vinden door zijn Brieven aan Sophie. Tegen het sentimenteele en conventioneele van dichters als Rhynvis Feith trad hij op in zijn tijdschrift De Post van den Helicon (1789), dat echter maar korten tijd kon blijven bestaan. Overigens zijn naast Bilderdijk en Kinker niet veel namen te noemen, Fokke Simonsz misschien, die wel eenig komisch talent toonde in zijn reisbeschrijvingen en in zijn Moderne Helicon (1792), waarin hij, als Kinker, de onnatuur en de sentimentaliteit in de poëzie bespottelijk maakte. De voorloopers van den in den 19de eeuw zoo geliefden historischen roman zijn Bruno Daalberg (De Steenbergsche familie, 1806) en Adriaan Loosjes (Leven van Maurits Lijnslager, 1808) te vermelden. Van der Palm onderscheidde zich door kanselwelsprekendheid en gaf tal van kanselredenen uit; Helmers en Loots zijn typische vaderlandsche dichters, die op rhetorische en vaak bombastische wijze Holland’s grootheid bezongen, de eerste vooral in zijn Hollandsche Natie (1812), de laatste in De Batavieren ten tijde van Julius Caesar (1805). In de eerste jaren der 19de eeuw, na 1813, toen Holland zijn vrijheid teruggekregen had, is het er verre van dat de letterkunde veel beteekenis had; gelijk in meer landen in dien tijd was wel de geest zelfgenoegzaam en meende men wel dat alles in ongekenden staat van bloei verkeerde, maar inderdaad was het leven duf en geesteloos. Er heerschte een gematigd liberalisme, een vaag en slap rationalisme, een vrij krachtelooze drang naar verlichting en vooruitgang.

Ook de reactie laat zich inmiddels gelden: Bilderdijk trad fel tegen het liberalisme op; hij wilde het zelfs te zamen met de Katholieken bestrijden. Da Costa, leerling en bekeerling van Bilderdijk, laat zijn Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) hooren. In de letterkunde zijn in het eerste kwart de vertegenwoordigers der eene richting nog: Rhynvis Feith, v. d. Palm, Tollens, der andere Bilderdijk en da Costa. Wij vermeldden deze dichters reeds behalve Tollens, die, al moge zijn poëzie sinds lang geen bewondering meer vinden (men denke aan de Grassprietjes van Cornelis Paradijs), een tijdlang een zeer gevierd volksdichter is geweest; hij was de vertolker van de gedachten der gegoede burgerij en dichtte veel sentimenteele poëzie, die bijzonder in den smaak viel. Zijn verzen stralen van de bekende zelfgenoegzaamheid en nationale zelfingenomenheid. Zijn Nova-Zembla maakte hem beroemd. Hij kon zelfs een „school” stichten, waartoe dichters als Willem Messchart (De Gouden Bruiloft, 1825) en A. Bogaers (De Tocht van Heemskerk naar Gibraltar) behoorden. Da Costa liet in tal van tijdzangen dezelfde tonen hooren als in het bovenvermelde dichtstuk, terwijl hij nog andere groote gedichten schreef als Hagar (1848) en De slag bij Nieuwpoort (1859).

Andere dichters uit dezen tijd nog, die niet een uitgesproken richting innemen in het politieke en maatschappelijke leven, zijn A. C. W. Staring, die menig geestig liedje heeft gedicht, en ook niet vrij was van sentimenteel-romantische invloeden. Zijn Hoofdige Boer, de Jaromir-Cyclus e. a. blijven nog altijd te genieten. Belangrijk proza schreef Jacob Geel; in 1838 gaf hij een bundel verhandelingen uit: Onderzoek en Phantasie, waarin hij ook zijn opvattingen over kunst uiteenzet, evenals in Het Proza (1830) en Gesprek op den Drachenfels (1835). Eveneens talent in het schrijven van proza toont Petrus van Limburg Brouwer, die romans schreef, ten deele het Grieksche leven beschrijvend, ten deele eigen tijd. De kerkelijke toestanden zijner dagen beschrijft hij voortreffelijk in Het Leesgezelschap van Diepenbeek (1847). — Intusschen laat de algemeen-Europeesche strooming, de Romantiek, zich ook in ons land gelden. Wel niet tijdens het leven van de buitenlandsche romantici als Byron en Scott, Victor Hugo, Novalis, de von Schlegels, maar toch ontwikkelt zich na 1835 ook een nationale romantiek in ons land. Men begon in te zien op welk laag peil in het algemeen onze letterkunde stond, een strijd ontstond tegen het toonaangevende tijdschrift de „Vaderlandsche Letteroefeningen”, en leidde tot het oprichten van „de Muzen” eerst (door Drost, Bakhuizen van den Brink, Heije en Potgieter), tot die van „De Gids” daarna (1837). De oprichters namen stelling tegen de „flaauwe droomerige geest”, die in onze letterkunde was binnengeslopen. „De Gids” bracht in den beginne vooral boekbeoordeelingen, die verre van tam waren; hij kreeg den bijnaam van „de blauwe beul”, maar deed buitengewoon verfrisschend werk in onze slappe letterkundige wereld.

Dit tijdschrift heeft zich tot heden, steeds min of meer zich aansluitende bij den tijdgeest, weten te handhaven, zich bijna altijd, wanneer het door nieuwere stroomingen bedreigd werd, weten staande te houden, door geregeld zich van de medewerking der vooraanstaande schrijvers op allerlei gebied te verzekeren. Onder de vertegenwoordigers van de nationale romantiek van ± 1835 moet allereerst vermeld worden Adriaan van der Hoop Jr., die in zijn poëzie hooge vrijheidsidealen najaagt (Willem Tell, 1832). Hij vertaalde Victor Hugo’s Han van IJsland (1838); Duitsch-romantischen invloed vertoont het drama De Renegaat (1838). Tot het ontstaan van den historischen roman geven vooral de Engelsche romantici hier den stoot: Jacob van Lennep en Oltmans staan geheel onder invloed van Walter Scott; de eerste begint met zijn dichterlijke verhalen: Nederlandsche Legenden (1828-1831), vervolgt daarna met zijn overbekende romans, ontleend aan de historie, die iedereen wel kent en waarvan zeker de beste Ferdinand Huyck (1840) is. De roem van Oltmans is slechts gegrond op een tweetal romans: Het Slot Loevestein (1834) en De Schaapherder (1838), die hij onder het p.s. J. v. d. Hage schreef; zijn verder werk is nauwelijks de vermelding waard. Drost, jong-gestorven, kon de belofte, die hij gaf in zijn Hermingard van de Eikenterpen, niet inwisselen; zeer productief werd Mevrouw Bosboom-Toussaint, wier Leycester-Cyclus ook bewondering afdwingt om de diepe historische studie die zij voor haar onderwerpen maakte; zij schreef ook een uitstekenden karakter-roman in brieven: Majoor Frans (1874). Hofdijk, Schimmel, Mejuffrouw Opzoomer zetten later deze litteratuur-soort nog voort; de laatste onderscheidde zich door op zeer jeugdigen leeftijd goede romans als Vorstengunst te schrijven.

— Belangrijke Gids-figuren uit het midden der 19e eeuw zijn Bakhuizen van den Brink en Potgieter; Bakhuizen, van bijzondere geleerdheid en scherpzinnigheid, schreef veel historische studies en had tevens oog voor de 17deeeuwsche litteratuur, waarvan hij het realisme wist te waardeeren. Door zijn studie Vondel met Roskam en Rommelpot vestigde hij weer de aandacht op onze 17de eeuw; hij schreef ook Novellen, die litterair de moeite waard waren; Potgieter onderscheidde zich vooral door zijn juiste en scherpe kritiek, die hij geregeld in „De Gids” publiceerde, door zijn grooten blik voor de Europeesche literatuur; hij was liberaal, al ging hij in latere jaren aan de verwezenlijking van de liberale idealen twijfelen. Zijn eigen verzen en proza zijn vaak moeilijk om te lezen van wege zijn al te strakken stijl, maar zijn Het Rijksmuseum (1844) en Florence blijven monumenten in onze litteratuur. Van minder belang is Jan Pieter Heije; hij schreef Kinderliederen en Volksdichten, die wel groote populariteit genoten, maar geen hooge kunst waren. Tijdelijk onder romantische invloeden stond Nicolaas Beets; hij vertaalde veel uit het Engelsch, leed een tijdlang onder Byroniaansche zwaarmoedigheid, maar kwam boven zijn „zwarten tijd” uit om zich aan meer realistische kunst te wijden. Zijn Camera Obscura (1839), „kopieerlust des dagelijkschen levens”, verraadt geen spoor van romantiek, integendeel. Het boek zit vol humor en is van groote originaliteit in de schildering van echt Hollandsche toestanden. Na dit boek, dat tallooze malen herdrukt is, wijdde hij zich hoofdzakelijk aan de stichtelijke poëzie.

In denzelfden geest als de C. O. schreef Kneppelhout zijn Studententypen (1839—1841); andere typen-beschrijvingen vinden wij bij J. P. Hasebroek, die onder het ps. Jonathan: Waarheid en Droomen (1840) schreef. Bij deze laatsten sluiten zich schrijvers als Van Koetsveld (De Pastory te Mastland) en M. P. Lindo (Afdrukken van Indrukken, 1854) aan. De laatste richtte „De Nederlandsche Spectator” op, waarin hij zijn vertoogen schreef en een kring in het leven riep, waartoe o. a. Mulder, Vosmaer, Cremer, Keiler en Ising behoorden. Cremer schreef vele novellen en romans (Betuwsche Novellen, 1852— 1855, Fabriekskinderen, 1863), Hanna de Freule, 1872, enz.). Vosmaer trad op den voorgrond met zijn aesthetische studiën en kunsthistorische romans, zijn klassieken-vertalingen (Ilias, Odyssee); als „Flanor” volgde hij Keiler in den „Spectator” op. Tot de jongere geestverwanten van genoemde schrijvers behoren nog auteurs als H. de Veer (Trouringh), Simon Gorter, die goede essays schreef, E. Seipgens met zijn Limburgsche Novellen, van Nievelt, Werumeus Buning, e. a.

Een bijzondere, afzonderlijke plaats neemt in deze periode Conrad Busken Huet in, die aanvankelijk modern predikant, later zich geheel aan de letterkunde ging wijden. Hij was een oorspronkelijke, frissche geest, wiens letterkundige kronieken van scherpen kijk op binnen- en buitenlandsche litteratuur getuigen. Eenige jaren publiceerde hij deze kronieken in „De Gids”, tot hij in 1865 zich uit de redactie moest terugtrekken en hij Holland verliet. Cultureelhistorische studiën leverde hij in Het Land van Rubens (1870) en Het Land van Rembrand (1882—84) waarin hij een beeld geeft van de 13e tot de 17e eeuw en van een breeden kijk op dien verleden tijd blijk geeft. Van zijn romans trok Lidewijde (1868) het meest de aandacht om zijn gedurfdheid.

Van de andere litteratoren moeten hier nog vermeld worden Josephus Albertus Alberdingk Thijm, de Katholieke dichter, romanticus en bezield met groote liefde voor de 17e eeuw, gelijk Potgieter. Hij schreef over dezen tijd o. m. Portretten van Joost van den Vondel (1876), terwijl zijn Middeleeuwsche sympathieën zich uitspraken in de Karolingische Verhalen (1851). De dichter van het moderne Protestantisme, opgekomen in de jaren’50 tot ’60, was P. A. de Genestet, die èn het oppervlakkige liberalisme èn de bekrompen orthodoxie vaak op geestige wijze bespot; ook zijn niet-polemische poëzie (St. Nicolaasavond, Het Haantje van den Toren) maakte hem tot een geliefd dichter. Ten Kate, als de dichter van een geweldig aantal rhetorische verzen, en als niet onverdienstelijk vertaler van Italiaansche klassieken, Schaepman als Katholiek dichter, mogen hier in het voorbijgaan nog vermeld worden.

Als inleider tot een belangrijker tijdvak moet tenslotte voor de 80er jaren genoemd worden: Multatuli, die door zijn opstandigheid tegen de duffe slapheid zijner dagen, zeer zuiverend werk heeft gedaan. Hoewel bijna al zijn werk tendenzwerk is, heeft hij toch vaak zeer goed proza geschreven en komt er in zijn Max Havelaar menige uitmuntende bladzijde voor. Het genoemde boek wekte groote beroering en veroverde dadelijk na zijn verschijning het groote publiek. In zijn Ideeën valt hij vooral het denken der liberale bourgeoisie aan en geeselt hij de ideaal-loosheid der kleine burgerij. Woutertje Pieterse bevat voortreffelijke zedenschilderingen. Van zijn poëzie behoort de Kruissprook mede tot zijn beste werk. Hij was een zwak denker, maar heeft toch menigeen bevrijd van de banden der conventie en het kleine denken en grooten invloed gehad op het na hem komende geslacht.

Het tooneel heeft in de grootste helft der 19e eeuw weinig te beteekenen; oorspronkelijke stukken van eenige verdienste zijn bijna niet te noemen; aanvankelijk waren het de draken van Kotzebue en Iffland, die gespeeld werden; Wiselius schiep zijn neo-klassiek drama, dat geen stand hield; van Lennep schreef enkele oorspronkelijke stukken. Na ’50 komen wetenschappelijke vertalingen van Shakespeare; Cremer schreef voor het tooneel (Boer en Edelman, 1864, Emma Berthold, 1874), Schimmel leverde niet onverdienstelijke historische drama’s (De twee Tudors, 1847, Joan Woutersz), ook burgerlijke (Zege na strijd, 1871, enz.). Noemen wij verder nog De kiesvereeniging van Stellendijk (blijspel) van Lodewijk Mulder (1877), de volksstukken van Rosier Faassen (Zwarte Griet, e. a.), van Maurik met zijn talrijke blijspelen (Janus Tulp, enz.), Multatuli’s Vorstenschool, dan is daarmee al het belangrijkste genoemd. Pas tegen de 80er jaren zien wij pogingen het nationaal tooneel wat op te heffen.

In de Zuidelijke Nederlanden, waar in de 17e en 18e eeuw de litteratuur van geringe beteekenis was, kwam eenige herleving na 1839, toen zich, ondanks den Franschen druk, een Vlaamsche Beweging begon te ontwikkelen. Jan Frans Willems (1793—1846) was een der eersten, die voor de volkstaal opkwam; met hem Prudens van Duyse, Karel Lodewijk Ledeganck, Hendrik Conscience, die met zijn zeer romantische romans (De leeuw van Vlaanderen, enz.) vele harten wist te winnen. Hij sloot zich aan bij de romantici als Theodoor van Ryswyk, Alfred de Laet e. a. Realistischer werk leverden Jan van Beers en Mevrouw Courtmans, die veel dorpsnovellen schreef. De belangrijkste dichter, die al de andere verre overtreft, is de zeer fijne Guido Gezelle, die door zijn verzen liet zien hoe mooi de Vlaamsche taal was en hoe groote welluidendheid zij bezat, tevens dat men in haar de diepste zielsaandoeningen en de mooiste natuurbeschrijvingen kon vertolken. Zijn werk is door en door modern, zangerig en zuiver van rhythme. Hij werd ook in Noord-Nederland zeer geliefd.

Als er omstreeks de 80er jaren een algemeen economisch opleven ontwaakt en men wakker wordt uit de benepen-kleinburgerlijke dufheid, komt ook in ons land op letterkundig gebied een opbloei. De zoogenaamde tachtigers treden met een nieuw en groot geluid op ; als zij hun werk niet gemakkelijk geplaatst krijgen, richten zij in 1885 „De Nieuwe Gids” op, waarin zij volle vrijheid om zich te uiten hadden. Het oude werd omvergeloopen, vrijwel alles wat vóór hen geschreven was, werd veroordeeld. Een wilde tijd, die echter getuigde van groot leven. Deze schrijvers stonden ten deele onder Engelschen invloed (Keats en Shelley), ten deele onder dien van de Franschnaturalisten. Van Deyssel verheerlijkte Zola; Verwey e. a. voelden zich tot de Engelschen aangetrokken. Het is moeilijk hun beweging in enkele woorden te karakteriseeren ; zij vormden geen eenheid, het bindende was misschien hun uiterst individualisme, vandaar echter ook dat er spoedig een breuk moest komen; na ’90 verzwakte „De N. Gids” zeer in kracht; in 1894 richtten van Deyssel en Verwey „Het Tweemaandelijksche Tijdschrift” op en bleef Kloos met „De N. Gids” achter. Toen beide tijdschriften kwijnden en bovendien Verwey weer een nieuw tijdschrift stichtte „De Beweging”, vereenigden „De Twintigste Eeuw” (nieuwe naam voor het Tweem.

Tijdschr.) en „De N. Gids” zich weer. Intusschen heeft het tijdschrift, na zijn revolutionnairen tijd, niets speciaals meer. Het had zijn dienst gedaan ; reeds in '90 had „De Gids” werk van de jongeren opgenomen (Couperus e. a.). „Nieuwe Gidsers” zitten nu in de redactie van de oude. De tachtigers hebben voortreffelijk werk voor onze letterkunde gedaan, frisch en nieuw leven gebracht, het afgeslotene en cliché-achtige overwonnen. De voornaamsten van hen zijn Jacques Perk (eigenlijk reeds overleden vóór de nieuwe beweging zich manifesteerde), Willem Kloos, die als dichter de grootste was, van Eeden, met groote veelzijdigheid als wetenschappelijk en litterair man, wiens Kleine Johannes nog altijd hèt boek van hem is, Albert Verwey, dichter van diepzinnige natuurverzen met wijsgeerigen achtergrond, Herman Gorter, eerst dichter van uiterst subjectief werk, daarna socialistisch dichter, Frank v. d. Goes, fijn ontleder, die in de N. Gids veel over tooneel schreef, van Deyssel de naturalist, schrijver van voorbeeldig krachtig en machtig proza, Boeken, de classicus, gevoelig natuur-dichter; buiten dezen kring, maar toch van hun geest was Louis Couperus, met uiterst subtiele en verfijnde proza-kunst; geduld werden enkelen der ouderen: Hélène Swarth, de dichteres van de smart, Emants, de fijne, maar koude ontleder der menschelijke psyche; nog anderen sloten zich aan: Ary Prins met zijn impressionistisch werk, Frans Netscher, die naturalistische schetsen schreef, Jacobus van Looy met zijn sappig proza, Aletrino, de pessimistische verteller. — Na de 80ers komen de z.g.n. 90ers, een jonger geslacht, dat gedeeltelijk andere wegen gaat, gedeeltelijk de aangewezen paden bewandelt. Realistischer streven openbaart zich in „De Jonge Gids", door Herman Heyermans e. a. opgericht; anderen van dit geslacht zijn Robbers, die een voortreffelijken familieroman schiep, de Meester, wiens Geertje een boek vol menschelijke liefde is, Margot Antink met krachtig en tegelijk gevoelig werk als Sprotje en romans in samenwerking met haar lateren echtgenoot Carel Scharten, Ina Boudier-Bakker, die uitmunt in het schrijven van goede kinderschetsen, Top Naeff met haar meisjesboeken en romans (vooral Voor de Poort), Jeanne Reyneke van Stuwe, die onvermoeid haar serie Huize ter Aar publiceerde, van Pluizen met zijn realistisch schetsmatig werk, van Eckeren, Anna v. Gogh-Kaulbach, wier romans ten deele door socialistische tendenzen gedragen worden. De genoemde schrijvers en schrijfsters zijn de besten van een groot aantal letterkundigen, die den laatsten tijd onze boekenmarkt met hun romans en novellen overstroomen, waarvan de waarde niet altijd even groot is. Al deze romans zijn analyseeringen van zieleleven en spelen meest in de wereld der bourgeoisie dalen al te vaak af in het kleine; synthetisch werk wordt niet veel geleverd.

Tot de laatste generatie behooren niet onverdienstelijke schrijfsters als Jo van Ammers-Küller, Jo de Wit, Annie Salomons e. a. Grootscher werk leverde en levert een auteur als Israël Querido, de eenige epische schrijver van onzen tijd; hij tracht werk te leveren in grooten stijl; mëer dan het gewone gaf ook Adriaan v. Oordt met zijn historische romans, evenals van Moerkerken, die eveneens in het verleden teruggreep en een eigen plaats neemt Arthur van Schendel in met zijn romantiek; ook van Suchtelen tracht werk, waarin het geluid van den nieuwen tijd gehoord wordt, te geven. Evenzoo beleefde het tooneel opbloei; de 80ers hebben weliswaar zoo goed als niets voor het tooneel gedaan, maar tegen 1900 komt allerlei oorspronkelijk werk zich aandienen: Heijermans schreef tal van realistisch-socialistische tooneelstukken; hij is ongetwijfeld onze beste dramaturg; na hem komen in aanmerking Mevrouw Simons-Mees (eenigszins onder Noorschen invloed), wier Veroveraar zeer veel succes had; Frans Mijnssen (subtiel, dialogisch werk), Ina Boudier-Bakker (Verleden, Het hoogste Recht), Schürmann, Roelvink, Fabricius, Van Rossem (met blijspelen). Ook Emants, al iets ouder, is geregeld voor het tooneel blijven publiceeren. — Belangrijke essayisten met critisch werk zijn wij de latere jaren rijk geworden : Kloos bundelde vele zijner kritieken; de eerste bundels blijven waardevol voor de periode 1880—1890, Van Deyssel’s werk bestaat in hoofdzaak uit kritisch werk, verder van Nouhuys, Querido ; vooral verdienen vermelding Carel Scharten, M. H. van Campen, die in dit opzicht zeer verdienstelijk werk leverden. Op den voorgrond trad in den allerlaatsten tijd Dirk Coster, een litteraire fijnproever, die met Just Havelaar, ook een essayist van fijn cultureel inzicht, een tijdschrift oprichtte : „De Stem.” Op lyrischgebied ishetniet gemakkelijk voor den laatsten tijd lijnen te trekken ; er zijn nog tal van dichters, die voortwerken in de door de 80ers aangegeven richting, individualistisch en subjectief. De socialistische beweging heeft nog niet veel groote dichters in het leven geroepen.

Bovenaan bij deze staat Henriette Roland Holst—v. d. Schalk, die zeer superieur werk leverde in haar groote dichtbundels, waarin gansch het geestelijk leven van onzen tijd reflecteert ; Herman Gorter schreef nog Een klein Heldendicht en Pan, maar bereikte nooit meer de hoogte van Mei, Adama v. Scheltema munt uit in kleine liedjes met socialistischen ondertoon, Van Collemis de dichter van révolutionnaire liederen, waarin wel een eigen geluid zit. — In mystieke richting gaat de veel-gelezen dichter Boutens met zijn zeer fijne verzen, die in prachtig-klassieke taal geschreven zijn ; van de dichters uit den kring van „de Beweging” mogen genoemd worden Aart v. d. Leeuw, A. Gutteling, Jan Prins ; de opbloei van het Calvinisme brengt ook herleving in onze letterkunde, Geerten Gossaert dichtte niet veel, maar gaf enkele voortreffelijke verzen in een bundel Experimenten ; de opbloei van het Roomsch-Katholicisme geeft hetzelfde te aanschouwen ; wij hebben tegenwoordig een aantal verdienstelijke Roomsche dichters als Félix Rutten e. a„ een opbloei, die zich ook openbaart op het tooneel, waar in de allerlaatste jaren veel stukken van Roomsche schrijvers met Roomsche tendenzen worden opgevoerd. Jonge dichters, die waarschijnlijk in de toekomst iets beteekenen zullen, zijn M. Nijhoff, François Pauwels, Herman v. d. Bergh, e. a„ die ten deele zich verzamelen in een tijdschrift „Het Getij” geheeten. Maken wij momenteel de balans op, dan kunnen wij getuigen, dat er aan alle kanten gang en leven zit in onze litteratuur, vooral dat er een worsteling is om iets te bereiken ; dat echter alles op het oogenblik nog chaotisch is ; dat men in allerlei richtingen zoekt, is zeer goed uit dezen chaotischen tijd. te begrijpen. Ten slotte zij hier nog opgemerkt, dat na ’80 de toenadering met Zuid-Nederland steeds grooter is geworden ; Vlaamsche auteurs zijn hier tegenwoordig zeer geliefd. Stijn Streuvels met zijn prachtige schilderingen van het landleven vond hier veel bewondering, Prosper v.

Langendonck, Karel van de Woestijne, Herman Teirlinck, Aug. Vermeylen en anderen worden hier met waardeering gelezen. Vooral maakte in den laatsten tijd Felix Timmermans opgang met zijn boek van levensvreugde Pallieter.

Belangrijke werken over de Nederlandsche Letterkunde in haar geheel: Dr. W. J. A. Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (2 dln. 1868—72, thans verouderd); Dr. Jan ten Brink, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (geïllustreerd, 1897); Dr.

Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (7 dln. 1905—12); Dr. J. te Winkel, De Ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde (5 dln. 1908—21); Dr. .J. Prinsen J.L.zn., Handboek tot de Nederlandsche Letterkundige Geschiedenis (1920); Dr. C. G. N. de Vooys, Historische Schets van de Nederlandsche Letterkunde ; Frans Bastiaanse, Overzicht van de Ontwikkeling der Nederlandsche Letterkunde (2 dln). De beide laatste zijn beknopt. — Over perioden en onderdeelen: Dr. G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen (1884); idem, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde in de 16e eeuw (2 dln.); idem, Literatuur en Tooneel te Amsterdam in de 17e eeuw (2e druk); Jan ten Brink, Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XlXe eeuw (3 dln.); Dr. J. A. Worp, Drama en Tooneel (2 dln., 1904—08).

Kunst, d.w.z. de kunst, die zich in de Nederlandsche gewesten in den loop der tijden heeft ontwikkeld. Zoowel de Zuidals de Noordnederlandsche Kunst heeft haar eigen geschiedenis. Wanneer men dus, zooals gewoonlijk, met het woord Nederlandsche kunst bedoelt de kunst van het tegenwoordig België en het tegenwoordig Koninkrijk der Nederlanden, dan vat men eigenlijk twee scherp onderscheiden vormen samen. Het verschil in den volksaard, dat reeds zeer vroeg bemerkbaar is, komt echter natuurlijk eerst ten volle aan den dag in de periode, waarin de Noordnederlandsche gewesten op staatkundig en godsdienstig gebied van de Zuidnederlandsche — met ten deele Fransch sprekende bevolking — zijn gescheiden. Vroeger verstond men onder Nederlandsche kunst: de kunst van Noord en Zuid vóór de 17e eeuw. Volgens den stand van de tegenwoordige kennis is het juister de Belgische en Noordnederlandsche kunst van begin af aan te scheiden. Wij beperken ons tot de voornaamste bewaarde monumenten.

I. Bouwkunst, Noordnederland. Uit laat-Karolingischen tijd is als voornaamste monument de kapel op het Valkhof te Nijmegen te noemen. Ook de resten van het Romaansch zijn schaarsch en blijven beperkt tot deelen van later verbouwde kerken, o. a. van de St. Lebuinuskerk te Deventer, St. Plechelmus te Oldenzaal, deelen van St. Servaas en de O. L. Vrouwe te Maastricht (krocht in het Oostel. deel). Van de oude, reeds vroeg gewelfde St. Mariekerk te Utrecht bestaan nog slechts teekeningen en schilderijen (Saenredam), van den ouden St.

Pieter aldaar nog de zuilen en muren en de Romaansche, met die van Deventer (St. Lebuinus) verwante, krypta. Van de St. Nicolaaskerk uit de 12e eeuw is nog de voorgevel bewaard en staan gedeeltelijk de torens. Wij noemen verder nog eenige kleinere gebouwen in het land, als de kerken te Susteren, Ootmarsum, den Westelijken toren van de St. Nicolaas of Bergkerk te Deventer. Voorts Wilsum bij Kampen, de koor (?) nis op het Valkhof te Nijmegen (1155 op gezag van Frederik Barbarossa), de Kloosterkerk te ’s-Hertogenbosch, voorts Rolduc met merkwaardig ingewelfde zijbeuken, die als steun voor het schip bedoeld zijn en St. Odiliënberg bij Roermond (zeer gerestaureerd). — Een goed samenhangende geschiedenis van deze oudste monumenten ontbreekt, al heeft men geen gebrek aan werken, waarin de verschillende gebouwen in min of meer chronologische volgorde worden opgesomd.

Een werkelijke geschiedenis zou voor het Romaansch in Nederland dienen uit te gaan van .het gewelf als statisch-gewichtigst gedeelte van dien bouwstijl. — Wat het aesthetisch effect betreft, kan men zeggen, dat de Noordnederl. Romaansche gebouwen zich niet door eigen detail, maar slechts, in hun algemeene samenstelling, onderscheiden door zekeren eenvoud en soms door bijzonder veel doode, niet functioneel gebruikte massa. — Ook het detail is bijna altijd zeer vereenvoudigd en waar, zooals bij de merkwaardige kapiteelen uit de voormalige St. Paulus abdij — thans in het Stedelijk Museum te Utrecht — een meer uitvoerige bewerking is te vinden, daar heeft men reden aan import te denken. — Rijker wordt het beeld, dat in de 13e eeuw de vroege Gotiek oplevert, vooral onder den invloed van machtige kloosterordes (Cisterciensers en Premonstratensers — eerste abdij te Middelburg reeds 1130; de meest belangrijke nederzetting was Bloemhof te Wittewierum, 1217 gesticht). Van de kloosters is echter nagenoeg niets overgebleven — de meest imposante resten vindt men o.m. nog in de provincie Groningen: de oude zaal van Aduard. — Een der vroegste uitvoerig verzorgde kerkgebouwen, in weerwil van de restauratie door Dr. Cuypers, nog grootendeels in ouden vorm bewaard, is O. L. Vr.-Munster te Roermond (1218 gest. door graaf Otto van Gelder), gebouwd voor een klooster van Cistercienser-nonnen en reeds vóór 1230 voltooid. Alle onderdeelen en ook de plattegrond zijn nog Romaansch, maar in de vormen der gewelven vindt men reeds de aankondiging van de Gotiek (ribben sluitsteenen). Kenmerkend is aan dit gebouw ook de duidelijke invloed, dien het van Duitschland (Keulen) uit heeft ondergaan (plattegrond, paneelfries onder de dwerggalerij). — Evenals in het vorig tijdvak zijn in deze periode in het Noorden van het tegenwoordig Nederland heel wat gebouwen verrezen van eenigszins afzonderlijk type. Het baksteenmateriaal, dat men hier gebruikte, in tegenstelling met de gedurende het Romaansch veel gebruikte tuf, bepaalt de afwijkingen in hoofdzaak.

De omtrekken blijven uiterst sober, de versiering beperkt zich tot lisenen, boogfriezen, stroomlagen en gemetsel ie traceeringen (Zuidbroek, Haren ± 1220, Midwolda en Stedum zijn voorbeelden van dit type, ook de kerk te Winschoten is hiertoe te rekenen). Iets later begint men dan aan het grootsche plan van den Dom te Utrecht (1254 door Bisschop Hendrik van Vianen, de kapellen van den trans voltooid in 1303). Terwijl echter de Limburgsche voorbeelden invloed zoowel uit het Zuiden als uit het Oosten doen kennen, de Friesche en Groningsche baksteenen gebouwen veelal te vergelijken zijn met dergelijke werken in het Oostfriesche en aan de kust der Oostzee, verraadt de plattegrond en de geheele opzet van den Dom te Utrecht duidelijk, dat hier het Noord-Fransche voorbeeld is gevolgd (Chalons, Soissons en, in België, Doornik). Van den Dom te Utrecht is echter heden slechts een fragment (koor en transept) over, terwijl de in de 14e eeuw voltooide toren er thans geheel los van staat. Het niet geheel uitgevoerde schip, dat slechts door een overbrugging (bisschopsloge) aan de laatste travee was verbonden, werd in 1674 door een cycloon vernield en is niet meer opgebouwd. Het koor vertoont den Franschen stijl doch ook vereenvoudigd, zoowel in plattegrond als in de uitvoering der sierdeelen, die sedert den bouw voor het grootste deel weer door nieuwe zijn vervangen. In Dordrecht, Leiden (St. Pieter en de z.g. St.

Pancras of Hooglandsche kerk), Delft, Amsterdam, Haarlem (St. Bavo), Gouda, Rotterdam, Breda en Goes en elders verrezen eveneens groote gotische kerken en torens. St. Jan in den Bosch wordt verreweg het rijkst van al deze versierd en doet zich ons nog heden voor als een juist door dezen rijkdom in Nederland uniek monument. Want over het algemeen zijn ook de met groote middelen gebouwde en op weidsche ruimte (Leiden en Haarlem) berekende Nederlandsche kerken veel eenvoudiger dan die in Zuid-Nederland of in Duitschland. Het schip rijst gewoonlijk minder hoog boven de zijbeuken uit, de traceeringen der vensters zijn minder ingewikkeld — wat bij baksteenbouw vanzelf spreekt —, de steenen gewelven ontbreken dikwijls en zijn vervangen door groote houten, meest in dunne tinten met figuren beschilderde tongewelven (Alkmaar, Naarden). Do torens vertoonen over het algemeen minder gelede samenstelling en meer domineerende horizontalen — een effect, dat nog versterkt wordt doordat er thans vele óf slechts in de 17e eeuw toegevoegde kleine helmen vertoonen óf geheel zonder helm zijn gebleven. — Duidelijk is de onderlinge verwantschap der hoofdvormen van eenige torens — zooals b.v. van den Domtoren te Utrecht, St. Jan in Maastricht, Amersfoort, Rhenen (St. Cunera) en Groningen (St.

Maarten), Delft (Nieuwe kerk —terwijl de Oude-kerktoren een geheel afwijkend type heeft—) of anderzijds Rotterdam, Dordrecht, Gorcum, enz. — Veel der Noord-Ned. gebouwen zijn halkerken, d. w. z., dat zijbeuken en schip gelijke hoogte bereiken, soms onder één dak liggen. — De meeste vertoonden van ouds binnen effen ronde pijlers met zware kapiteelen, betrekkelijk weinig plastische versiering en veel meer gewitte en in de kalk geschuurde muren dan men in het algemeen aanneemt. De beschildering bleef gewoonlijk plaatselijk beperkt.—Van gebouwen, met profane bestemming uit 13e, 14e en 15e eeuw, is niet heel veel overgebleven. Behalve de sobere, torenachtige steenen huizen van den adel in de stad (Utrecht) en enkele poorten (Haarlem Spaarnwouderpoort, Delft Oostpoort, Amersfoort Koppelpoort) en stadsmuren zijn hier de stadhuizen te vermelden, die gedeeltelijk (zooals b.v. dat van Sluis) hun afhankelijkheid van de vormen der openbare gebouwen te Brugge (hal en Belfroid) niet verloochenen, voor een ander deel (Gouda, Kuilenborg, Haarlem) vertoonen zij eigen vormen, die gedurende de 14e en 16e eeuw eenvoudig blijven en eerst in het begin der 16e, vooral onder vernieuwden invloed uit het Zuiden (de bouwmeestersfamilie Kelderrnans) rijker versierd worden, zooals b.v. dat te Middelburg. Van kloosters en kasteelen zijn slechts enkele overblijfselen gebleven (o. m. abdij te Middelburg, grafelijke zaal Den Haag, Muiderslot, hal te Haarlem). Eenvoudige woonhuizen met top- en trapgevels, meestal in baksteen uitgevoerd, andere geheel van hout, uit de 15e en het begin der 16e eeuw, vindt men nog in enkele plaatsen (Oudewater, Amersfoort, Zierikzee) onder de rijker behandelde woonhuizen van omstreeks 1600 dient in de eerste plaats vermeld te worden het voor den schout Jan de Huyter gebouwde huis te Delft (gemeentelandshuis). — Reeds vroeger waren gedeeltelijk de groote en veelal met meerderen rijkdom en bouwvormen behandelde kerken en wereldlijke gebouwen in de Zuidelijke Nederlanden verrezen. Wij noemen hier slechts het thans geheel gerestaureerde Steen, het grafelijk slot te Gent (1180), de kathedralen van Doornik en Yperen ( ± 1260 begin, St. Martin), O. L. Vr.kerk te Dinant en de Kollegiaatkerk te Huy, de Notre Dame te Hal bij Brussel, de O. L. Vr.kerk te Tongeren, St. Paul te Luik en Notre Dame De Pamele te Oudenaarde.

De groote kerk te Mechelen met haar sierlijken hoogen toren, welke laatste zich door zijn ingewikkelden plattegrond en rijken omtrek van de Noord-Nederlandsche torens onderscheidt, is 1312 voltooid (de helm niet uitgevoerd). St. Woudru te Mons is van 1460 af in bewerking. Maar reeds van 1352 af bouwt men aan een der fraaiste en grootste kerken van België, de kathedraal van Antwerpen met haar zeven beuken. (De doorluchte Noordelijke toren is eerst in het begin der 16e eeuw gereed). De bekende St. Gudulekerk te Brussel, die door haar ligging reeds een merkwaardigen indruk maakt, met haar beide slanke torens, werd in 1220 begonnen, vertoont gedeeltelijk nog de vormen van den z.g. „overgangsstijl”, terwijl de torens uit de 16e eeuw dagteekenen. Van de gebouwen voor profane doeleinden vermelden wij in de eerste plaats de voor België zoo kenmerkende „hallen” (Yperen, 1200—1304, — in den wereldoorlog geheel verwoest —, Brugge, 1284, met den hoogen toren, die thans zijn helm mist, en Gent (dertiende eeuw), ruime gebouwen voor den handel in allerlei koopwaar en voor de lakennijverheid, tevens het trotsche teeken der stedelijke onafhankelijkheid. Vervolgens komen de raadhuizen in aanmerking, het nog streng gotische te Brugge (1377), het meer gevarieerde type van de 16e en het begin der 16e eeuw, met doorluchte helmen op de torens en rijk gotisch lofwerk vindt men te Brussel (1455), Oudenaarde (1527—1430), Aalst en Gent (1518—33); een, wat de hoektorens en de versiering betreft, zelfstandig voorkomen heeft het beroemde laatgotische stadhuis te Leuven (1448—63). Ook de beurs te Antwerpen (thans geheel opnieuw opgericht na den brand in 1858) en het paleis van den bisschop te Luik (thans paleis van Justitie), beide reeds met wat forscher renaissancedetail, behooren tot deze reeks.

Tot de gebouwen met eerste duidelijke kenmerken der renaissance — colonetten, pilasters, bogen, ornamentdetails, proportie der vensters — behoort het oude paleis, tegenwoordig tribunaal te Mechelen (1617). Het is hier niet de plaats om ook uitvoerig uit te weiden over de talrijke, opmerkelijke, architectonische onderdeelen binnen in de bovengenoemde gebouwen, over de tochtportalen, gestoelten, koorhekken, sacramentshuizen, altaren, doxalen, die geleidelijk in Noord-en ZuidNederland de veranderingen van den bouwstijl mede ondergingen. We herinneren slechts terloops aan monumentale koorgestoelten als te Breda, te Bolsward, te Haarlem en ’s-Hertogenbosch — en in België te Leuven, aan doxalen als dat uit de kerk van Helvoirt, thans in ’s Rijks Museum, in den St. Bavo te Haarlem, Lier (België), te Dixmuiden en elders (voor de veranderingen in den stijl zie het artikel: GOTIEK). — Omstreeks 1530 zegeviert de Renaissance in den bijzonderen vorm, dien zij in het Noorden aanneemt op de geheele linie. Wel worden er dan nauwelijks nog groote kerken meer opgetrokken en blijven de meeste kort te voren gestichte hallen, paleizen en raadhuizen nog in gebruik. Maar waar er voldaan wordt aan de behoefte aan bouwwerken van geringer omvang, daar ziet men het gotisch detail slechts rudimentair voortbestaan ; dikwijls gaat het schuil onder een wonderlijke vermomming, terwijl de laat-gotische proportie grootendeds gehandhaafd blijft. In het Noorden ontbreke#trouwens, zooals de monumenten leeren, de arbeidskrachten voor dezen nieuwen stijl vooralsnog. De oorkonden en monumenten toonen aan, dat wij met aanvoer uit het Zuiden moeten rekenen.

De zeer verzorgde en kennelijk met ruime middelen gebouwde en versierde huizen en paleizen van een veldheer en geweldenaar als Maerten van Rossum (Duivelshuis te Arnhem, huis te Zalt-Bommel) schijnen door buitenlandsche artisans te zijn bewerkt. Zij steken van dergelijken arbeid, die blijkbaar ter plaatse gemaakt is (Tiel, Naarden) door hun fijner uitvoering sterk af. Toch heeft men tegen 1540 ook hier te lande (Dordrecht, van Terwens koorgestoelte 1539 en den Bosch, preekstoel) reeds plaatselijk zeer goede krachten en in een enkel geval — de toren van de kerk te IJselstein (1535) — zou het zelfs schijnen, dat men hier reeds met strenger theoretisch zuiver uitgewerkte renaissance-vormen wist om te gaan. Doch ook dit monument ontleent zijn geavanceerd voorkomen waarschijnlijk aan het ontwerp van een buitenlandschen patroonteekenaar. Over het algemeen komt eerst in het midden der 16e eeuw de diepere studie van het Italiaansch-klassieke voorbeeld tot zijn recht, zonder dat echter daardoor de eigen aard wat betreft algemeenen opzet, gebruik en verhoudingen verdwijnt. Ornamentteekenaars en theoretici als Pieter Coecke van Aelst (1546—63 verscheen zijn boek) en Vredeman de Vries (1527—1604) in Noord-Nederland, evenals Cornelis Bos, Cornelis Floris in België, met anderen als J. Dubroeucq uit Mons en Hans Bloem, gaan voor ; de beeldhouwers, schilders en bouwmeesters volgen. — Een van de eerste groote gebouwen in den nieuwen stijl met streng volgehouden pilasterorde der verdiepingen en een in geordonneerde topgevels opgelost middelrisaliet is het stadhuis te Antwerpen van Cornelis Floris (1561—1565), dat, vooral vergeleken bij een product van den meer speelschen stijl der vroege Renaissance, als b.v. het „Vrij” (1537) te Brugge, toont hoever de zwenking naar het klassiek ideaal reeds was voltrokken.

Over het algemeen kentert het stijlbegrip in het Noorden eerst in denzelfden tijd, dikwijls nog later. De Lieve Vrouwe-kapel aan de Noordzijde en het koor van de Oude Kerk te Amsterdam van 1553 vertoont nog een gemengd karakter van Gotische- en Renaissance-motieven. In 1555 echter vertoonen de gefingeerde gebouwen in de achtergronden van de gekleurde glasvensters der Oude Kerk, door Pieter Aertsen ontworpen, reeds de strengere richting, die overeenkomst vertoont met den stijl der z.g. HoogRenaissance in Italië onder den invloed van Bramante. Een dergelijke opmerking kan men maken bij het beschouwen van verscheidene van de Goudsche vensters (tusschen 1556— 1567). In de praktijk van het bouwen kende men echter dezen trant nog slechts bij uitzondering en dan steeds onder rechtstreeks uitheemschen en wel eer Italiaanschen dan Franschen of Vlaamschen invloed (zie boven onder den toren van IJsselstein en vgl. ook het oude kasteel te Breda (1536—37—44), de tegenwoordige Militaire Academie). Het oude stadhuis te Utrecht, door Willem van Noort (1547), heeft ook reeds een strenge ordonnante gehad; enkele gevels van particuliere woningen, omstreeks 1550, vertoonen hetzelfde streven. Een meer volledig voorbeeld geeft het Haagsche stadhuis (1561—1565), door Bartholomeus van Bassen gebouwd. Van dezen tijd af kan men duidelijk twee richtingen constateeren.

De eene streng en zoo min mogelijk versierd, geheel afgaand op proportie en snit der profielen, de andere, voornamelijk onder de leiding van Vredeman de Vries, rijk versierd met de reeds door Cornelis Floris en anderen uitgewerkte reeks van nieuwe motieven, waarbij aan de cartouche en het z.g. „rolwerk” een groot aandeel toekomt. Deze richting, die in menig opzicht doet denken aan een hervatting van laatgotische ornamentale verlangens, al is er geen enkel gotisch motief gebruikt, is thans in Nederland het eerst te constateeren aan de Waag te Enkhuizen (1559); dan volgt het St. Jans Gasthuis te Hoorn (1663). Ook het vermoedelijk door Luder v. Bentheim ontworpen stadhuis te Leiden behoort bij deze voorbeelden. Tevens past men in dien tijd meer en meer de reeds vanouds bekende karakteristieke afwisseling van baksteen en groefsteen toe, die weldra tot bonte sprenkeling of ook tot verdeeling in afwisselende strooken leidt. Een gevel als die van de Kanselarij te Leeuwarden (1566—71) bewijst, dat soms tot in zoo laten tijd nog bijna zuiver laat-gotische siermotieven in zwang bleven.

Zoo vertoont de tweede helft der 16e eeuw, zoowel in België als in Nederland een zoeken en tasten. Er is. veel wisselwerking en overeenkomst tusschen Noord en Zuid, maar ook duidelijk verschil. Vooreerst is reeds de toepassing van baksteen en groefsteen samen meer consequent in het Noorden (stadhuis Oudewater, 1588). — Verder plegen hier over het algemeen de siervormen, hoewel van dezelfde familie, nuchterder te worden behandeld en slechts onder tamelijke vereenvoudiging uit de voorbeeldenboeken van Vredeman de Vries te worden overgenomen. — Tenslotte heeft zich ’t eerst in het Noorden in deze jaren een bijzondere bouwvorm ontwikkeld — de lichte open geconstrueerde torenspits. Wel zijn reeds enkele van die ijle spitsen te vinden onder de doorluchtige, vroeg 16de-eeuwsche steenen torens van België (Brussel, Oudenaarde, Antwerpen) en in kleine gotische torens als die op het kruis van St. Bavo te Haarlem, maar toch dateert de doorloopende ontwikkeling vooral uit de tweede helft der 16e en behoort zij geheel aan Noord-Nederland.

In 1566 had reeds Joost Janszoon Bilhamer de nieuwe spits op den Oude-Kerktoren een dergelijke gedaante gegeven. Het gotische detail is onderdrukt en heeft voor Renaissance-motieven plaats gemaakt; fialen worden obelisken, spitsbogen wijken voor frontons, maar de eigenaardige veelvuldige insnoering, de open metalen peer van den top getuigen toch nog van het oude „gotische” stijlgevoel. In 1577 volgt de spits van den stadhuistoren te Leiden, weliger en oogenschijnlijk meer onder den invloed van Vlaamsche of Duitsche voorbeelden. In 1591 verrijst de speeltoren te Monnikendam, in 1594 de Saaihaltoren te Leiden, in 1595 die op de Waag te Alkmaar en er zijn er nog heel wat meer geweest, die tot ver in de 17e eeuw dit vruchtbaar motief in oneindige variatie vertoonen.

In België heeft de geschiedenis der bouwkunst een eenigszins ander verloop. Zwaarder en kwistig aangebrachte cartouche- en rolwerkversiering viel daar meer in den smaak, zoowel voor de kerken, die men er in de tweede helft van de 16e eeuw bouwde, als voor groote gildehuizen en woningen van particulieren. Men werkt meer met groefsteen ; de invloed van het voorbeeld der Romeinsche barokkerken van Porta en Vignola is er niet te miskennen; wat de kerken betreft, mede onder den invloed der contrareformatie. Reeds omstreeks 1600 is dientengevolge het algemeen beeld der bouwkunst meer massief, de versiering voller, het profiel zwaarder en krachtiger, als voorbode van de bekende Jezuïetenkerken, die in het begin der 17 e eeuw door mannen als Pieter Huyssens (omstreeks 1614—21) en Jacques Franquart (Jezuïetenkerk te Brussel 1617) e. a. werden gebouwd (Stile Rubens) — een echte b a r o k t ij d.

Een zeer gewichtige periode breekt in het Noorden omstreeks 1600 aan. Reeds vroeger was men te Amsterdam begonnen met een volgens vast plan doorgevoerden „uitleg'’ der stad (J. Jansz. Bilhamer). Thans ging men daarin verder. In 1595 kreeg de stadssteenhouwer Hendrik de Keyser (1567—1621) opnieuw een dergelijke opdracht, waarvan de groote uitbreiding met de concentrische grachten — halvecirkels — ten slotte het gevolg is geweest. Sedert dien staat de Nederlandsche bouwkunst voor een groot gedeelte onder zijn invloed, dien in de eerste plaats ook zijn helpers Cornelis Danckerts en Hendrik Jacob Staets ondergaan hebben. Wij noemen hier van de Keyser slechts de meest bekende bouwwerken als de Zuiderkerk (1613 begonnen, toren van 1614), welke toren tot een nieuwe phase van de ontwikkeling der bovengenoemde reeks van torenspitsen behoort.

Men vergelijke ook de talrijke spitsen, die H. d. K. zette op oude poort- en waltorens, als den Montalbaanstoren, den Munttoren en andere torens, thans gedeeltelijk weer gesloopt, evenals de door hem gebouwde en van een toren voorziene beurs op ’t Rokin. Hendrik de Keyser heeft met vaste hand, soms streng, soms vrijer, aan alle gebruikelijke siermotieven uit den schat van Vredeman de Vries en zijn andere voorgangers, en aan alle bekende technische methoden (afwisseling van baksteen en groefsteen, groefsteen met plastische versiering) het kenmerk van een persoonlijken stijl weten te geven. Zijn veerkrachtig gebogen geveltoplijnen, het teere relief van zijn rolwerk- en cartouche-decoraties zijn onmiddellijk te onderscheiden. Bij alle variatie blijft hij in het geheele effect zijner bouwwerken vol ingetogen elegantie, evenals in zijn beeldhouwwerk (Heiligewegspoort, tombe van Willem den Zwijger te Delft, Erasmus, Razernij). Het aantal der door hem verder ontworpen of geheel door hem uitgevoerde werken, ook buiten Amsterdam, is aanzienlijk en men kan zeggen, dat hij in de eerste plaats aan zijn tijd en zijn land een bepaald architectonisch cachet heeft geschonken. Dit laatste geldt in mindere mate van zijn tijdgenoot Lieven de Key — om van de overigens bekwame zoons van Hendrik de Keyser hier niet te spreken. Lieven de Key (1560 te Gent geboren) had zijn leerschool in Engeland gehad en was dienovereenkomstig bij zijn eerste optreden als stadssteenhouwer van Haarlem (1591) een aanhanger van de klassieke richting (Waag te Haarlem, 1698). Hij heeft zich echter niet uitsluitend aan die eene manier gehouden, maar bij gelegenheid zich meer dan Hendrik de Keyser gericht naar Duitsche meesters (als b.v. Luder van Bentheim), of wel, middellijk of onmiddellijk, naar Vredeman de Vries.

Wat anderen Nederlanders ten hoogste voor het papier en het graveerstaal geschikt leek, trachtte hij wel degelijk met het materiaal van den bouwmeester uit te drukken (Vleeschhal te Haarlem 1605, Nieuwe Kerk te Haarlem 1613, een hoogst merkwaardige variant op de Amsterdamsche torenspitsen, plastischer gevormd, minder mager in alle details). Men kan de gedachte niet onderdrukken, dat hier toch een buitenlander aan het woord is geweest en de kunst van Lieven de Key is in de Nederlandsche architectuur dan ook slechts een fraai tusschenspel gebleven, dat zich in hoofdzaak tot de juist in die jaren door veel Vlamingen bewoonde stad Haarlem en tot Leiden beperkt. Daarbij komt, dat men over de persoonlijke beteekenis van Lieven de Key en over den aard en het aantal van medewerkers, die hij heeft gehad, gebrekkig is ingelicht. Eenige verwantschap met Lieven de Key’s latere manier vertoonen een reeks van gebouwen in het Noorden en Oosten van Nederland, waar men echter ook meer met Duitschen invloed mag rekenen. Over het geheel genomen, kenmerkt de geheele periode tot omstreeks 1640 een zekere neiging tot matige afmetingen — ook waar het gebouwen in klassieken stijl geldt — en tot bonte verscheidenheid van vorm, zoowel als van kleur, terwijl in België in dit zelfde tijdperk zich reeds het gevoel voor ruimer maten, forscher plastiek, ruigere behandeling van het materiaal doet gevoelen. Wil men dezen tijd met het woord „barok” aanduiden, zooals wel geschiedt, dan dient men er wel bij in gedachte te houden, dat men onder dezen titel dan voor Noord-Nederland een geheel andere aesthetische bedoeling moet verstaan dan in Italië en Frankrijk. Zeer veel van de kenmerken van den Italiaanschen en Franschen barokstijl — behalve de neiging tot het bizarre — vinden wij daarentegen terug in het werk van den grooten bouwmeester, wiens voorbeeld de bouwkunst van het midden der 17e eeuw grootendeels heeft bepaald: Jacob van Campen (15951657). Men heeft den door hem aangegeven stijl ook wel klassicisme genoemd, evenals men van klassicistische architectuur in Frankrijk spreekt, maar om den betrekkelijken eenvoud van het plan en wegens de soberheid in het aannemen van versieringen, is het machtige werk van Van Campen toch nog niet klassicistisch te noemen.

De aesthetische bedoeling van het geheel richt zich onmiskenbaar op een zekere deftige zwaarte, een volle massaontwikkeling en is als zoodanig toch ook wel degelijk barok, zij het dan ook Nederlandsch barok, d. w. z. van Italiaansche (Palladio, Vignola, Michelangelo), maar ook van Fransche en Engelsche voorbeelden afhankelijk. Zoo is reeds van Campen’s vroegste werk, het voor Balthasar Koymans gebouwd huis te Amsterdam (^ 1626), zoo was het afgebroken Huygenshuis te ’s-Gravenhage, de paleizen voor vorstelijke personen (o. a. Mauritshuis Haag), zoo is ook het belangrijkste van al de door hem ontworpen gebouwen: het Stadhuis te Amsterdam (thans Kon. paleis, eerste ontwerpen van 1640, voltooid 1659) en de veranderde toren der Westerkerk. Van Campen heeft, schoon hij slechts als ontwerper, nooit als uitvoerend architect is opgetreden, school gemaakt. Om hem heen staat een gansche staf: Pieter Post, Willem de Keyser, Daniël Stalpaert, Vennecool, wellicht zelfs Noorwits, om er eenigen te noemen. Bij enkelen, als bij den te Leiden werkenden Arent van ’s-Gravezande (Marekerk, Lakenhal), is het zelfs niet gemakkelijk uit te maken, welk persoonlijk aandeel van Campen in diens scheppingen heeft gehad. — Het tijdperk van de breede maten, de groote vlakken, de dikke festoenen, de door twee verdiepingen rijzende pilasters (kolossaal-orde) is in de bouwkunst aangebroken en houdt gelijken tred met de neiging tot. het breede en massale in de schilderkunst, in de meubileering en de beeldhouwkunst. Het meer wulpsch-rondende en opgewonden-bewegelijke clement, wat tegelijkertijd in België heerscht (Franquart, Faid herbe en Rubens zelf) wordt daarbij met stellig instinct geweerd.

Als schepper van een nieuw type woonhuis dient hier de zelfstandige figuur van Philip Vingboons te worden genoemd (geb. 1608 te Amsterdam), die hoewel misschien geen leerling, toch in menig opzicht een volgeling van Van Campen is geweest. Hij was de bouwmeester voor veel Amsterdamsche patriciërs. Belangrijker dan zijn groote „dubbele” huizen, is zeker nog zijn smalle grachthuistype (Huis van Michiel Bauw, Heerengracht) met stoep en enkelen, meest door twee klauwstukken geschraagden, top. Ook voor de volmaking van den plattegrond, voor de ontwikkeling der oekonomie van het woonhuis, heeft hij, evenals trouwens zijn broeder Justus (Trippenhuis 1663), veel gedaan. Het aspect van Amsterdam — en op voorbeeld van de grootste koopstad van heel wat steden in de provincie — wordt, na de periode van Hendrik de Keyser, door van Campen en zijn school bepaald. Tot den nasleep van die school behoort o. a. Adriaan Dorsman (Nieuwe Luthersche (koepel)kerk te Amsterdam 1671, na een brand van 1823 eenigszins gewijzigd hersteld). Met Steven Vennekool (stadhuis te Enkhuizen) komt aan Dorsman en hun medestanders de eer toe, dat zij het kloeke geheel van de Amsterdamsche gracht en Amsteloevers in den eenvoudigstën stijl, voornamelijk met de verhoudingen van vensters, deuren en dammen werkend, hebben doorgevoerd. — De 18e eeuw in Noord- en Zuid-Nederland staat bijna geheel onder Franschen invloed. Wat Vredeman de Vries voor het eerste derde der 17e eeuw geweest was, dat werden nu de beide Marots (Jean 1619—79 en Daniël 1661—1712) vader en zoon, voor de 18e.

De uitgave hunner bekwaam uitgevoerde gravures bracht de nieuwe wijze van ontwerpen en versieren volgens de manier der groote Fransche architecten van den Louis XIV-tijd onder ieders bereik. Daar bovendien de stadhouder-koning Willem III zich van Daniël Marots diensten aan het Engelsche hof bediende, kreeg dit werk een zekere voorname sanctie, die ter navolging prikkelde. Men paste zelfs zijn motieven voor werken der meubel- en sierkunst hier te lande, op veel grooter schaal, op gevels en daken toe en tot 1750 ongeveer heerschten de Lodewijk XIV- en Regencestijl hier vrijwel algemeen; veel langer dan in Frankrijk. Naast die wat uiterlijke weelde, door Frédéric Blancard en Jan Schutte vooral aangeprezen en toegepast, werkten, sedert 1730 ongeveer, andere voortreffelijke, maar weinig bekende bouwmeesters aan de verdere voltooiing van de hoofdstad: Hans Jacob Husly, Hendrik Husly en Hendrik Jacob Otten. Evenals de Marot-navolgers van vroeger hebben ook zij weliswaar op hun beurt heel wat ornament, dat voor kleine voorwerpen bestemd was op gevels en geveldetails toegepast, maar zij deden dat zoo, dat de ernstige baksteen-vlakken, met hun donkere raamopeningen bleven domineeren en dat zich het geheel bij de bontere architectuur van vroeger en de hooge boomrijen der gracht toch uitnemend aansloot. Behalve de genoemde meesters, wier werk natuurlijk ook in de provincie is te vinden, dient nog R. R, Viervant — zoon van Leendert Viervant — te worden vermeld. Vele anderen kunnen hier niet anders dan met name genoemd worden, zoo Rauws, Jan Eduard de Witte, van der Horst (R. K. Maagdenhuis te Amsterdam 1784), A. Ziesenis; allen meesters,wier vormen nu grootendeels wèl als „klassicistisch” kunnen worden aangemerkt.De geheele stijl is dan een betrekkelijk grof, maar daardoor ook soms schilderachtig-kloek Louis XVI. (Voorbeelden zijn de Delftsche Poort te Rotterdam 1770; het stadhouderlijk kwartier, thans Tweede Kamer, 1788—1794).

Ingeluid is dit klassicisme, evenals in Frankrijk trouwens reeds veel vroeger. Als een der eerste bouwwerken van dien aard zou men de Beurs te Rotterdam, gebouwd door Adriaan van der Werff (1715), den schilder, kunnen beschouwen. —De 19e eeuw vertoont in Zuid- en Noord-Nederland hetzelfde beeld als in de overige landen van Europa, Het classicistisch „Louis XVI” gaat over in een kortstondig en gemeenlijk plomp „Empire” om dan, tot omstreeks 1840, een mengsel van deze stijlvormen, in goedkooperen trant te herhalen (stijl-Willem I). Daarnaast vindt men echter ook in Noord-Nederland het Neo-Grec, zooals dit in Duitschland door Schinkel en Klenze in zwang gebracht werd (Zochers Beurs te Amsterdam), weldra ook een gotisch-romantische richting (b.v. de oude manége van Willem II te ’s-Gravenhage, thans kerk, 1853) en daarna, omstreeks 1870, een navolging van den Nederlandschen Renaissance-stijl, d.w.z. vooral van den trant, die tusschen 1600 en 1630 aan de orde geweest was. — Een nieuwe opleving in de romantische richting, maar thans op nationalistischen grondslag, bracht de, in 1920 overleden,bouwmeester Dr. J. P. H. Cuypers (Rijksmuseum, Vondelkerk, Centraalstation). Nadat de belangstelling in de bouwkunst als een zelfstandige kunst, niet als een nuttig bedrijf, door zijn medewerking eerst opnieuw gewekt was, ontplooide zich het architectonisch streven weldra rijker en veelzijdiger; vooral omstreeks 1890 onder Dr. H. P. Berlage, de Bazel en Kromhout. Meer in Dr. Cuypers’ onmiddellijk gevolg zijn nog te noemen: Peters, Jos.

Cuypers, Jan Stuyt. Deze nieuwe bloei ging gepaard met een sterke heffing van de aesthetische energie op de geheele lijn der bouw- en sierkunst (’t Binnenhuis, de Woning; Lion Cachet's en Nieuwenhuis’ meubelkunst), die samenviel met het voorloopig einde van de impressionistische schilderschool (Haagsche school) en die nogmaals een wending doorgemaakt heeft in het eerste kwart der 20e eeuw (v.d. Mey’s Scheepvaarthuis, v. Limburg,Bremer, Postkantoor te Rotterdam, de Clerc e. a.), zonder dat daarom de meer academische richting (Henri Evers’ Raadhuis te Rotterdam) geheel is verdwenen. — In Zuid-Nederland was de — onvolkomen — navolging van Frankrijk lang het eenige beginsel. In het midden der 19e eeuw kon men ook daar een herleving van de Vlaamsche Renaissance beleven. Na den klassicist Roelandt (Universiteit, Paleis van Justitie en Theater te Gent) en de neigingen tot Neo Romaansch en Neo-Gotiek van Louis van Overstraeten en a., (b.v. Notre Dame te Schaerbeek en St. Armand te Antwerpen, de laatste door Louis Baekelmans); St. Joris te Antwerpen door Leon Suys, begint de periode van tallooze herstellingen en soms onmiddellijke navolging van oude bouwwerken (Grand’ Place te Brussel door Viktor Jamaer; Paleis van Margaretha te Mechelen door Léon Blomme, van wien ook het Raadhuis te Borgerhout is; de Beurs in Antwerpen, die geheel nieuw, doch zg. in ouden stijl, werd herbouwd door Joseph Schadde 1868’72).

Zelfstandiger, maar steeds onder Franschen invloed, werken in de tweede helft der 19e eeuw: Alfons Balat (Brussel, Palais des Beaux Arts), Hendrik Beyaert (Banque Nationale te Antwerpen), Léon Suys Jnr. (1880, Beurs te Brussel), terwijl de historisch aangelegde architect J. van IJsendijk in het raadhuis te Schaerbeek het bewijs levert, hoe ver deze tijd het in het verjverken van overal ontleende vaderlandsche Renaissance-motieven had gebracht. Wonderlijk doet de late romantiek aan, waar zij, als aan het Station te Brugge, op bij uitstek moderne gebouwen is toegepast. Een echt Zuid-Nederlandschen indruk maakt door zijn zware massa’s en de overdaad van aan alle historische stijlen herinnerende details, het reusachtige paleis van Justitie, dat Joseph Poelaert (1868—83) te Brussel oprichtte. — Evenals in Noord-Nederland volgde op de periode der ontleening een reactie onder heftige leuzen tegen alle overlevering en allen historischen opschik. Niet zonder verband met dergelijke richtingen in Engeland, schiep toen Henri van de Velde (geboren 1863), met geschrift en daad propageerend, een nieuwen stijl, die een zeer persoonlijk karakter had (stile bois-courbé) en ook in het buitenland velen heeft meegesleept. Onder de jongeren zijn Hankar, Horta, Hofman en Hoste te vermelden.

Beeldhouwkunst. Beeldhouwwerk van beteekenis is zoowel in Noordals in ZuidNederland niet vöör den laat-Romaanschen tijd aan te wijzen en dan nog, zooals overal in West-Europa, slechts in verband met bouwwerken, en voor een groot gedeelte slechts ornamentaal. Te noemen zijn in Zuid-Nederland o. a. het portaal van Nivelles, gedeelten van portalen te Doornik, enkele fragmenten in het Musée Lapidaire te Gent, voorts eenige grafzerken, doopvonten en dergelijke. Van hooger aesthetisch gehalte zijn eenige werken uit de 13e eeuw, gedeeltelijk onder Franschen, gedeeltelijk onder Rijnschen invloed ontstaan — nl. eenige reliefs en figuren te Luik, het zeer gerestaureerde portaal van St. Servaas te Maastricht, een altaar in St. Servaas en enkele figuren van heiligen; eindelijk de door de restauratie niet meer goed te beoordeelen graftombe in 0. L. Vrouwen Münster te Roermond. Al deze stukken zijn streng en bijna schematisch behandeld. Een verwante ontwikkeling kan men nagaan in de reeks der gedreven en gegoten figuren aan reliekschrijnen en b.v. aan het bekende geelkoperen doopvont van Reynier van Huy te Dinant. — In Noord-Nederland komen, behalve het tympanon van de oude kerk te Egmond (Nederl. Museum 12e eeuw), in aanmerking: een achter het koor der kerk ingemetseld boogrelief te Zwolle, twee Apostelen (reliefs) uit St.

Odilienberg (Nederl. Museum ±1175). Uit het laatste der 13e eeuw enkele grafzerken en uit het eind der 14e: eenige graftombes (te Breda, te Geervliet en een uit de Abdij Bern, thans Nederl. Museum). Al dit werk, behoudens de genoemde tombe van den Heer van Polanen te Breda en een soortgelijke sarkophaag met figuren in nissen (plourants) te Cleef, onderscheidt zich van het Zuid-Nederlandsche nauwelijks en is vermoedelijk voor een deel uit Westfalen, voor een deel uit België geheel gereed geïmporteerd. De reliefs van en het epitaaph boven de tombe te Breda en de figuurtjes uit Cleef echter vertoonen een vrijer, naturalistisch streven, dat meer verwantschap vertoont met den stijl van Claus Sluter’s werk te Dyon, dan met de geheel van Frankrijk afhankelijke Zuid-Nederlandsche skulptuur der 14e eeuw, vertegenwoordigd door enkele werken, toegeschreven aan André Beauneveu en door een reeks van graftombes met liggende figuren. — Van het eind der 14e eeuw dateert een sterke kentering ten gunste van het naturalisme. Er is geen reden om aan te nemen, dat deze verandering van Claus Sluter’s persoonlijke werkzaamheid uitgaat. Meer waarschijnlijkheid geeft de theorie, dat Claus Sluter, de grootste Middeleeuwsche beeldhouwer in de Nederlandsche gewesten, hoewel in Noord-Nederland geboren, zijn leerlingtijd in werkplaatsen van den Middenrijn (Mainz, o. a.) heeft doorgemaakt, waar toen nog een zwakke nabloei heerschte van de groote zelfstandig-naturalistische school van beeldhouwers der 12e en 13e in de Saksische landen.

Sluter is daarna te Dyon als hofbeeldhouwer van Philips den Stoute gevestigd, neemt, niet zonder opnieuw iets te leeren, kennis van de klassieke 14de-eeuwsche, eenigszins star geworden beeldhouwkunst van Frankrijk, doch maakt juist door zijn sterk individualisme slechts zeer beperkt school. Het oorspronkelijke talent van Sluter is echter, vóór het nog door de aanraking met Frankrijk en Duitschland tot de volle ontplooiing kwam, gegroeid op Noord-Nederlandschen bodem, waar toen reeds een eigen ontwikkeling in de richting van het naturalisme moet hebben bestaan. Als late uitloopers daarvan zijn dan ook veeleer de monumenten van Breda en Cleef te beschouwen, die men slechts bij dergelijke werken uit België (Hackendover) behoeft te vergelijken, om dit vast te stellen. In Sluter’s wat geïsoleerd oeuvre wordt het zwakke Nederlandsche begin tot vrije ontwikkeling gebracht (portaal der Chartreuse te Champmol bij Dijon, de Mozesput bij de Chartreuse, de graftombe van Philips den Stoute, thans Museum te Dijon). Zulk een monumentale hoogte heeft de Nederlandsche beeldhouwkunst overigens nergens meer bereikt. Daarentegen zijn zoowel in Noordals Zuid-Nederland een groot aantal beeldhouwwerken in hout (deelen van altaren, koorgestoelten, enz.) bewaard, die in bescheiden afmeting de verdere ontwikkeling van datzelfde streven vertoonen gedurende het verloop der geheele 16e eeuw.

Daarbij blijft de reeds vroeg bestaande nuance bewaard, dat n.l. de NoordNederlandsche werken,die meestal nader verband houden met de beeldhouwkunst van den benedenRijn, gewoonlijk minder strengen adel, minder styleering, maar meer karakteristiek realistisch en schilderachtig streven vertoonen. — De reeksen groepen, beelden en fragmenten, vooral in eikenhout uitgevoerd, thans voor een overgroot deel in musea en verzamelingen verspreid, die men door bijzondere omstandigheden of door hun verwantschap met andere, die nog op hun oorspronkelijke standplaats aanwezig zijn (koorgestoelte te Zalt-Bommel) als NoordNederlandsche kan beschouwen, vormen een hoogst belangrijke parallel met de ontwikkeling der schilderkunst, houtsnee en prent der 15e eeuw. Vooral het Nederlandsch Museum te Amsterdam, het Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht en het Bisschoppelijk Museum te Haarlem, bezitten hiervoor goede voorbeelden. Neemt men alles samen, dan kan men goed drie kringen onderkennen: volkomen zelfstandige Noord-Nederlandsche werken, een breede massa stukken, die met meer moeite van de Rijnsche (Calcar, Xanten, Wesel) zijn te onderscheiden en een laatste gedeelte, dat verwantschap met de Zuid-Nederlandsche vertoont. Meesters zijn slechts bij uitzondering met name bekend (zoo o. a. voor vier bijzonder fraaie steenen Heiligebeelden in het Stedelijk Museum te Utrecht). De studie van al deze bescheiden werken en van de reeks bronzen gravenbeelden, gegoten door Jacques de Gérines in België, ± 1436 (Ned. Mus.), waarborgt een veel dieper inzicht in den stijl en de aesthetische bedoelingen van de beeldhouwers van dezen tijd, dan de kennis van de enkele meer algemeen bekende monumenten als b.v. de graftombe van Maria van Bourgondië in O. L. Vr. te Brugge, die, als veel andere tombes, een meer internationalen stijl vertoont.

In de 16de eeuw neemt de massaproductie van de houtsnijwerken (geheele altaarversieringen, uit Antwerpen geëxporteerd) in ZuidNederland nog eenigszins toe. In het Noorden worden aantal en kunstwaarde spoedig minder. Met de opkomst der Renaissance in het N., later ook door den invloed der Hervorming, krijgt de beeldhouwkunst een meer decoratief en begeleidend karakter. In Zuid-Nederland bewijzen dit o. m. de werken van C. Floris, Alexander Colijns uit Mechelen, Jan Mone, Jacques du Broeucq, in het Noorden die van Jan van Terwen te Dordrecht, en later, in de tweede helft der 16de eeuw, van Geert van Dulcken te Nijmegen en de familie Colijn de Nole uit Kamerijk, die te Utrecht is ingeburgerd (van Jacob Colijn is de rijkversierde schouw in het raadhuis te Kampen, 1572). Waren de Colijns de Nole oorspronkelijk Zuid-Nederlanders, dit schijnt ook ’t geval geweest te zijn met heel wat onbekende meesters, die in het begin de Renaissance-motieven uit Frankrijk en België hierheen overbrachten. Andere Zuid-Nederlanders, als de bovengenoemde Alexander Colijn en Jan van Boeloen (Giovanni da Bologna), en NoordNederlanders, als Nicolaes Gerhard v. Leiden, werkten daarentegen met succes in het buitenland — In het eerst van de periode van dezen tamelijk gemengden stijl ontstonden in NoordNederland enkele belangrijke werken, o. a. het praalgraf van Engelbert II van Nassau in de Groote Kerk te Breda, het daarmee verwante grafteeken van Brederode te Vianen ; bij deze en nog eenige andere monumenten dient men aan buitenlandsche ontwerpen te denken. Maar spoedig versterkt zich ook in Nederland het vermogen om in de nieuwe vormen eigen fantasie uit te drukken. Juist in dit verband is het te betreuren, dat er van een in zijn eigen tijd zoo vermaard beeldhouwer als Willem Tetrode (Tetterode) uit Delft niets meer over is dan enkele prenten naar zijn werk en een omvangrijk materiaal aan oorkonden.

Evenals in de schilderkunst Schorel, Heemskerk en de Haarlemsche Academie den nieuwen vrijen stijl der 17de eeuw eerst hebben mogelijk gemaakt, zoo is ook voor de beeldhouwkunst het pad voor Hendrik de Keyser en de Vianens reeds in dezen tijd voorbereid. Waren deze laatsten ook voornamelijk zilverdrijvers, zoo kan men ze om hun talent, figuren te boetseeren, tot de beeldhouwers rekenen. Van Hendrik de Keyser’s beeldhouwwerken zijn slechts het beeld van Erasmus te Rotterdam, de schitterende tombe van prins Willem I te Delft en wellicht de treffende figuur der Razernij uit ’t Amsterdamsche Dolhuis (thans Nederlandsche Museum), met eenige reliefs, een enkele figuur van het doxaal uit de St. Jan in ’s-Hertogenbosch (thans te Londen, Victoria Albert-Museum) en enkele bustes over. Wij zien in zijn werk denzelfden overgang van de strengere, academisch-stileerende naar de vrijere richting, die wij ook in de geschiedenis der bouwkunst in deze phase konden aan wij zen. Hendrik de Keyser is ongetwijfeld na Cl. Sluter het eerste groote talent onder de Noord-Nederlandsche beeldhouwers; voorzoover wij althans, gezien het geringe materiaal, dat ons is overgebleven, kunnen beoordeelen. Ook in zijn kunst, evenals in die van de Vianens en de Colijns, zijn heel wat buitenlandsche gegevens (Pillon, Biard) verwerkt, maar in zijn realisme is hij geheel Noord-Nederlander gebleven.

In Zuid-Nederland ontplooit zich de stijl spoedig breeder en zwellender, evenals in de architectuur van Franquart. Alle kunstvakken worden beheerscht door den schildertrant van Rubens. Beeldhouwers als Jérôme en François Duquesnoy (f 1641 en 1594—1642), Lucas Faid’herbe (1617—1697) en Artus Quellinus uit Antwerpen — ook werkzaam aan van Campen’s raadhuis te Amsterdam — geven in hun werk soms een soort plastische vertaling van Rubens en Jordaens, evenals dat later van Opstal en Bossuit, de ivoorsnijders, doen. Rombout Verhulst (♱ 1698), die eveneens aan het Amsterdamsche raadhuis werkte, en heel wat pompeuse marmeren praalgraven en bustes heeft gewrocht, is de Noord-Nederlandsche beeldhouwer bij uitstek van den grandiosen Baroktijd, na den vrede van Munster. Zijn stijl doet soms aan dien van Bernini en diens Fransche navolgers denken, maar toch ook weer aan dien van v. d. Helst. Vooral wat de portretbuste aangaat, handhaaft hij het Noord-Nederlandsch realistisch karakter. Ook bereiken de uitingen van praal en uiterlijk rumoer in het Noorden nooit dien omvang, waar de Belgische kerkdecorateurs van het einde der 17de eeuw en in de 18de eeuw, als H. Fr. Verbrugghen, Theodoor Verhaeghen en Delvaux, naar streven, met hun pathetisch-wulpsche vormen en gebeeldhouwde landschap-details, toegepast op kansels, biechtstoelen, orgels en gestoelten.

In het Noorden missen mannen als Bartholomeus Eggers en Blommendael, in den nasleep van Verhulst, de noodige oorspronkelijkheid; Vinckenbrinck blijft, voorzoover wij zijn werk kennen (kansel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam), ten slotte een „sierkunstenaar”. Xavery, in de 18de eeuw, is meer een gemakkelijk werkend, dan een sterk talent geweest. Armer aan beeldhouwers van beteekenis dan de meeste landen van Europa, is echter Noord-Nederland, vooral in de eerste helft der 19de eeuw. Had de monumentale beeldhouwkunst hier nooit dezelfde rol gespeeld als in de Romaansche landen, thans zinkt ook het gehalte van het weinige, dat er is, nog aanmerkelijk. De reactie op de declamatorische bewegelijkheid van den Barok- en Louis XV-stijl, die in België reeds gedurende de 18de eeuw met Jacob Berger begint en door Lambert Godecharle (1750— 1836) sentimenteel wordt doorgevoerd, vindt ten onzent geen sonoren weerklank. Ook tegenover kunstenaars als de klassicist Mathias Kessels (f 1835, bronzen discobool achter ’s Rijks Museum), den leerling van Thorwaldsen, geboren te Maastricht, maar vooral in België werkend, kan in Holland niemand gesteld worden. Evenmin tegenover W. Geefs (standbeeld van Rubens te Antwerpen, 1840), of Eugène Simonis (Gottfried van Bouillon, ruiterstandbeeld te Brussel, 1848), noch tegen Joseph Jacques Dupaju (1823—91), Paul de Vigne (1812— 77), en Karel August Fraikin, 1817—93 (Egmont en Hoorne te Brussel). Niet onbegaafde beeldhouwers, als de gebroeders Stracké, als Royer, kweten zich weliswaar ten onzent met ijver en met meer of minder geluk van hun opdrachten voor enkele standbeelden en bustes.

Lang niet al de bronzen figuren op de Nederlandsche pleinen en straten zijn even ongunstig uitgevallen — indien men ze met hun tijdgenooten elders vergelijkt — als het monument van koning Willem II te ’s-Gravenhage. Maar het gewild klassieke, of liever het gave en gladde, dat sedert het begin der 19de eeuw nu eenmaal een vast beginsel voor de beeldhouwkunst scheen geworden te zijn, een beginsel, waar zij nog aan vasthield ook toen de schilderkunst reeds lang andere wegen zocht, bleef al te hinderlijk, omdat het tegen den aard van het Noord-Nederlandsch talent indruischt. De enkele monumenten, die beter zijn uitgevallen (Joost van den Vondel in het Vondelpark, Willem I op het Plein te ’s-Gravenhage, Spinoza, door Hexamer, in den Haag, Willem de Zwijger te paard vóór het paleis te ’s-Gravenhage, door den comte de Nieuwerkerke), zijn óf door buitenlandsche artiesten vervaardigd, óf lijden aan het bezwaarlijk compromis van naturalistische neigingen en klassicistische stelregels. — Eerst in het laatste kwart der 19de eeuw is, tegelijk met een herleving van de beeldhouwkunst in België onder Frédéric van der Stappen (1843—1910), Jef Lambeaux, Thomas Vinçotte en onder de krachtige naturalisten en stilisten als Constantin Meunier (1831—1904), Minne en Rik Wouters (♱ 1914), ook in het Noorden een nieuwe bloei aangebroken. Op de academische leeraars Bart van Hove en Leenhof, beiden in de Belgische en Fransche school gevormd, volgen Odé en de frisch en zelfstandig scheppende beeldhouwer Zijl, de strenge stijlzoeker Mendes da Costa, voorts Altorf, Tjepke Visser, Thérèse van Hall, Pier Pander, Fr. Jeltsema, van der Hoeff, A. Hesseling en heel wat anderen, terwijl de in Nederland wonende Belg Toon Dupuis telkens voor officieele opdrachten in aanmerking kwam. Vooral Mendes en Zijl hebben de beeldhouwkunst van de academische boeien weten te bevrijden en de aansluiting en hereeniging met het verjongde streven der overige vakken van beeldende kunst tot stand kunnen brengen.

III. Schilderkunst. Voor dezen belangrijksten tak der Nederl. kunst is het in dit bestek nog minder mogelijk, de Zuid- en Noord-Nederlandsche gewesten evenwichtig te behandelen. Wij geven, wat Zuid-Nederland betreft, dus slechts korte parallelen, met het oog op de min of meer gemeenschappelijke ontwikkeling, vóór de scheiding op politiek en godsdienstig gebied intreedt. Ziet men van de voorgeschiedenis der Nederlandsche schilderkunst af, die slechts is af te leiden uit de Miniaturen der handschriften (zie MINIATUREN, NEDERLAND) en enkele fragmenten van muurschilderingen, dan begint het geregeld verloop tegen het einde der 14e eeuw. Wel zijn er ook vroeger geschilderde paneelen bekend, althans worden ze bij gelegenheid in letterkundige producten genoemd, wel is er zelfs sprake van een dertiende eeuwsche schilderschool tusschen Keulen en Maastricht (Wolfram v. Eschenbachs Parcival), maar er zijn geen monumenten bewaard. De resten van muurschilderingen in de abdij van St. Bavo te Gent, een onhandig uitgevoerde voorstelling van den strijd tusschen Goed en Kwaad in de kerk te Westwijtwerd geven slechts een zeer vaag beeld van hetgeen de vroegste schilderkunst vermocht. Veel belangrijker zijn uit de 14e eeuw de wandschilderingen uit de Byloke te Gent en, van 1337, een reeks van voorstellingen met de kroning van de H. Maagd in top in het oude predikheerenklooster te Maastricht.

Deze werken vertoonen echter geheel het karakter van de, meestal beter uitgevoerde, miniaturen uit denzelfden tijd, wat trouwens met het altaar, dat Melchior Broederlam voor de Chartreuse te Dijon schilderde en met een ietwat primitiever stuk ter gedachtenis aan de Heeren van Montfoort, gedateerd 1345 (dikwijls gerestaureerd, het origineel ondanks de dateering nauwelijks vóór 1380 geschilderd, thans Rijks-Museum) eveneens het geval is. In dezen tijd krijgt de overgang zijn beslag van een volkomen spiritualistischen, gestileerden schildertrant, die alles als in het tafereelvlak liggend voorstelde tot den stijl, die in zekere mate met voorstelling van ruimte en diepte werkt en de figuren en groepen in hun ouderwetsch traditioneel- of in modern costuum laat handelen, op een strook grond van eenige breedte, aan den achterkant afgesloten door een gouden, gekleurden, of met ornament versierden achtergrond. Een verdere consequentie van deze, op de verovering van de realiteit-inbeeld gerichte ontwikkelingsphase, hebben wij eerst in het werk van de gebroeders van Limburg (Malouel), die voor een deel te Parijs geschoold waren. Goede voorbeelden van de oudere soort zijn, behalve het genoemde stuk der Heeren van Montfoort, het z.g. leerlooiersgildestuk in de O. L. Vrouwekerk te Brugge en het fraaie altaar, afkomstig uit Zutphen, thans in het Nederl. Museum te Amsterdam. Voorbeelden van den nieuwen stijl vindt men in eenige miniaturen uit de getijboeken van den Hertog van Berry, de z.g. Heures de Chantilly, door Gebr. van Limburg verlucht, en in de Heures de Turin en de Heures de Milan, welke laatste codices vroeger tot één handschrift waren vereenigd (de bladen waar het hier op aan komt, dateeren tusschen 1390 en 1416/17). Men meent in deze laatste miniaturen niet slechts het werk van voorloopers der gebroeders van Eyck te zien, maar dat van Hubert en Jan van Eyck zelve, vóór den tijd van hun officieel debuut met het „Gentsch altaar” (1432). In ieder geval wordt in deze periode de grond voor een volkomen realistische schilderkunst gelegd.

Men blijkt dan in staat de vrije ruimte uit te drukken, het licht, de ronding der figuren, de vertolking van het landschap en de stofuitdrukking bereiken spoedig een zeldzame hoogte. Dit alles wordt nog versterkt, wanneer de olieverftechniek in dezen tijd, volgens overlevering door de van Eycken verbeterd, de Nederlandsche schilders, sedert het eerste kwart der 15e eeuw, in staat stelt hun paneelen hooger lichtkracht te verleenen en schaduw en licht week in elkaar te doen overgaan, wat bij de oude, droge tempera-techniek slechts door fijne harceering mogelijk was. Op die basis bloeit de Vlaamsche schilderschool der z.g. primitieven — een gevaarlijke uitdrukking, die slechts wil zeggen, dat de geleerden, die aan de studie van de geschiedenis der schilderkunst begonnen, verkeerdelijk meenden hier het begin van het schilderen ten onzent te ontdekken. Geenszins beteekent dit woord, dat de techniek of de aesthetische bedoeling van dezen tijd primitief zou geweest zijn; die zijn integendeel zeldzaam ingewikkeld en rijp. Tot de groep van Zuid-Nederlandsche schilders der 15e eeuw behooren tegelijk met en na Hubert en Jan van Eyck (♱ 1440), Robert Campin (de z.g. Meester van Flémalle), en te Brussel Rogier van der Weyden (♱1464), wier beider kunst meer in NoordFransche voorbeelden wortelt. Verder Petrus Christus, die slechts een onzelfstandige navolger blijkt; Dirk Bouts, die, uit Haarlem afkomstig, vroeg naar Leuven trekt (± 14101475) en wiens kunst steeds een afzonderlijk karakter behoudt tegenover die der overige Zuid-Nederlanders, Hans Memling te Brugge, afkomstig uit Mömlingen bij Aschaffenburg (♱1494); Hugo van der Goes (1482) en Justus van Gent, die beiden vooral te Gent hebben gewerkt, Gerard David, die uit Oudewater in Nederland naar Brugge is getrokken en eindelijk nog heel wat meesters van lageren rang, die zich rond deze sterren groepeeren.— Behalve misschien Justus van Gent — zijn er dus geen Vlamen bij.

Brugge, Gent, Brussel en Leuven worden wegens hun meerdere welvaart slechts punten van verzameling voor meesters van heinde en vèr. Natuurlijk is hier geen sprake van een strenglogisch voortschrijden der ontwikkeling. De kunst dezer meesters is zeer persoonlijk; enkelen, zooals Jan van Eyck en Bouts, zijn sterke realisten, anderen zooals Robert Campin en Rogier veeleer stilisten te noemen. Hugo van der Goes karakteriseert en typeert bijzonder scherp, Memling heeft daarentegen iets lyrisch en Gerard David is bovenal een schilder van licht en bruin en een voortreffelijk waarnemer van het landschap. Gemeenzaam is hun de krachtige, bloeiende, soms bijna bonte kleur, de scherpe, meest wat hoekige teekening, de, op het gevoel, meer of minder zuiver toegepaste perspectief en de gladde, uiterst fijn afwerkende, zuivere techniek.

De ontwikkeling heeft onderwijl in NoordNederland een op het eerste gezicht minder luisterrijk verloop. Op Albert van Ouwater van wien wij slechts één werk met zekerheid kennen (Lazarus-opwekking te Berlijn, ± 1430) — volgt daar Dirk Bouts, in zijn vroegste Haarlemsche periode. Wil men naar de afkomst van deze kunst raden — meer is het nog niet — dan kan men die niet goed anders dan eveneens van van Eyck afleiden. Maar terwijl in Zuid-Nederland de manier van Jan van Eyck slechts zoolang domineert als het meer dramatische talent van Rogier van der Weyden het voorbeeld nog niet geeft, blijft de traditie in het Noorden veel vaster. Eenige meesters, wier namen men nog niet kent, doch wier werken men met behulp der stijlkritiek vermag te groepeeren, sluiten zich omstreeks 1470—80 bij de oudsten aan, t. w.: de z.g. Meester der Virgo inter Virgines (Rijks Museum en elders), de Meester van Delft (Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht en elders) en de grootste iaat löe-eeuwsche Meester van Holland: Geertgen tot St. Jans te Haarlem. De ontwikkeling wordt zeer veel duidelijker, als men in staat is den evenwijdigen voortgang met dezelfde karakteristiek-realistische richting en met het sterk accent op het landschap, in de anonyme houtsneden en miniaturen van Hollandsche afkomst uit de tweede helft der 15e eeuw te volgen, wat ons eerst de jongste onderzoekingen beginnen mogelijk te maken.— Onderwijl verplaatst zich het centrum der ZuidNederl. schilderkunst, — evenals handel en welvaart — omstreeks 1500, van Gent en Brugge naar Antwerpen. De meester, die daar den toon aangeeft in het begin der 16e eeuw, is de eenigszins gemaniereerde soms archaïseerende Quintijn Matsijs; technisch is hij reeds vrijer, vooral minder bont; zijn palet vertoont meer gebroken kleuren en teedere grijzen.

Om hem heen zijn te groepeeren schilders als Joos van Cleef d. O. (De meester v. d. Dood van Maria), Joachim Patinir uit Dinant en eenige navolgers en eindelijk een gansche schare van schilders, die in groote werkplaatsen, ware fabrieken, werken: de z.g. „Antwerpsche Manieristen van 1520”, veelal aangeduid als de „Groep van Henri met de Bles”, welke naam echter slechts voortvloeit uit een misvatting, tengevolge van een valsche naamteekening. Van deze Antwerpsche groep uit zijn gemakkelijk vele draden te vlechten naar de Hollandsche schilders van het begin der 16e eeuw. Reeds tusschen Geertgen en Quintijn Matsijs bestaat in de wijze van behandeling der onderwerpen verband. Hechter werd dit toen blijkbaar verscheiden in NoordNederland geboren schilders, evenals vroeger Gerard David en Dirk Bouts, naar Antwerpen trokken (o. a. Jan We(i)llem(n)sz. de Cock, wellicht een bloedverwant van Cornelis Engebrechtsz.). Zoo is het algemeen karakter van de Noord-Nederlandsche schilderkunst omstreeks 1525 weer niet al te zeer verschillend van Matsijs’ school, met dien verstande, dat de schildertrant, de vettere techniek en de meestal kleinere formaten toch eenig onderscheid te weeg brengen. Van Haarlem (Geertgen) gaat de leiding eenigen tijd naar Leiden met Cornelis Engebrechtsz. en zijn grooten leerling Lucas van Leiden over (beiden overl. 1533) en naar Amsterdam waar Jacob Cornelisz. van Oostzanen werkt (♱ 1533).

Naast hem zijn Jan Joost van Calcar, die te Haarlem zijn leertijd had, en de z.g. Meester van Alkmaar (1504) te noemen (7 Werken v. Barmhartigheid in ’s Rijks Museum). Vooral Meester Lucas v. L. geeft aan de Noord-Nederlandsche school een oogenblik een merkwaardigen voorsprong. Zijn ongemeen lichtende, blonde gravures, die hem voor ons tot een voorlooper van Rembrandt stempelen, evenals vele zijner schilderijen en teekeningen (bijbelsche voorstellingen, genre, portretten — Laatste Oordeel, in de Lakenhal te Leiden), doen hem ons kennen als een zeer vroegrijp genie, wiens voetspoor niet aanstonds door anderen wordt gevolgd. Hij is een der eersten, die hier in het Noorden dikwijls met een meer tonalistisch, minder kleurig gamma werkt en wiens toets vaak een illusionistisch effect heeft.

In het verder verloop der 16e eeuw schijnt in Noord en Zuid het verloop der voortschrijdende realistische richting sterk doorkruist door de pogingen van een reeks van schilders, die men als de eerste „Romanisten” heeft geboekt. Zij reizen naar Italië of werken toch naar Italiaansche voorbeelden, teneinde aan de begeerte van hun tijd te voldoen en de nieuw ontdekte schatten der Italiaansche Renaissance hierheen over te brengen. Bij die poging is hun oogmerk tevens gericht op de verovering van heel wat positieve kennis, die tot nu toe ontbrak, terwijl men zich slechts noode met algemeene waarneming had beholpen. Dit geldt vooral voor perspectief en anatomie. Tot deze Romanisten behooren in Zuid-Nederland Jan Gossaert, gen. Jan van Mabuse, en Barend van Orley. De laatste blijft tot zekere hoogte in wisselwerking met Quintijn Matsijs. In NoordNederland behoort Lucas van Leiden zelf er in zijn latere jaren toe; vervolgens de Utrechtsche kanunnik van St.

Marie, Jan van Schorel, die tevens een realistisch portrettist was. Hun techniek berust nog grootendeels op de oude gegevens. Zij nemen echter ornament, architectuur en de plastiek hunner figuren zooveel mogelijk van Italië over. Dit heeft wel eens een zekere gedrongenheid der groepen en composities tengevolge en men heeft over deze kunst derhalve minder gunstige oordeelen geveld. Maar men mag niet vergeten, dat een ruimer ontplooiing, ook wat betreft de formaten der paneelen, doeken en schilderijen of glasvensters, tapijten en dergl., slechts mogelijk was op den grondslag van nauwkeuriger kennis der bovengenoemde hulpwetenschappen, dan waarover men beschikte. Zoo worden deze vroege Romanisten de eerste baanbrekers voor de vrije kunst der 17e eeuw. Zij zoeken reeds in de 16e zelf in die richting, zooals blijkt uit het werk van Maerten van Heemskerk, in het Noorden, — van Jan Matsijs, Frans Floris, Crispia en van den Broeck, Maerten de Vos e. a. in het Zuiden. De meer inheemsche kunst bleef bovendien voortgroeien in allerlei andere takken, waarvan wij hier in de eerste plaats, die van het portret en van de landschapschilderkunst noemen.

Want, nu treedt er geleidelijk overal een splitsing in. In plaats van uitsluitend de gewijde onderwerpen van vroeger, schilderde men nu landschap (waarmee reeds Joachim Patinir uit Dinant als specialist was begonnen), genre, zelfs interieur en stilleven bovendien steeds meer in bruine en grauwe tinten, soms bijna monochroom (Marinus van Roymerswael, Jan van Hemessen, Cornelis Matsijs, Pieter Aertsen, Joachim Beukelaar). Vooral het portret blijft lang iets meer buiten den invloed van Italië (Jan v. Schorel, in het Zuiden Pourbus, later in N.-Ned. Anton Mor (Moro) en, wederom in België, Cornelis de Vos). De geniaalste vertegenwoordiger van de 16e-eeuwsche kunst in het Zuiden, geheel op vaderlandschen bodem staande, maar tevens gebruik makende van bijna alle resultaten der Romanisten en van zijn eigen ondervinding in Italië, is Pieter Bruegel de Oude (overleden 1569), wiens geestelijke voorganger in menig opzicht de op zichzelf staande, ten hoogste met Hugo van der Goes in eenig verband te brengen Brabander Hieronymus Bosch van Aken (♱ 1619) uit ’s-Hertogenbosch is geweest. In P. Bruegel’s werk bereiken landschap en genre — het boerenleven — zoowel als de kerkelijke onderwerpen weer een anderen trap. Ook zijn schilderwijze is breed en rijp geworden. Van zijn kunst gaat veel van de vroege landschapschilderkunst in het einde der 16de eeuw in België, zoowel als in Nederland uit (Vingboons, Gilles van Coninxloo, later Josse de Momper, Wildens, ja zelfs voor een deel ook de 17e-eeuwsche N.-Nederlander Adriaen v. d. Venne).

Bruegel’s gegraveerde voorbeelden (prenten bij Hieronymus Cocq te Antwerpen uitgegeven) van eenvoudige landschappen „ten gerieve van de schilders” zijn nog voor de voorloopers van Jan van Goyen en Molyn, Esaias v. d. Velde, Averkamp en anderen van het grootste belang geweest. Den door de Romanisten der eerste generatie gesponnen draad echter vatten de nieuwe Academici van het einde der 16e en ’t begin der 17e eeuw weer op; wij noemen Bartholomeus Spranger en Otto Veenius in het Zuiden; Cornelis Cornelisz. van Haarlem, van Mander, aan wien wij ook de eerste omvangrijke biographie van Nederlandsche schilders danken, en Goltzius te Haarlem, Abraham Bloemaert, Joachim Wyttewael te Utrecht. Hun voorbeelden zijn thans niet meer Raffael, Michelangelo, Leonardo en zelfs de oudere Pollajuolo, maar Correggio, Parmegiannino, Bronzino de Caraccis en later de clair-obscure-schilder Carravaggio. In ’t gevolg van den laatste behooren vooral Terbruggen, Baburen en Honthorst. Al deze kunstenaars vereenigden zich tot eclectische scholen op de manier van de academies te Bologna en elders. Aan hun werk is in onzen tijd hetzelfde lot ten deel gevallen als aan dat van hun geestelijke voorgangers in Gossaerts dagen. Men heeft er slechts het gemaniereerde, het uitheemsche in willen zien en dat veroordeeld, Thans ziet men in, dat ook deze hoogste klasse der voorbereiding, als men het zoo mag noemen, noodzakelijk was, om het gemak van figuurschilderen en composeeren mogelijk te maken, waar men gedurende de geheele 16e eeuw naar streefde. Maar bovendien erkent men tegenwoordig, dat, ook geheel op zichzelf beschouwd, die gestileerde figuren en gezochte kleuren een decoratieve waarde hebben, die dikwijls van een zeer hoog aesthetisch gehalte is, al heeft de opvatting met de meer objectieve navolging der werkelijkheid niets te maken.

Wèl heeft men die beteekenis vroeger ingezien wat aangaat het grafisch werk (prenten van Goltzius, de Gheyn e. a.) dan wat betreft de schilderijen, en men is tot de erkenning van de waarde van het decoratieve natuurlijk eer bereid geweest, waar het ontwerpen van vensters gold (de Goudsche glazen van de Crabeths) dan gewone schilderijen. Een lichten neerslag van die gezochte academische „welstandigheid” bespeurt men later nog bij schilders, die overigens meer tot de realisten worden gerekend. In de eerste plaats natuurlijk bij P. P. Rubens zelf, den genialen leidsman voor de geheele 17e eeuw in België. Maar ook bij meesters als Frans Hals, Dirk Hals, Willem Buytewech, A. van der Venne, e. a. Die geheele allure in de schilderkunst valt dan in Holland samen met veel uitheemschen (Spaanschen en Franschen) invloed, een zeker internationalisme, dat tegelijkertijd door dichters als Bredero (Spaansche Brabander) bespot wordt of het werk van anderen, als b.v. Hooft, doorstraalt. Van deze periode af wordt de NoordNederlands die schilderkunst meer en meer zelfstandig. De statieuse, ruischende, dikwijls kerkelijk-feestelijke pronk van Rubens en zijn opvolgers (v. Thulden, Diepenbeek, e. a.), de weeke elegantie van Anton van Dijck en Gonzales Cocques blijven haar voorloopig vreemd, evenals de rumoerige gulzigheid van Jordaens. — De republikeinsche zelfstandigheid der provinciale en stedelijke kringen en de sterke individualiteitszucht van het ras verwekken in het Noorden een groot aantal groepen en kleine scholen. Amsterdam speelt — met Haarlem, Leiden, Delft en den Haag — de hoofdrol in dit verband; daarnaast komen Utrecht, Dordrecht en andere steden in aanmerking.

De verder en verder gaande splitsing van het vak zelf teekent zich eveneens af. De portretkunst, die den stempel van A. Moro, Heemskerk en gewestelijke schilders droeg, wordt voortgezet door mannen als Michiel Miereveld, Paulus, Moreelse, Van der Voort, Jan v. Ravesteyn, Thomas de Keyser, Nicolaes Elias en Frans Hals. — Tegelijk verkrijgt een enkele tak van de portretkunst steeds meer zelfstandige beteekenis, nl. het portret van de groep. Schutters, regenten en regentessen, anatomische colleges en geheele families laten zich in hun onderlinge bijeenkomsten vereeuwigen. Ook dit kunstvak heeft zijn voorgeschiedenis, die bij de groepen der St. Jans Heeren van Geertgen begint, door Schorels Jerusalemvaarders wordt vervolgd en met Dirck Jacobsz, Cornelis Theunissen en Dirck Barentz, met Aert Pietersz, Corn. Ketel, P. Isaacs en anderen reeds omstr. 1600 een zekere hoogte en een vaste traditie heeft bereikt. Dan nemen schilders als Werner Valckert, Elias, Santvoort, van der Voort, Thomas de Keyser en Frans Hals, ook dit werk over. Zelfs Rembrandt’s Anatomische Les en Rembrandt’s z.g. Nachtwacht moet men evenals van der Helst’s groote schutterstukken tot deze rubriek rekenen, al staan zij qualitatief vèr boven het meeste overige werk.

En met de laatstgenoemde schilders is de reeks der portrettisten van groepen geenszins uitgestorven. Ook Govert Flinck, Ferdinand Bol, Jan de Baan, Ochtervelt, in de 18e eeuw o. a. Luberti, Quinckhardt en Cornelis Troost hebben regentenstukken geschilderd. — Goede portretten van enkele personen hebben, behalve de meeste voorgaande kunstenaars nog geleverd: Verspronck, Carel Fabricius, Abraham de Vries, van den Tempel, Honthorst, Nicolaes Maes, Netscher, e. a. Maar de populaire en gevierde portrettist bij uitnemendheid voor het patricisch Amsterdam van het midden der 17e eeuw is Bartholomeus van der Helst geweest, daar hij aan de grootst mogelijke vaardigheid die mate van flatteuse oppervlakkigheid en schijnbare objectiviteit paarde, die alleen een groot publiek bekoort. — Het landschap, dat in Zuid-Nederland, waar enkele zeer goede landschapschilders zijn te noemen, zooals: Jan Sieberechts, Jan Wildens en Lucas van Uden, door Rubens’ voorbeeld, dikwijls zekeren decoratieven zwier vertoont, wordt in het Noorden meer intiem opgevat. In het begin van de 17e eeuw begint men, betrekkelijk nuchter, de natuur van het eigen land weer te geven. Leiding geven hier meesters als Hendrik Averkamp met zijn watergezichten, Esaias van de Velde, Willem Buytewech, Arent Arentsz gen. Cabel — terwijl Roelant Savery, Gillis de Hondecoeter, Adriaan van de Venne meestal het meer ingewikkeld gebouwde en romantische, aan Vlaamsche voorbeelden herinnerend landschap verkozen, bij hun kleurige stoffeering, die ook voor een deel uit de school van Jan Breughel en de Franckens kon worden afgeleid. De richting van het realistische landschap, met al zijn wisseling van licht op verschillende momenten van dag en nacht, wordt voortgezet en uitgebreid door schilders als Aert van der Neer (maneschijn-, ijs- en riviergezichten), Jan van Goyen, later door Adriaen van de Velde en Paulus Potter, terwijl andere groote landschapschilders als Alaert van Everdingen (1621—1675), bovenal echter Jacob van Ruysdael (1628—1682), M. Hobbema (1638—1709), Albert Cuyp (1620—1691) en Vermeer van Haarlem, het bezonken realisme van hen, die zuiver Nederlandsche motieven kozen, vaak opnieuw weten te verbinden met een grootsche compositie en soms met de keuze van buitenlandsche tafreelen. — Rembrandt (1606— 1669), wien geen enkel van de genres, waarop anderen zich soms angstvallig specialiseerden, vreemd was, heeft ook voor de geschiedenis van de landschapschilderkunst in Nederland natuurlijk groote beteekenis. Zijn beurtelings romantisch verlichte of realistisch getypeerde landschappen (Rijks Museum, Bronswijk, Cassel; ook zijn etsen en teekeningen zijn hier van groot gewicht) oefenden evenals elk deel zijner kunst veel invloed uit (b.v. op Philip de Koning, maar evenzoo op Jan van Goyen, in een bepaalden tijd en middellijk op zeer vele anderen).

Als zijn voorlooper, wat, in enkele opzichten, de visie op het landschap betreft, kan men Hercules Seghers noemen. Specialisten der landschapschilderkunst legden zich toe op het stadsgezicht en het zee- en schepenstuk. In het eerste vak onderscheiden zich vooral Jan van der Heyde en de beide Berckheydes, wier beste kunst ver wordt overtroffen door de twee stadsgezichten, die ons van Jan Vermeer van Delft bekend zijn (Mauritshuis en Rijks Museum). Met het tweede hebben zich zeer veel schilders beziggehouden. De reeks begint reeds omstreeks 1600 met Aert v, Antum, Willaerts, Vroom, dan Willem v. d. Velde den Oude, Jan Porcellis, verder Simon de Vlieger, Jan van de Capelle, Dubbels, Reinier Nooms, Willem van de Velde de Jonge, Ludolf Backhuysen, Abraham Storck. — Een enkele maal heeft ook Abraham van Beyeren, de stillevenschilder, bewezen een uitstekend zee-schilder te zijn. — Tenslotte is er een afzonderlijke groep van landschapschilders te vermelden, die men als een derde groep van Romanisten zou kunnen beschouwen, daar zij de gevallen voor hun landschappen en stoffeering geheel of gedeeltelijk in Italië zoeken en zich onwillekeurig daardoor meer aansluiten bij den kleurigen en meer monumentaal-decoratieven landschapstijl der Zuid-Nederlandsche school, zooals die daar sedert Paul Bril en de Breughels traditioneel was gebleven. Tot deze richting behooren o. m. Jan Both, Pynacker, Lingelbach, Willem de Heusch, Hackaert, de Moncheron, en, tevens als figuur- en dierschilders, Nicolaes I Berchem, Jan Miel, Karel Dujardin, Jan Asselyn, Dirk van Bergen.

De genre- en binnenhuis-schilders der 17de eeuw zijn eveneens gemakkelijk in groepen te overzien. Vooreerst de schilders van „banquetgens”, danspartijen en ook wel van wachtlokalen met soldaten („kortegaerden’ = corps-de-garde), die vooral van Haarlem en van den kring van Hals uitgaan. Dirck Pot, Jan Ducq, Duyster, Codde, Terborch in zijn vroegen tijd, hebben zich vooral met de laatstgenoemde stof beziggehouden. De festijnen schilderden meer Dirck Hals, de beide Palamedes, soms Esaias van der Velde. Verder vindt men de boere- en volk-schilders als Adriaen van Ostade, Adriaen Brouwer, Jan Miense Molenaer, later Cornelis Dusart, Bega, Diepraam e. a. m. Hun zwakkere mededingers in België zijn vooral de beide David Teniers (de jonge en de oude) geweest. Als meesters van het genre in de meer gegoede kringen der burgerij, mede als de grootste binnenhuisschilders, niet slechts van de 17de eeuw, maar van alle tijden, verdienen Pieter de Hoogh (1639—82), Jan Vermeer van Delft (1632—75), Gabriël Metsu (1630—67), Gerard Terborch (1617—87), Quirijn G. Brekelenkam (1620—68) in de eerste plaats te worden genoemd. Zij hebben hun minder krachtige medestanders en navolgers. Het decoratieve arrangement van dood wild en jachttropheeën vindt zijn vertegenwoordiger in Jan Weenix (1640—1719), Vonk, Leliënbergh e. a. Als dierschilders zijn Melchior d’Hondecoeter en Giacomo Victor (♱ 1705) naast Paulus Potter (1625—54) en Philips Wouwerman (1619—68), de paardeschilder, te vermelden.

Maar zelfs titels als „intérieur” en „architectuur” zijn nog te algemeen voor de rubrieken van specialisten van dezen tijd, die ieder soort tot het allerhoogste trachtte op te heffen. Men denke aan kerkschilders als de beide Neeffs (1577—1660 en 1620—55), aan G. Houckgeest (1600—1661) en Emánuël de Witte (1617—92), aan die fantastische bouwmeesters op paneel en doek, die als Bartholomeus van Bassen (1590—1652), Dirck van Delen (1605—71), Hendrik Steenwijck (1550—1603) e. a., de stoutste verbeeldingen van Vredeman de Vries (1527— n. 1604) met hun kleur en stoffeering van anderen meer leven trachtten in te blazen dan de zwarte gravures eraan konden verleenen. — Rembrandt (1606—69) staat, als hij eenmaal zijn volle meesterschap bezit, geheel zelfstandig tusschen deze school. Zijn kunst mag wel veel kracht geput hebben uit de door mannen als Elsheimer vrijer overgeleverde manier van de Caracci en Caravaggio, uit het werk van Jac. Pynas (geb. 1590), P. P. Lastman (1583—1633), uit Hercules Seghers’ (♱ na 1648) prenten en uit zeer veel uitheemsche kunst. Hij heeft toch onmiddellijk zijn Hollandsch karakter gehandhaafd, zoowel in zijn schilderwerk, als in zijn etsen en teekeningen. Hij heeft niet alleen, wat landschap en portret betreft, waar wij boven reeds over spraken, maar in alle richtingen invloed gehad door zijn wijze van verlichten (Nicolaes Maes, 1632—93, A. Cuyp), zijn manier van teekenen en zijn schildertechniek en opvatting. Men behoeft daarbij niet eerst in de eerste plaats aan zijn onmiddellijke medeleerlingen en leerlingen te denken, die meestal uitteraard slechts een zeer beperkt programma hadden (Gerard Dou, 1613—75, Jan Lievensz., 1607—74, G. v. d. Eeckhout, 1621—74, S. Koninck, 16.09— 56, J. de Wet, 1610— n. 1671, Ferd. Bol, enz.) en onder wie bovenal Aert de Gelder (1645—1727), ondanks zijn afhankelijkheid, een merkwaardige individualiteit heeft weten te bewaren. — In het laatste kwart der 17e en 't begin der 18e eeuw verandert de smaak van het publiek sterk.

De Fransche invloed domineert meer en meer. De decoratieve stijl uit de school van Lebrun en Mignard vindt, door mannen als Adriaen van der Werff (1659—1712) en den academicus Gerard de Lairesse (1640—1711), in zekeren zin ook reeds door het late werk van van der Helst (gest. 1670) en Nicolaes Maes (♱ 1693) aangekondigd, hier ingang. Die stijl past bij het rijke, overdadige leven van die dagen, vindt voor een groot deel toepassing in de weeldiger particuliere en profane bouwwerken. Een der geniaalste decorateurs van dien tijd is Jacob de Wit (1695—1754) geweest. In het verloop der 18e eeuw zinkt het peil langzaam. Wel wordt de overlevering nooit afgebroken, zoo blijft o. a. Cornelis Troost (1697—1750), als behoorlijk portrettist en vermakelijk illustrator in het groot, te vermelden; maar wat er van de landschapschilderkunst, van het binnenhuis, het genre overblijft, dat zijn voornamelijk onmiskenbare varianten op hetgeen groote voorgangers hadden gegeven. Men bewaarde, niet zonder zekere benepenheid, den ouden schat. Tot deze overleveraars behoorden o. a. Abraham (1753—1826) en Jacob van Strij (1756—1815) en Aert Schouman (1710—92).

Onder de illustratoren en technische talenten zijn Jacob Buys (1724—1801), Ploos van Amstel (1726—98) en R. Vinkeles (1741—1816) te noemen. Het heroïeke en militaire genre van den klassicistischen tijd omstreeks 1800 heeft in Noord-Nederland weinig invloed gehad, al kan men er in het werk van Jan Willem Pieneman (1770—1853) en Cornelis Kruseman (1797—1854), zelfs bij P. J. van Os (1776—1839) den neerslag van ontdekken. Naast de wat uiterlijk op het grootsche aangelegde kunst der beide eerstgenoemden bleef de aloude ontwikkeling zwak nawerken in de kunst van portrettisten als Charles Howard Hodges (1764—1837) en Daiwaille (1766— 1822), in die der landschapschilders als J. Hulswit (1766—1822), Johannes Hermanus Koekkoek (1778—1851), Barend Cornelis Koekkoek (1803—62), Wouter Johannes Troostwijk (1782— 1810); zelfs Andreas Schelfhout (1787—1870) en J. C. Schotel (1787—1838) behooren nog in deze reeks. Tevens kan men een duidelijke inwerking der Romantiek constateercn. Eén der gewichtigste vertegenwoordigers dezer richting, Ary Scheffer (1795—1858), verkreeg zelfs korten tijd, vooral door zijn verblijf te Parijs, een internationale vermaardheid. Maar reeds W. J. Nuyen (1813—39) trachtte ook de techniek, die in een bekrompen behoefte naar gladde gaafheid dreigde vast te loopen, weer eenigszinste bevrijden. In het midden der eeuw heeft Johannes Bosboom (1817—91), de leerling van J. v. Hove, reeds een ruimen stijl bereikt en weldra zou de veel later bekend geworden Joh. Barth.

Jongkind (1819—91) den weg wijzen, waarop in het laatste derde der 19e eeuw de Fransche luministen hun doel trachtten te bereiken. — De ontwikkeling der groote schilderkunst in Frankrijk in de dagen der zoogen. school van Barbizon heeft op vele Noord-Nederlanders invloed gehad en de groep, die men de Haagsche school pleegt te noemen, omdat een groot aantal schilders, die als de voornaamste figuren der Nederlandsche kunst gelden, omstreeks 1860—90 in Den Haag woonden, is in menig opzicht aan Fransche voorgangers verplicht, al wortelde haar kunst anderzijds toch wel degelijk in de Nederlandsche traditie, die immers in een vroegere periode der 19e eeuw ook aan de B'ransche kunst zooveel had geschonken. Als één der zelfstandige, minder bekende voorloopers van het Haagsche impressionisme is A. Gerard Bilders (1838—65) te beschouwen. Josef Israëls (1824—1911), die later, wat het technische betreft, nog wel tot de Haagsche school gerekend moet worden, is van huis uit eer een romanticus-bewonderaar van Ary Scheffer en leerling van Pieneman en Kruseman. — Als de eigenlijke vertegenwoordigers der Haagsche school beschouwt men Jacob Maris (1837—99) en Willem Maris (1844— 1910) — Mathijs Maris (1834—1917), hoewel oorspronkelijk nauw aan Jacob verbonden, zocht later in Engeland toch andere wegen. — Ook Bosboom behoort er toe om zijn later werk. Anton Mauve (1838—88) maakt er deel van uit; verder H. W. Mesdag (1831—1915), J. Weissenbruch (1824—1902), J. Albert Neuhuys (1844—1914), B. J. Blommers (1846— 1914), Théophile de Bock (1851—1904) e. a. m. — De oudere, uiterlijk meer aan de 17de-eeuwsche voorgangers herinnerende wijze van genre- en figuurschilderen, is ook in de 19e eeuw nog voortgezet door David J. Bles (1821—99) en M. Bakker Korff (1824—82). Iets meer in Zuid-Nederlandsch modernen trant door de gebroeders David (1892—1902) en Pieter Oyens, (1842—94) terwijl Aug. Allebé (geb. 1838), die lang directeur van de Koninklijke Academie van K. te Amsterdam geweest is en vele latere schilders onder zijn leerlingen telt, een scherp observeerendc, gedistingueerde schildersfiguur is, die bij uitstek als meester van kleine, soms lichtelijk romantisch getinte kabinetstukken is te noemen. Waar de geniale Jongkind (1819— 91) een innige verbinding der Nederlandsche schilderkunst met Frankrijk tot stand bracht, die later door de machtige persoonlijkheid van Vincent van Gogh (♱ 1890) nog zou versterkt worden, daar is het verband met de Engelsche kunst gelegd door den teederen droomer Thijs Maris. Slechts om zijn verblijf in Engeland en zijn verwantschap in voorstelling en vorm met sommige Engelsche schilders zij hier ook de leerling van Leys te Antwerpen, Sir Laurens Alma Tadema (geb. 1836), genoemd.

Een nieuwe kracht gaat in het laatste kwart der 19e eeuw uit van G. H. Breitner (geb. 1857), een der sterkste impressionisten, die men nog tot den nabloei der Haagsche school pleegt te rekenen, evenals Isaack Israëls (geb. 1865), Suze Bisschop-Robertson (geb. 1857), Geo Poggenbeek (1853—1908), W. B. Tholen (geb. 1860), W. de Zwart (geb. 1862), M. van den Maarel (geb. 1857), Bastert (geb. 1854), F. H. Verster (geb. 1861), M. A. J. Bauer (geb. 1864), tevens etser van groote beteekenis, en nog vele anderen. — Behooren al deze schilders, althans gedurende een bepaalde periode van hun leven, tot de breedrealistische of de impressionistische richting, met Vincent van Gogh, die eerst laat in Nederland zelf werd erkend, sluit dit impressionisme af en verandert het in expressionisme. Het psychisch-subjectieve element treedt sterker naar voren, tevens verandert de techniek; de bezonken vorm en de diepe toon maken plaats voor een sterke schittering en feller beweging. Gelijktijdig is omstreeks 1890 een, vooral van Amsterdam uitgaande, meer teekenende, op den zuiveren omtrek en het decoratieve vlak-effect afgaande richting te bespeuren. J. P. Veth (geb. 1864), de portrettist, tevens de woordvoerder in alle aangelegenheden die het nieuwe programma betroffen, scherp criticus en voortreffelijk schrijver, behoort met Haverman (geb. 1857) en den naar monumentale oplossingen zoekenden Derkinderen (geb. 1859) tot deze groep. De laatste volgde A. Allebé op als Directeur der Rijks-Academie voor B. K. In los verband zijn hiertoe nog de als schrijver en als schilder veelzijdige Jacques van Looy (geb. 1858), voorts Jan Voerman (geb. 1867), Ed. Karsen (geb. 1860) en W. Witsen (geb. 1860) te rekenen, tenslotte Meiners (1854—1903), Roland Holst van der Valk (geboren 1857) en Deijsselhof (geboren 1866). Onder voorzitterschap van Jan Veth richtten de jongeren te Amsterdam reeds 1885 de Nederlandsche Etsclub op, die voor velen van hen een middelpunt vormde, dat eenigszins kan vergeleken worden bij hetgeen de Haagsche „Teekenmaatschappij” van vroeger dagen voor de Haagsche school en haar waterverfkunst geweest was. — Jan Toorop (1860 geb. op Java) is als vurig impressionist, weldra neo-impressionist, in den trant der Brusselsche „Vingt” begonnen, maar werd spoedig een der leiders van de meer spiritualistische richting. Symbolist en expressionist, lichtschilder als hij het verkiest, beurtelings teeder en scherp, dan weer heroïseerend portrettist, tevens begaafd met veel monumentaal-decoratief begrip, behoort hij, met den vroeg gestorven Vincent van Gogh, tot de sterkste kunstenaars der 19e en het begin der 20e eeuw in Nederland.

Een overtuigd luminist is Hart. Nibbrig (1866—1915) geweest. In de laatste 10 jaren kwam ook het rijpe synthetizeerende talent van W. van Konijnenburg eerst tot volle ontplooiing. Onder de talrijke schilders en etsers, die de wending tot allerlei nieuwe formules en richtingen voorbereidden en meemaakten, noemen wij hier nog Johan Thora Prikker (geb. 1869), Daalhof, Moulijn, Edz. Koning, Jan Sluyters, Dercksen en Angeren, en eindelijk van Dongen, die echter geheel te Parijs werkt en zich als Parijzenaar schijnt te beschouwen. Ook de allerjongste stroomingen, die der neo-expressionisten, neo-symbolisten, kubisten, futuristen en essentialisten of dynamisten hebben, als overal in Europa, in Nederland hun vertegenwoordiger. Wij noemen hier nog slechts als voorbeeld : van der Lek, Mondriaen, Schelfhout, Kikkert, Theo van Doesburg, Wiegman en E. Wichmann.

Ook de sierkunst is sedert het einde van ’80 weer in eere hersteld. Niet alleen is men op het pad, dat Dr. P. J. II. Cuypers in zijn ontwerpen reeds had betreden — maar dat voor de uitvoerders in zijn tijd veelal te steil bleek — verder gegaan, maar er was, in verband met de kentering in de bouwkunst, na Cuypers een geheel nieuwe inrichting voor woonhuizen en openbare gebouwen noodig. De keramische industrie begon zich weer tot een zelfstandige kunst te ontwikkelen: Joost HooftLabouchère te Delft, Rozenburg in den Haag (Colenbrander) en veel andere fabrieken waren voorgegaan. Hoekers’ kleine fabriek te Amsterdam (van der Hoef), al heeft ze slechts kort bestaan, zocht met ijver naar nieuwe vorm- en siermotieven.

Tapijtfabrieken als Kralingen en Deventer volgden het voorbeeld. Voor de meubelkunst trachtten Jacques v. d. Bosch, Willem Penaat, Nieuwenhuis, Lion Cachet en vele anderen eveneens aan de nieuwe behoefte te voldoen. Chris Lebeau leverde schitterende batiks naar eigen ontwerp, Duco Crap cretonne patronen ; Hoytema bleek een onuitputtelijk vindingrijk illustrator en dierteekenaar te zijn. Nieuwenkamp, Veldheer, George Reuter e. a. treden als grafische kunstenaars naar voren. De Roos wendt zijn zorgen aan de typographie.

J. Eysenlöffel, Zwollo, C. Begeer, Jan Brom (j) en Jan Eloy Brom treden op als ontwerpers en gedeeltelijk als uitvoerders van voorwerpen in edele en onedele metalen. Als décorateurs hebben Roland Holst, Derkinderen, Jongert, Wijdeveld en a. m. belangrijken arbeid geleverd.

Litteratuur. Afgezien van de reeds elders bij de verschillende biographieën en bij de artikelen : Bouwkunst, Beeldhouwkunst, Schilderkunst, Romaansch, Gotiek, Renaissance, Barok, Miniaturen, enz. aangehaalde werken, zijn hier nog te vermelden : Voor algemeen overzicht, de hoofdstukken in Michel’s Histoire de 1’Art; in het Handbuch der Kunstwissenschaft Red. E. A. Brinckmann ; A. Philippi, Die Kunst des 15. und 16. Jahrh. in Deutschland und den Niederlanden (Leipzig 1898). Verder uit de serie: „Ars Una”: L’Art Flamand, door Max Rooses (1914), met zeer uitvoerige litteratuur.

Voor de Bouwkunst: J. Ysendyck, Documents classés de l’Art dans les Pays-Bas (Antwerpen 1880) ; Schaye’s Histoire de l’Architecture en Belgique (Brussel 1852) ; Weissman, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (1912), niet zonder de bespreking van dit boek, verschenen in De Gids van dat jaar, van de hand van Jan Kalf, te raadplegen. De verschillende tot nog toe verschenen : Voorloopige lijst(en) van de Monumenten uitgegeven door de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg (volledig is nog slechts verschenen : Jan Kalf, De voormalige Baronie van Breda). Van Arkel en Weissman, Noord-Hollandsche Oudheden (Amsterdam, Ten Brink en de Vries) ; Galland, Geschichte der hólland. Baukunst und Bildnerei im Zeitalter der Renaissance, der Nationalen Blüte und des Klassicismus (Frankf. a. M. 1890) ; Krook, Die Architectur der Niederlande, Lichtdrucktafelwerk (1894) ; A. Jolles, Alt Holland ; Henri Evers, De Architectuur in haar Hoofdtijdperken ; Sluyterman, Oude Binnenhuizen in Nederland ; Sluyterman, Oude Kasteelen ; J. H. W. Lehman, Het Stadswoonhuis gedurende de laatste 25 jaren (M. Nijhoff, 1920) ; Bulletin van den Ned. Oudheidk. Bond, passim.Beeldhouwkunst: Dr. R. Ligtenberg, O. F. M., Die Romanische Steinplastik in den Nördl.

Niederl. (Haag, M. Nijhoff); A. Pit, La Sculpture hollandaise au Musée National d’Amsterdam ; A. Pit, Inleiding tot den Catalogus van de Beeldhouwkunst in het Nederl. Mus., 2e druk; Vogelsang, Die Holzskulptur in den Niederlanden, I en II (Utrecht, Oosthoek); Kleinclaus, Claus Sluter Paris. Libr. ancienne et moderne ; R. Graul, Beiträge zur Gesch. der dekorativen Skulptur in den Niederlanden während der ersten Hälfte des 16. Jahrh. (Beitr. zur Kunstgesch., Neue Folge, Leipz. 1889); J. Six, Hendrik de Keyser, Jaarboek van het Oudheidk. Genootschap te Amsterdam en het Bulletin v. d. Oudheidk. Bond; M. v. Notten, Rombout Verhuist. Voor de 19e eeuw, zie vooral Elsevier’s Maandschrift (Mei 1906), Onze Kunst, passim, het tijdschrift Wendingen.

Schilderkunst: „Ars Una”, als boven, en de daar voor Zuid-Nederl. aangeh. litteratuur. Voor Noord-Nederl., zie de zeer uitvoerige litteratuuropgave in Woltmann en Woermann, Gesch. der Malerei en bij Woermann, Gesch. der Kunst aller Zeiten und Völker, wiens auteurs-register het gemakkelijk vinden der titels waarborgt ; Wilhelm Bode, Studien zur Geschichte der holländischen Malerei (nieuwe veel verbeterde uitgave: Die Meister der Holl. u. Vläm. Malerei (1919 Leipzig, Seemann) ) ; A. Bredius, Die Meisterwerke des Rijks-Museum zu Amsterdam; W. J. Steenhof, Nederlandsche Schilderkust in het Rijks-Museum ; Fromentin, Les Maîtres d’autrefois; Havard, La Peinture hollandaise. Tijdschriften : Oud-Holland, Bulletin v. d. Oudheidk. Bond, sedert 1921 herdoopt tot „Jaarboek”, Onze Kunst, Oude Kunst, Bremmers Beeldende Kunst. — Voor de moderne schilderkunst, vooral tijdschriftartikelen (Elsevier’s Maandschrift, Onze Kunst, "Wendingen en De Stijl); „Beeldende Kunst”, uitgegeven door A. Plaschaert’s gebund. opstellen, vooral zijn werken over Toorop en Jac. Maris, Just. Havelaar.

Geschiedenis. Men kan de geschiedenis van Nederland verdeelen in de volgende tijdvakken :

I. de z.g.n. vóórhistorische tijd, welke eindigt met ’t begin van onze jaartelling ;

II. van ’t begin onzer jaartelling tot 1598, een periode, die men onderverdeelen kan in : a. van ’t begin onzer jaartelling tot de 5e eeuw waarin N. deel uitmaakt van het Romeinsche rijk ; b. van de 5e eeuw tot de 10e eeuw, een tijdvak, dat de jaren omvat, waarin verschillende Germaansche stammen deze landen binnendrongen en achtereenvolgens beheerschten;

van de 10e eeuw tot 1428, periode waarin zich hier verschillende kleine staatjes vormden, die in een leenverband stonden tot ’t Duitsche rijk en ten slotte voor een deel opgingen in den Bourgondischen staat; d. van 1428 tot 1598, tijd, waarin die staatjes, welke nog zelfstandig waren, opgingen in de Habsburgsche monarchie, welke den Bourgondischen staat in zich opgenomen had.

III. van 1598 tot 1795, het ontstaan en de ontwikkeling van een onafhankelijken Nederlandschen staat.

IV. van 1795 tot 1813, waarin Nederland eerst in een vazalverhouding staat tot Frankrijk en daarna deel uitmaakt van ’t Fransche rijk.

V. van 1813 tot heden, waarin de vorming en ontwikkeling van ’t kon. N. plaats vindt.

Het vóórhistorische tijdvak.

N. is bevolkt geworden in het neolithische tijdperk. Uit vondsten, die men in den bodem heeft gedaan, is gebleken, dat de cultuur van West-Europa hier in aanraking kwam met die van Noord-Europa. Zoo vertoonen bijlen van vuursteen, gevonden in Zuid-Limburg, overeenkomst met die, welke men in Frankrijk en België had aangetroffen, terwijl bijlen van groensteen, welke afkomstig zijn uit Drente en uit denzelfden tijd als de Limburgsche vuursteenbijlen moeten dagteekenen, punten van overeenkomst vertoonen met soortgelijke bijlen uit Noord-Europa. In een volgende periode waren de hooger gelegen deelen in N.: Drente, 't Oostelijk deel van Friesland, Overijsel, Veluwe, Utrecht en Limburg, bevolkt. De menschen uit dezen tijd begroeven hun dooden in de z.g.n. hunebedden, die men nu nog in Drente vindt of in z.g.h. ronddolmen, waarvan de Vuursche nog een rest zou zijn.

Uit het gevonden aardewerk blijkt, dat de bewoners dezer landen onder den invloed van de Noord-Europ. cultuur stonden. Dit was ook ’t geval in een volgend tijdvak, toen men de dooden niet meer begroef in ganggraven, maar bijzette in grafheuvels, oorspronkelijk bestemd voor één persoon, maar later gebruikt voor meerdere. De Noord-Eur. cultuur moest echter langzamerhand plaats maken voor een andere cultuur, die zich kenmerkt door het voorkomen van den z.g.n. klokbeker, ook het brons doet dan zijn intrede, maar daarnaast wordt nog steen gebruikt. Tot welke rassen of volkerengroepen de hier wonende menschen behoorden, is niet met zekerheid te zeggen.

Te oordeelen naar den oorsprong van namen van rivieren en plaatsen, lijkt het waarschijnlijk, dat in ons land een tijdlang Keltische stammen gewoond hebben, die dan verdrongen zouden zijn in de laatste eeuwen vóór t begin onzer jaartelling door Germaansche stammen. Althans in de laatste eeuw vóór Christus woonden hier Germaansche stammen als de Friezen in ’t Noorden, de Bataven tusschen Ouden Rijn en Maas, Kaninefaten langs de kust der Noordzee, terwijl bezuiden de Maas de Keltische Menapiërs woonden. Wegens de moerassige gesteldheid van den bodem moet ons land slechts dun bevolkt zijn geweest.

Van ’t begin onzer jaartelling tot 1588. a. De periode, welke omvat den tijd liggende tusschen ’t begin onzer jaartelling en de 5e eeuw n. C. Omstreeks 60 v. C. had de Rom. veldheer Julius Caesar Gallië en België voor het Romeinsche rijk veroverd, waardoor deze staat de aan de rechterzijde van de Maas en Rijn wonende Germaansche stammen tot naburen kreeg. Ten einde de pas veroverde gebieden voor invallen dier Germanen te kunnen vrijwaren, was het voor de Rom. noodzakelijk het land tusschen Rijn en Elbe te onderwerpen. Julius Caesar heeft dit niet kunnen volbrengen en ook in de jaren, die op zijn dood (44 v. C.) volgden, waarin ’t Romeinsche rijk geteisterd werd door burgeroorlogen, was er geen denken aan, dat dit doel verwezenlijkt zou kunnen worden. Eerst toen de rust in het rijk hersteld was, trof keizer Augustus de noodige maatregelen om de landen tusschen Rijn en Elbe te veroveren. Aan de Rijngrens werden troepen geconcentreerd, welke in 13 v. C. onder bevel kwamen te staan van Drusus, die langs den linker Rijnoever een weg liet aanleggen, op verschillende plaatsen beveiligd door sterkten (o. a. Noviomagus, het tegenw. Nijmegen). Tusschen den Rijn en het meer Flevo werd de bestaande verbinding verbeterd en beschermd door de sterkte Flevus. In 12 v. C. begon Drusus zijn opmarsch, die wel in ’t begin succes opleverde door de onderwerping van Bataven en Friezen, welke verplicht werden tot het leveren van contingenten hulptroepen en gidsen, maar verder geen resultaat heeft opgeleverd.

Even weinig resultaat hadden de tochten van Tiberius, die de Kaninefaten onderwierp (4 n. C.) en waarschijnlijk een houten weg heeft laten maken door de moerassen in 't Oosten van ons land, waarvan men overblijfselen gevonden heeft bij Valthermond. Na de nederlaag in het Teutoburgerwoud (9 n. C.) zien de Rom. van verdere pogingen af om ’t land tusschen Rijn en Elbe te onderwerpen, maar blijven zij deze landen bezet houden met het oog op het beheerschen van de verbinding met Brittannië, ondanks de pogingen van de Friezen (28 n. C.) en de Bataven (69 n. C.) om zich van het Romeinsch gezag los te maken. Het gevolg van het verblijf der Romeinen hier te lande is geweest, dat er nieuwe producten werden ingevoerd (o. a. kers), terwijl de hier wonende Germaansche stammen tot meerdere welvaart en beschaving geraakten. Vele Romeinen vestigden zich in ’t Zuiden van Limburg en langs den Rijn, gelijk de fundamenten van Rom. villae aantoonen. Eenige handel tusschen deze landen en Brittannië begon zich te ontwikkelen.

Romeinsche kooplieden brachten Zuidelijke producten, sieraden, enz. en waarschijnlijk begon ook de glas- en aardewerkindustrie zich hier te ontwikkelen. Omstreeks de 3e eeuw werd het Christendom hier gebracht door de Romeinen. — In ’t midden van de 3e eeuw kwam er in dezen toestand een groote verandering. Germaansche stammen, o. a. de Franken en de Warnen, deden invallen in ’t Rom. gebied. Wel werden ze in de 4e eeuw door Constantijn en Julianus teruggeworpen, maar toen de Romeinen in’t begin der 5e eeuw deze landen ontruimden, lagen deze gebieden voor de Germaansche stammen open. De Salische Franken trokken door Twente, de Betuwe en Brabant naar ’t Zuiden, alles op hun weg verwoestend, terwijl de Warnen zich aan de monden van Rijn en Maas vestigden en ook ’t land langs Rijn en IJsel bevolkten.

b. Periode van de 5e eeuw tot de 10e eeuw. De Rom. beschaving was geheel en al verdwenen. De oorspr. bewoners werden óf uitgeroeid óf gingen op in de Germ. stammen, die zich hier vestigden. In de 6e eeuw vormde zich tusschen Rijn en Maas het rijk der Warnen, dat zich slechts met moeite staande kon houden tegen de aanvallen van Friezen en Franken. Ten slotte werd het vernietigd door den Fränkischen koning Dagobert (± 625), die ook nog pogingen deed om de Friezen te onderwerpen, hetgeen hem, evenmin als in ’t begin der 8e eeuw Karel Martel, gelukte. Ondertusschen werd door den invloed van de Franken het Christendom opnieuw in deze landen verkondigd. Frankische predikers, als Eligius, en Angelsaksische, als Bonifacius en Willebrord, werkten hier. In 785 werden de Friezen door den Fränkischen koning Karel den Groote onderworpen.

Ons land maakte nu deel uit van het Frankische Rijk van Karel den Groote, die hier verschillende paltsen had, o. a. Meerssen en Nijmegen. Nog in het eind van de regeering van Karel den Groote (768—814) hadden deze landen te lijden van de invallen van de Noormannen, hetgeen nog verergerd werd onder de opvolgers van dezen vorst. Desniettemin ontwikkelden zich hier weer opnieuw handel en nijverheid. Dorestad werd een belangrijk handelscentrum, van waaruit handel werd gedreven met Scandinavië, Engeland, Noord-Frankrijk en Rijnland. De laken- en linnenindustrie kreeg een belangrijk aanzien. Als kooplieden traden op de Friezen, van wie men in verschillende plaatsen zoowel in als buiten ons land nederzettingen vond. — Toen in 843 bij ’t verdrag van Verdun het groote Frankische Rijk in drie deelen werd gesplitst, maakte ons land deel uit van het Midden-Fraukische Rijk van keizer Lotharius (regnum Lothariae, Lotharingen). Na het uitsterven van het geslacht van Lotharius werd Lotharingen de twistappel tusschen het West- en het Oost-Frankische Rijk, waardoor deze landen zwaar geteisterd werden, hetgeen nog verergerde door de invallen van de Noormannen, die er zelfs in slaagden om in het eind van de 9e eeuw een rijk te stichten, bestuurd door Godfried, die het zwaartepunt van zijn gezag had op Tessel. Toen aan het bewind van dezen Godfried een einde was gemaakt (885), was ’t ook met de macht van de Noormannen gedaan en kwamen de verschillende gouwgraven tot aan zien.

c. Periode van de lOe eeuw tot 1428. In de 10e eeuw vindt men in ons land tal van kleine vorstendommen, waarvan de graafschappen Masau en Hamaland en verder het hertogdom Friesland de voornaamste zijn. Het graafschap Hamaland omvatte in het midden van de 10c eeuw het geheele tegenwoordige Overijsel, Gelderland, Noord-Limburg en een deel van NoordBrabant. Toen aan het bestaan van dit staatje een einde was gemaakt (1016), kwamen verschillende kleine vorstendommen er voor in de plaats. Langzamerhand ontwikkelden zich nu in de 10e eeuw, dank zij de politiek van de Duitsche koningen om aan de bisschoppen een groote macht te geven, het bisdom Utrecht. Na de vernietiging van het hertogdom Friesland (eind 11e eeuw) kreeg de bisschop de landschappen Groningen, Friesland en Drente, terwijl hij na de vernietiging van Hamaland de Veluwe en Overijsel gekregen had en in het begin van de 11e eeuw ook een groot deel van ’t graafschap Masauverwierf. Hiernaast ontwikkelde zich in de 12e eeuw in het Westen het graafschap Holland met Kennemerland als kern en het graafschap Gelre,dat in het begin van de 12e eeuw vereenigd was geworden met het graafschap Zutfen. Een tijd lang zijn de graven van Holland onderworpen geweest aan het gezag van den bisschop van Utrecht; toen echter, door de verandering, die het concordaat van Worms (1122) had gebracht in de politiek van den Duitschen keizer, deze geen steun meer verleende aan de bisschoppen, konden daarvan de omwonende wereldlijke vorsten gebruik maken, zoo ook Holland, dat zich in 't einde der 11e eeuw had losgemaakt van den bisschop.

In het Noorden van ons land ontwikkelde zich de macht van de burggraven van Groningen en Coevorden, terwijl ook Gelderland in beteekenis toenam. In het midden van de 13e eeuw had Gelre onder ’t bestuur van Otto het overwicht. Deze had weten te bewerken, dat bloedverwanten gekozen waren tot bisschoppen van Utrecht en Luik, dat Willem II van Holland, zijn zwager, gekozen was tot Roomsch koning, terwijl hij door het sluiten van verdragen met Brabant, Gulik, Cleef en Loon het overwicht had over de landen aan den Neder-Rijn en de Beneden-Maas. Zelfs heeft deze Otto een tijd lang als regent het bestuur over Holland en Brabant in handen gehad. Het zwaartepunt van den handel bevond zich in Gelderland. Nadat Dorestad in de 9e eeuw door de invallen der Noormannen was te niet gegaan en ten gevolge van de burgeroorlogen de welvaart hier was verdwenen, kwam er een herleving in de 11e en 12e eeuw. De voornaamste handelsplaats werd Tiel; daarnaast kregen Zalt-Bommel en Utrecht beteekenis als handelscentra. Over Utrecht liep de landweg van N.-Duitschland naar Brugge, en ging ook de zeeweg van Hamburg naar Brugge.

Belangrijk werd in ’t eind der 13e eeuw Dordrecht, dat bezocht werd door kooplieden uit Frankrijk, Engeland en de Oostzeelanden, terwijl ook de plaatsen langs den IJsel, zooals Kampen, Deventer en Zutphen, belangrijk werden. In Zeeland kreeg Middelburg als handels- en industiiestad beteekenis. Men kreeg hier zelfs handel met Genua en Spanje. Een belangrijk middel van bestaan was nog de visscherij. De bevolking nam toe. Verschillende dorpen ontwikkelden zich tot grootere plaatsen, die door het stadsrecht, dat zij van de vorsten kregen, losgemaakt werden van ’t platteland (bijv. Leiden, Schiedam, Haarlem, enz.). Aan het overwicht van Gelderland kwam een eind door de nederlaag, die de Gelderschen leden bij Woeronc (1288). Belangrijk werd nu Holland, dat onder Floris V (1256—1296) snel in bloei toenam.

WestFriesland en Zeeland kwamen onder Hollands gezag, evenals Utrecht. Meer en meer werd ons land betrokken in de politiek van de grootere staten Engeland en Frankrijk, die beide trachtten hier hun invloed te vestigen. De poging van Engeland mislukte en in het begin van de 14e eeuw had Frankrijk hier den voorrang. In dezen tijd had Holland, dat in 1299 vereenigd was met Henegouwen, groote moeilijkheden ten gevolge van den strijd met Vlaanderen, die verklaard moet worden uit de vijandschap van de in Vlaanderen regeerende familie Dampierre, tegenover de in Holland aan de regeering gekomen Henegouwsche familie Avesnes, terwijl ook gewicht in de schaal legde het streven van de Vlaamsche graven om Zeeland, m. a. w. de handelswegen Engeland—Brugge en Utrecht— Brugge in handen te krijgen. Deze strijd is beslist door de overwinning der Hollanders bij Haarlem (Manpad) en Zierikzee (1304), waarna Vlaanderen er van af heeft gezien om den weg door Zeeland in bezit te hebben. In het begin der 14e eeuw had Holland tijdens de regeering van Willem III een belangrijke plaats onder de Neder-Rijnsche vorstendommen door de verbintenissen, die deze graaf had aangegaan met den Duitschen keizer Lodewijk van Beieren en den Engelschen koning Eduard III. Ondanks de bloedverwantschap van Willem III met Eduard III is ons land niet betrokken geworden in den grooten oorlog tusschen Engeland en Frankrijk (z.g. 100-jarigen oorlog). De finantieele toestand is in de laatste jaren van de 13e eeuw en in het begin van de 14e eeuw slechter geworden, doordat het niet meer mogelijk was, de uitgaven te bestrijden uit de gewone inkomsten van de graven.

Herhaaldelijk moest de graaf zijn toevlucht nemen tot leeningen en moest hij aan verschillende deelen van zijn graafschap belastingen vragen, teneinde een uitgaaf te kunnen dekken. Het gevolg hiervan is geweest, dat in den raad, bestaande uit edelen en geestelijken, in het eind van de 13e eeuw ook de steden bijgetrokken werden. Uit dit consilium feodalium heeft zich op den duur ontwikkeld de Statenvergadering. In het midden van de 14e eeuw werd de toestand in deze landen erger tengevolge van de twisten, die er kwamen tusschen twee categorieën der bevolking, n.l. één categorie, die er op uit was te streven naar versterking van centraal gezag en betrokken was bij groothandel, en daarom meerdere vrijheid wilde .op het gebied van handel en nijverheid, tegenover de andere categorie, die van vrijheid op dit gebied niets wilde weten en de locale nijverheid en handel wilde beschermen. Onder verschillende namen vindt men deze beide partijen in de verschillende graafschappen, b.v. van die van Kabeljauwen en Hoeken in Holland, van Bronkhorsten en Heekeren in Gelderland, van Lokhorsten en Lichtenbergers in Utrecht, enz. In Holland hebben deze twisten ten gevolge gehad, dat in het begin van de 16e eeuw de Bourgondische vorsten, die al gezag hadden in Vlaanderen en Brabant, invloed kregen. In 1428 moet Jacoba van Beieren de regeering van Holland en Zeeland aan Philips van Bourgondië afstaan. Hiermede kwam ons land onder den invloed van de Bourgondische vorsten.

Periode van 1428 tot 1488. In den aanvang van deze periode hebben de Bourgondische vorsten hun invloed trachten te vestigen in Utrecht, Luik en Gelre, waarbij zij gebruik maakten van inwendige twisten. In ’t Noorden begon zich in ’t midden der 15e eeuw de macht te ontwikkelen van de stad Groningen, die er gaandeweg in slaagde, de Ommelanden en het Oostelijk deel van Friesland aan haar gezag te onderwerpen. In de 14e en 15e eeuw kwamen deze landen tot grooten bloei. Holl. koopl. verschenen in de Oostzeelanden, Engeland en Frankrijk. Wel was Dordrecht hier nog altijd het groote handelscentrum, maar daarna kregen ook steden als Amsterdam, Hoorn en Utrecht beteekenis. De industrie geraakte ook tot bloei en werkte reeds voor export. Leidsche lakens werden uitgevoerd naar de Oostzeelanden en Midden-Duitschland.

De inlandsche bieren, gebrouwen in Haarlem en Gouda, begonnen met goed gevolg de concurrentie tegen de Hamburger en Engelsche bieren. Ook op kunstgebied begonnen deze landen zich te ontwikkelen (zie Kunst en Letterkunde). — De Bourgondische vorsten wilden een staat vormen, die zich uitstrekte van de Noordzee tot de Middellandsche Zee, terwijl zij tevens de verschillende gewesten tot een geheel wilden vereenigen. De gevolgen hiervan waren oorlogen met Frankrijk, dat in een sterken staat aan de Noordzijde van zijn rijk een groot gevaar zag. Verder het invoeren van een nieuwe inrichting van het bestuur. Aan het hoofd van de Nederlandsche gewesten stelde Philips de Goede (1428—1467) aan een kanselier, die bijgestaan werd door twee raden, waarvan de een meer in ’t bijzonder belast was met de regeling van alles, wat op de financiën en welvaart betrekking had en de andere advies gaf in algemeene bestuursaangelegenheden. (Zie GRAND CONSEIL). Deze regeling van het bestuur werd in elk gewest afzonderlijk ook ingevoerd. Zoo kreeg men in Holland een stadhouder, die bijgestaan werd door het Hof van Holland en de Rekenkamer. Verder voerde hij ook de gewoonte in om de verschillende staten van de verschillende gewesten op één plaats en één tijd te zamen te roepen (Alg.

Staten). Het streven om één groot rijk te vormen, komt vooral uit onder Karel den Stoute (1467—1477), die hierdoor verschillende oorlogen moest voeren met Frankrijk en Lotharingen, hetgeen ten gevolge had achteruitgang van den handel en verzwaring van de belastingen. Het was dan ook geen wonder, dat na den dood van Karel den Stoute (1477) onder Maria van Bourgondië er onlusten uitbraken, die haar noodzaakten verschillende concessies te doen aan de StatenGeneraal en aan de Staten van elk gewest. Zoo zou voortaan een belangrijk deel van ’t gezag komen te berusten bij de Staten der gewesten (Groot Privilegie).De beperking,die de vorstelijke macht hierdoor onderging, kon echter niet duurzaam zijn. Het is duidelijk, dat de vorsten, zoodra zij daartoe in de gelegenheid waren en er de macht toe hadden, er naar zouden streven om het gezag te herwinnen. Het gevolg hiervan was een verzet van den lageren adel (Jonker Fransen-oorlog 1492), waarbij nog kwam, een beweging van de lagere volksklassen en boeren, welke verklaard moeten worden uit den slechten economischen toestand en de financieele uitputting door de zware lasten. Deze woelingen, die met moeite in 1492 door Albrecht van Saksen, veldheer in dienst van Maximiliaan, regent van Philips den Schoone, werden onderdrukt, hadden ten gevolge, dat de bevolking afnam, de welvaart verminderde, zware belastingen verschillende steden (b.v. Leiden) in groote moeilijkheden bracht. In de volgende jaren kwam hierin geen verandering.

Philips de Schoone, en na zijn dood (1506) Maximiliaan, die nu als regent optrad van Karel V, deden alle moeite om in ’t bezit te komen van Bourgondië. De oorlogen met Frankrijk, die hiervan !t gevolg waren, brachten stilstand van handel en nijverheid, hetgeen ontevredenheid van de bevolking ten gevolge had. Onder leiding van den heer van Chièvres wisten de ontevreden elementen gedaan te krijgen, dat aan Karel V de regeering over deze gewesten werd toevertrouwd (1515).. Tot 1521 had nu de heer de Chièvres de leiding van het bewind in handen en werd er een politiek gevoerd, die in overeenstemming was met de belangen van ons land. Aan den voor onzen handel zoo nadeeligen oorlog met Frankrijk kwam een einde. Toen echter Karel V koning was geworden van Spanje (1516) en keizer van het Duitsche Rijk (1519), hervatte hij de politiek van zijn voorgangers, om de macht van zijn dynastie te vergrooten. Deze politiek heeft aan de Nederlanden groote nadeelen gebracht. Holland toch was een landschap, dat met het oog op zijn voedselvoorziening aangewezen was op de import van graan uit de Oostzeelanden, terwijl het daartoe moest uitvoeren producten, die het gemakkelijk kon leveren, n.l. visch en lakens. De vischhandel evenwel maakte noodzakelijk een import van zout uit Frankrijk.

Wanneer nu in een of ander opzicht de in- of uitvoer werd belemmerd, moest daarvan de geheele handel en industrie de gevolgen ondervinden. Het was dus voor Holland van belang in vrede te blijven leven met de Oostzeelanden en met Frankrijk. De politiek van Karel V hield daarmee echter geen rekening. Hij voerde oorlog met Frankrijk teneinde Bourgondië terug te krijgen, terwijl hij in strijd geraakte met Denemarken, door zijn streven om daar den verjaagden koning Christiaan II weer in 't bezit van de kroon te stellen. Het gevolg hiervan is geweest dat de handel en nijverheid in ’t begin van zijn regeering niet vooruit gingen, terwijl de financieele toestand steeds slechter werd. De vestiging van Karels macht in Friesland (1524), dat hij in 1515 van hertog George had gekocht, Utrecht (1528) en Groningen (1536), waarvan Gelre moest afzien, woog hier niet tegen op. De achteruitgang van den economischen toestand liet niet na zijn gevolgen te laten voelen. Er ontstond een communistischgodsdienstige beweging (de Anabaptisten, 1530— 1536), die op 't platteland van Holland, in Amsterdam en Kampen zich liet gelden.

Nadat de troebelen met geweld waren onderdrukt, keerde de regeering zich ook tegen de Sacramentisten, gelijk men de aanhangers van Luther noemde, die hier voor ’t eerst ± 1522 voorkomen. Door 't uitvaardigen en toepassen van strenge plakkaten werd de Hervormingsbeweging vernietigd. Gevaarlijk werd de positie van de Bourg.-Oostenr. macht in 1638, toen Willem van Gulik hertog van Gelre geworden was en er toenadering kwam tusschen dit land, Denemarken en Frankrijk, welke landen in 1544 wilden overgaan tot verdeeling van de Nederlanden. Slechts met de uiterste krachtsinspanning gelukte het Karel den toestand meester te worden. Gulik werd in 1543 genoodzaakt Gelre aan Karel V af te staan (vrede van Venlo), waardoor alle Ned. gew. onder één gezag stonden. In 1544 moesten ook Denemarken en Frankrijk vrede sluiten. Van nu af begonnen de Nederl. gewesten tot bloei te komen. Handel en nijverheid ontwikkelden zich.

Nieuwe afzetgebieden werden er opgezocht. Zoo had er uitvoer plaats van Haarlemsch laken naar Italië en Spanje, van boter, kaas en gezouten vleesch naar Portugal. Van beteekenis werd eveneens de vrachtvaart. Schippers uit de West-Friesche dorpen, Hoorn en Enkhuizen, vervoerden de waren (hout, koren) uit Noorwegen en de Oostzeelanden naar Spanje en Portugal, van waar zij tochten ondernamen naar Portugeesch Indië en goederen vervoerden naar Antwerpen. Door de Straat van Gibraltar voeren zij reeds in ’t eind van de regeering van Karel V naar Zuid-Italië en de Levant. Belangrijke handelscentra waren Amsterdam, Hoorn en Haarlem, waar men kantoren aantrof van Portugeesche en Spaansche kooplieden. Door de oorlogen was echter de financieele positie van de regeering van Karel V aanmerkelijk verzwakt. Herhaaldelijk moest zij concessies doen aan de Hollandsche steden, om de noodige gelden gevoteerd te krijgen.

Zoo moest zij ten gevalle van de steden in 1631 een verbod uitvaardigen tot’t uitoefenen van de nijverheid op ‘t platteland en moest Karel V aan de Staten van Holland in 1565 beloven, dat geen vreemdelingen bekleed zouden worden met bestuursambten. In het bestuur, dat door Karel V was geregeld bij’t edict van Barcelona (1519), kwam in 1531 een groote verandering. De regeering van ons land zou berusten bij een landvoogd, behoorende tot de koninklijke dynastie, bijgestaan door drie raden n.l. een Geheimen raad, die zorg moest dragen voor het algemeen bestuur en de oplossing van bestuursgeschillen, den Raad van financiën, die de zorg kreeg voor aangelegenheden van beteekenis van de welvaart en den Raad van State, waarvan niet, zooals bij de andere twee raden het geval was, rechtsgeleerden lid waren, maar de stadhouders van de verschillende gewesten, moest bijstand verleenen in zaken van buitenlandsche politiek en militairen aard. Onder den opvolger van Karel V, Philips II (1555—1581), kwam de ontevredenheid, die hier feitelijk al lang bestaan had, tot uiting. Na hier eerst van 1655—1659 met ’t oog op den oorlog tegen Frankrijk vertoefd te hebben, had Philips bij zijn vertrek naar Spanje tot landvoogdes benoemd zijn natuur], zuster Margaretha van Parma, maar de leiding van de regeering in handen gesteld van den kardinaal Granvelle, die er op uit was om de macht van den koning te vergrooten. Ten einde dit te bereiken, had Philips in 1561 doorgevoerd een nieuwe kerkelijke indeeling, waardoor aan vreemde kerkvorsten als den aartsbissch. van Keulen en Reims en den bisschop van Luik invloed op de Nederl. gewesten werd ontnomen, terwijl terzelfder tijd ook bepaald werd, dat alleen zij, die gestudeerd hadden in de theologie, tot bisschop benoemd konden worden. Aan den adel werd nu de kans ontnomen om belangrijke kerkelijke functies te bekleeden, terwijl van het zitting nemen van de bisschoppen in den Raad van State versterking van de macht van den koning werd gevreesd. De hooge adel, geleid door Willem van Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, begonnen een actie tegen Granvelle en wisten ten slotte diens terugroeping te bewerken.

Daar er nu een leider der regeering ontbrak, ontstond er een groote verwarring, welke vooral aan het licht kwam op financ. gebied, terwijl de vervolging van de Calvinisten, die voornamelijk in de industrie en handelscentra werden gevonden, de onrust onder de bevolking deed toenemen. Door de lagere edelen werden plannen beraamd tot een gewapend verzet, waarvan echter werd afgezien tengevolge van de weigering van Egmond om de leiding in handen te nemen. Ze gingen nu over tot ’t indienen van een smeekschrift (1565), waarin verzachting van de plakkaten en hervormingen in ’t bestuur werden gevraagd. Bergen en Montigny werden nu door de landvoogdes naar Spanje gezonden om aan den koning verslag van den toestand te brengen. Ondertusschen kwam de lagere bevolking, die ook te lijden had van de duurte der levensmiddelen, in verzet (1566, Beeldenstorm). In tal van kerken werden de beelden en altaren vernield. De matiging (moderatie), die de landvoogdes beloofde in ’t toepassen van de plakkaten, had geen resultaat. In Valenciennes brak een opstand uit, die met moeite door Noircarmes werd onderdrukt (1567).

Even weinig resultaat had een beweging in Vianen. De tijding van het gebeurde in de Nederlanden bewoog Philips tot ’t nemen van krasse maatregelen. Hij zond een sterke troepenmacht onder bevel van Alva, teneinde de Nederlanders tot gehoorzaamheid te dwingen. Op het hooren van de komst van dezen veldheer verlieten velen, o. a. ook Willem van Oranje, het land (1567). Zoodra Alva hier kwam, legde Margaretha van Parma de landvoogdij neer en trad Alva als landvoogd op. Hij stelde een Raad van Beroerte in (Bloedraad), die geheel afhankelijk was van Alva, zoodat hij bij 't behandelen van processen niet gebonden was aan eenig privilege. Een poging van Willem van Oranje om van Duitschland uit invallen te doen in deze landen en daardoor de Nederlanders te brengen tot verzet, mislukte. Wel behaalde Lodewijk van Nassau een overwinning bij Heiligerlee (1568), maar kort daarna werd hij door Alva, die, teneinde te verhinderen, dat in het Zuiden tijdens zijn afwezigheid er een opstand zou uitbreken, de graven van Egmond en Hoorne had laten onthoofden, verslagen in de buurt van Jemmingen.

Hiermede rekent men, dat de z.g. Tachtigjarige oorlog begint. Ook een inval van Willem van Oranje zelf in Brabant had geen resultaat. Even weinig succes als de poging van 1568 had die van 1570, waarbij Willem hoopte op een opstand in Utrecht, daar de ontevredenheid in deze stad aanmerkelijk was toegenomen door de poging van Alva om nieuwe vaste belastingen in te voeren (de 10e, 20ste en 100ste penning), waardoor hij den bijstand van de Statenvergadering niet meer noodig zou hebben en waartegen men zich dus wel sterk verzette. Wel werd Loevestein bezet (1570), maar de opstand in Utrecht bleef uit en van een verovering van Hoorn of Enkhuizen kwam niets door de overstroomingen, welke toen West-Friesland teisterden. In 1572 werd erdoor Willem van Oranje een groot plan ontworpen, om met steun van de Franschen een opstand in ’t Zuiden te verwekken tegen de Spanjaarden. Wel liep het plan anders af dan Willem zich had voorgesteld, maar toch is het resultaat gewest, dat ook Hollandsche en Zeeuwsche steden, met uitzondering van Amsterdam en enkele andere, zich los maakten van het Spaansche gezag. De poging van Alva om deze steden weer te onderwerpen, heeft slechts gedeeltelijk succes gehad. Wel veroverde hij Haarlem (1573), waardoor de opstand in Holland werd gelocaliseerd tot een opstand bezuiden het Y en één benoorden het Y, maar van een herovering van de Zuiderzeesteden, waardoor de toevoer van levensmiddelen voor de opstandelingen zou zijn afgesneden geweest en waardoor de blokkade van Amsterdam was opgeheven, was geen sprake.

Even weinig succes als Alva had zijn opvolger Requesens (1573— 1576). Een poging om Leiden en Zalt-Bommel te veroveren mislukte (1574), maar door de verovering van Zierikzee door den Spaanschen bevelh. Mondragon werd Holland bezuiden het Y afgesneden van Zeeland. Deze krachtsinspanning van de Spanjaarden, wier financiën toch al niet in een goeden toestand verkeerden, had in 1576 een bankroet ten gevolge. De troepen konden niet betaald worden, terwijl er door den dood van Requesens een groote verwarring kwam in het bestuur. Dit had een ineenstorting van het Spaansche gezag ten gevolge. De troepen verlieten de verschillende steden en trokken naar het Zuiden, teneinde een poging te doen zich meester te maken van Antwerpen. Dit gevaar bracht de Zuidelijke gewesten er toe om aansluiting te zoeken bij de Noordelijke, hetgeen bij de Pacificatie van Gent (1576) geschiedde, nadat Antwerpen geplunderd was geworden.

De gewesten kwamen overeen gezamenlijk te zorgen voor de verwijdering van de Spaansche troepen, zonder dat men echter zich uitsprak voor een scheiding van Spanje. De vervolging van de Hervormden zou eindigen, terwijl een oplossing van de godsdienstkwestie geschieden zou na de verwijdering der Spaansche troepen. Ten einde zijn gezag te redden, erkende de nieuwe landvoogd, Don Juan van Oostenrijk, de Pacificatie van Gent (le Unie van Brussel, 1576) en ging hij er toe over de troepen te verwijderen. Ondertusschen nam de verwarring toe. Tal van Hervormde ballingen keerden terug en waren niet van zins aan de Katholieken uitoefening van hun godsdienst te laten, hetgeen vrees verwekte en ontevredenheid bij de Katholieke elementen in ’t Zuiden, die toch al niet ingenomen waren met den stijgenden invloed van Oranje. De hooge Zuid-Nederl. adel, geleid door Aerschot, wist de benoeming van Matthias van Oostenrijk tot landvoogd door te drijven als de Staten-Generaal weigeren om ’t gezag van Don Juan te erkennen, die ’t vertrouwen verloren had door zijn aanslag op Namen, waarmee hij zijn gezag had getracht te versterken. De lagere ZuidNederlandsche adel, geleid door Montigny, nam het gezag in handen in enkele Zuidelijke vestingen, van waaruit zij ’t omliggende platteland beheerschten zonder zich om eenigerlei gezag te bekommeren (Malcontenten). De verwarring werd nog vergroot, doordat koningin Elisabeth troepen had gezonden, onder Johan Casimir v. d. Palts, die de Hervormde elementen in Gent en Brugge wilde steunen.

Ondertusschen had Don Juan nieuwe Spaansche troepen laten komen, die, aangevoerd door den hertog van Parma, het Staatsolie leger een nederlaag toebracht bij Gembloux (1578). Tevergeefs beproefde Willem van Oranje door een Religievrede (1578) een einde te maken aan de geloofsverdeeldheid. Meer en meer begreep hij, dat de Noordelijke gewesten op zich zelf zouden aangewezen zijn om den strijd voort te zetten tegen Spanje. Met zijn medeweten kwam dan ook in Januari 1579 de Unie van Utrecht tot stand, kort nadat de Malcontenten bij de Unie van Atrecht het gezag van den hertog van Parma, die in 1578, na den dood van Don Juan, landvoogd was geworden, hadden erkend. In 1580 deed de Spaansche koning den Prins van Oranje in den ban, hetgeen door de Noordelijke gewesten beantwoord werd met de afzwering van Philips II in 1581. Hiermede was de scheiding van Spanje een feit geworden. De Noordelijke gewesten zochten nu tegen de Spanjaarden, die onder leiding van den bekwamen Parma gaandeweg hun gezag in het Zuiden herstelden, steun bij Frans van Anjou (Verdrag van Plaisis les Tours), die echter weinig gezag kreeg en dit te vergeefs trachtte te vergrooten door een aanslag te ondernemen op Antwerpen (Fransche furie, 1582). Daar men in het Noorden van Frans van Anjou niet meer gediend wilde zijn, besloot men in Holland en Zeeland Willem van Oranje tot graaf te kiezen, hetgeen echter door zijn dood in 1584 verhinderd is.

Ten einde buitenl. hulp te krijgen, hetgeen men met ’t oog op den kritieken toestand tengevolge van de vorderingen der Spanjaarden, die in 1585 ’t beleg voor Antwerpen hadden geslagen, noodig achtte, bood men eerst de souvereiniteit over deze landen aan den koning van Frankrijk en na diens weigering aan de koningin van Engeland, die onder den indruk van den val van Antwerpen (1585), den graaf van Leicester met hulptroepen stuurde, waarmede Engeland zijn politiek van geen machtigen staat te dulden in België, inleidde. De staten van Holland benoemden, zeer tegen den zin van Elisabeth, die uiterlijk geen oorlog met Philips wenschte, Leicester tot landi voogd. Deze geraakte spoedig in twist met de Staten van Holland, wier vrijzinnige denkbeelden op het gebied van godsdienst hij niet kon deelen en wier macht hij wilde beknibbelen, waartegen zich de Staten, geleid door Oldenbarneveldt, verzetten. Ook zijn verbod van handel drijven met Spanje wekte ontevredenheid. Men kon daardoor de eigen producten niet afzetten en zag de markt veroverd door de Hanze-steden.

Toen nu tijdens de afwezigheid van Leicester (1586) de vesting Zutphen aan de Spanjaarden verloren ging en er bekend werd, dat Leicester van Elisabeth de opdracht had gekregen om vrede te sluiten met de Spanjaarden, maakte Oldenbarneveldt hiervan gebruik, om de predikanten tegen hem op te zetten, hetgeen hem gelukte. Leicester vertrok, nadat een poging om zijn gezag te vestigen mislukt was door de waakzaamheid der Holl. steden (1588). Na het vertrek van Leicester heeft men in de Noordelijke gewesten aan niemand meer de souvereiniteit aangeboden, zoodat derhalve in 1588 de gesch. van de ontwikkeling van den vrijen staat Nederland begint. De Unie van Utrecht werd voor de Republiek der Ver. Nederl., zoo als de nieuw gevormde statenbond zich noemde, de grondslag van t bestuur, al ontbrak hierin nog veel wat de regeling der bevoegdheid der verschillende bestuurscolleges betreft.

Periode van 1588 tot 1796, omvattende de gesch. van de Republiek der Ver. Nederlanden. De leiding van de buitenl. pol. berustte bij den Holl. advocaat van den lande Johan van Oldenbarneveldt, terwijl de leiding der mil. zaken in handen was van Maurits, die benoemd was tot stadhouder van Holland en Zeeland (1585), die met hulp van zijn neef Willem Lodewijk, stadhouder van Friesland, het leger gereorganiseerd had en gebruik maakte van de omstandigheid, dat Parma ten gevolge van den strijd in Frankrijk zich bepalen moest tot een defensieve houding, om aan de Spanjaarden te ontrukken: Breda (1590), Zutphen, Deventer, Delfzijl, Hulst, Nijmegen (1591), Steenwijk, Coevorden (1592), Geertruidenberg (1593), Groningen (1594), Groenlo en enkele plaatsen in den Achterhoek en Twente (1597), zoodat in 1598 het land benoorden de groote rivieren bevrijd was van de Spanjaarden. (De z.g.n. Tien jaren van den 80-jarigen oorlog). Een poging van Maurits, daartoe tegen zijn zin aangezet door Oldenbarneveldt om zich ook meester te maken van Duinkerken, mislukte, hoewel hij een overwinning wist te behalen bij Nieuwpoort (1600). Deze omstandigheid bracht een verkoeling te weeg tusschen Maurits en Oldenbarneveldt, welke nog vergroot werd door het streven van den laatste om een wapenstilstand te sluiten met de Spanjaarden, welke door middel van Hendrik IV tegen den zin van Maurits in 1609 tot stand kwam. (Het Twaalfjarig Bestand). In de jaren, voorafgaand aan het Twaalfjarig bestand, had de handel in deze gewesten een groote vlucht genomen. Hoorn dreef grooten handel met Brazilië en Portugal, terwijl de slavenhandel van Afrika op ZuidAmerika aan de Holl. kooplieden en reeders groote winsten verschafte. Versterkt door den toevloed van kapitaalkrachtige koopl. uit Antwerpen vormden er zich te Amsterdam en Middelburg compagnieën, die den handel op Indië in handen trachtten te krijgen en er naar streefden om een kortere verbinding te vinden dan die men tot dusver volgde.

Pogingen om deze landen benoorden Europa en Azië te bereiken, mislukten ; meer succes hadden tochten om Kaap de Goede Hoop, welke, begonnen in 1594 door een Amsterdamsche comp., tot een succes leidde. Door bemiddeling van Oldenbarneveldt smolten de verschillende Compagnieën van Verre ineen tot een Vereen. OostInd. Compagnie, die weldra vasten voet kreeg op de Molukken en Java (zie verder KOLONIALE GESCH.). De handel op de Levant, die een tijdlang in handen was geweest van Hoornsche en Enkhuizer kooplieden, werd na den toevloed van Portugeesche en Spaansche Joden geconcentreerd in Amsterdam, dat in de 17e eeuw het groote handelscentrum werd, waartegen de Zuiderzeesteden en Dordrecht het moesten afleggen. Amsterdam werd daardoor t zwaartepunt van de Rep. der Ver. Nederlanden. — De tijd van het Twaalfjarig bestand kenmerkte zich door godsdiensttwisten, welke ten slotte vermengd werden met de politieke kwestie, of de gewesten een groote mate van souvereiniteit zouden bezitten (Staatsgezinde partij), dan wel of de souvereiniteit zou berusten bij de Unie (Prinsgezinde partij). — Ten slotte bleef de overwinning aan de Prinsgez. partij, die, geleid door Maurits, de leiders van de Staatsgezinde partij: Oldenbarneveldt, Hugo de Groot en anderen gevangen liet nemen, Oldenbarneveldt zelfs ter dood liet brengen (1619) en de kerkelijke zaken op de synode van Dordrecht liet behandelen. (Zie TWAALFJARIG BESTAND), Van deze overwinning heeft Maurits echter geen gebruik gemaakt om een regeling te treffen van het bestuur. Na afloop van het bestand werd in den beginne de strijd door de Staatschen slap gevoerd. De inneming van Breda door de Spanjaarden onder Spinola (1623) kon niet verhinderd worden.

De toestand veranderde echter onder Frederik Hendrik, die na den dood van Maurits (1625) het bewind in handen kreeg. Deze slaagde er in om ’s-Hertogenbosch in te nemen (1629), ondanks de poging van een Spaansch-Keizerlijk leger om deze plaats te ontzetten, hetgeen mislukte door de inneming van Wezel door den Staatschen aanvoerder Otto van Gent. Gebruik willende maken van de ontevredenheid in de Zuidelijke Nederlanden, ondernam Frederik Hendrik in 1632 een tocht langs de Maas, welke wel ten gevolge had de verovering van Roermond, Venlo, Maastricht en Zuid-Limburg, maar die niet doorgezet kon worden, daar de in de Zuidelijke Nederlanden verwachte opstand uitbleef. In 1634 werd de toestand echter kritiek. Door de overwinning bij Nördlingen hadden de Spaansch-Keizerlijke troepen het overwicht gekregen in Duitschland en in het zelfde jaar was de bekwame generaal Ferdinand van Oostenrijk benoemd tot Spaansch landvoogd. Ten einde zich tegenover de vereenigde Spaansch-Keizerlijke macht te kunnen handhaven, sloot de republiek een bondgenootschap met Frankrijk (1635), waarbij men overeenkwam om over te gaan tot een verdeeling van de Zuidelijke Nederlanden. Het bleek in de volgende jaren, dat beide partijen tegen elkaar opgewassen waren; wel werd Breda veroverd, maar Roermond ging verloren, zoodat men in 1639, toen men hoorde, dat er een Spaansche vloot op weg was, met versterking voor de Spanjaarden, begreep, dat men al het mogelijke moest doen om het binnenkomen van deze vloot te beletten. Zonder zich te bekommeren om de neutraliteit van Engeland, tastte Maarten Harp.zoon Tromp de Spaansche vloot aan en vernielde deze op de reede van Duins (1639).

Hiermede was de strijd ten voordeele van Nederland beslist. Spanje was finantieel en militair uitgeput en men begon nu in de Republ. te vreezen voor een te groote macht van Frankrijk, waarom men besloot afzonderlijk vrede te sluiten, die na langdurige onderhandelingen te Munster tot stand kwam, op den status uti possidetis (1648), zoodat de Republ. in !t bezit bleef van een deel van Brabant (StaatsBrabant), Vlaanderen (Staats-Vlaanderen) en Limburg (Staats-Limburg). De sluiting van de Schelde voor vreemde handelsschepen moest de ontwikkeling van Antwerpen als handelsstad beletten. — Stadhouder Willem II, die in 1647 zijn vader Frederik Hendrik was opgevolgd, was geenszins ingenomen met het tot stand komen van den vrede met Spanje. Zijn voornemen was dan ook den oorlog met dit land te hervatten, waartoe hij zich in verbinding stelde met Frankrijk. Was het hiervoor reeds noodig om het leger op volle sterkte te houden, bovendien wenschte hij dit met het oog op zijn plannen tot interventie in Engeland, waar I zijn schoonvader Karel I de gevangene was! geworden van het Parlament. Hierdoor moest hij in conflict komen met Holland, dat met het oog op de financiën, de legersterkte wenschte te verminderen. Een conflict tusschen Willem II en de Staten van Holland, geleid door de gebr. Bicker en Jacob de Witt, was hiervan het gevolg.

Ten slotte beproefde Willem II een staatsgreep» Hij liet enkele voorname personen van de staatsgezinde partij, o. a. Jacob de Witt, gevangen nemen, terwijl hij een poging deed zich meester te maken van Amsterdam, hetgeen echter mislukte (1650). Wel werd er nu een overeenkomst gesloten tusschen de Staten van Holland en Willem II, waarbij aan weerszijden concessies gedaan werden. Echter aan beide zijden maakte men zich gereed om den strijd uit te vechten. De dood van Willem II (1650) bracht evenwel een oplossing. — Aangezien Willem III, de zoon van Willem II, te jong was om het bewind in handen te nemen, besloten de Staten van Holland het stadhouderschap onbezet te laten (le Stadhouderloos tijdperk 1650—1672). Men beproefde nu op een voor dit doel bijeengeroepen vergadering van afgevaardigden der verschillende gewesten (Groote Vergadering 1651) te komen tot een regeling van de verhouding tusschen de verschillende gewesten. Het eenige, wat echter tot stand werd gebracht, was een afdanking van troepen. Kort daarop kwam men in conflict met Engeland, doordat de Hollanders er toe over gingen om de royalistische kapers te steunen, terwijl men pogingen van de Engelsche regeering tot toenadering had afgewezen. De verhouding werd nog slechter, toen Engeland er toe overging om door scheepvaartwetten (Act of Navigation) den handel van de royalisten in Amerika op Nederland te bemoeilijken, terwijl ook in andere opzichten de Ned. handel getroffen werd.

In 1652 barstte de oorlog uit (le Engelsche oorlog). Al spoedig bleek het, dat de Nederlandsche vloot niet opgewassen was tegen de Engelschen. In 1653 werd de Hollandsche kust door de Engelschen geblokkeerd, terwijl een poging van M. H. Tromp om deze blokkade te breken, uitliep op een nederlaag bij Ter Heyde, waarbij hij sneuvelde. Jan de Witt, die in 1653 raadpensionaris was geworden, begreep, dat men tot eiken prijs tot vrede met Engeland moest geraken. Wanneer het hem blijkt, dat de Engelsche regeering alleen vrede wil sluiten op voorwaarde, dat Holland belooft het Huis Oranje uit te sluiten van het stadhoudersschap, gaat hij hiertoe over (Acte van Seclusie 1654). Bij den vrede van Westminster wordt dan bepaald, dat Holland het overwicht van Engeland erkent door aan zijn koopvaardijkapiteins te gelasten, de vlag voor Engeland te strijken, terwijl bovendien ook door Holland beloofd wordt, schadevergoeding te betalen aan de nagelaten betrekkingen van de kooplieden, die indertijd op Ambon waren terechtgesteld, welke kwestie steeds kwaad bloed had gezet en ook belangrijk had bijgedragen tot de verwijdering tusschen Engeland en Holland (1654). Na den vrede begon Jan de Witt met de reorganisatie van de I vloot en de verbetering van het financiewezen. Dat men hiermede resultaat bereikt had, bleek in den Noorschen oorlog.

Toen er n.l. een oorlog was uitgebroken tusschen Zweden en Polen, en Amsterdam, uit vrees voor de vestiging van een overwicht van Zweden in de Oostzee, Denemarken tegen den zin van Jan de Witt aangezet had tot het verklaren van den oorlog, had Amsterdam geen steun kunnen verleenen door de dreigende houding van Engeland en Frankrijk (1657) en was Denemarken genoodzaakt geweest een nadeeligen vrede te sluiten met Zweden. Na den dood van Cromwell (1658) werd de Engelsche vloot uit de Sont teruggeroepen en besloot Amsterdam voor de tweede maal Denemarken aan te zetten tot oorlog, waarbij daadwerkelijke steun van de Hollandsche vloot in uitzicht werd gesteld. In dezen strijd nu, den zoogen. Noorschen oorlog (1668—1660), bleek de Hollandsche vloot het overwicht te hebben op de Zweedsche en werd Zweden in 1660 gedwongen tot den vrede van Kopenhagen. In de nu volgende jaren wordt de positie van Holland moeilijk. In Engeland stuurde een oorlogspartij, geleid door Jacob van York, aan op strijd tegen de republiek teneinde den handel op Afrika in handen te kunnen krijgen, terwijl in Frankrijk, waar Lodewijk XIV in 1661 het bewind in handen had genomen, naar expansie werd gestreefd. In 1665 brak de oorlog tusschen Nederland en Engeland uit (de zoogen. 2e Engelsche oorlog). Het bleek nu, dat onze vloot opgewassen was tegen de Engelsche, zoodat men in Engeland, ook omdat zijn handel onder den oorlog sterk leed, beëindiging van den strijd wenschte.

Terzelfder tijd kwam Nederland in moeilijkheden met Munster, welks bisschop zich door een besluit van de Staten-Generaal in zake een beslissing omtrent de toewijzing van de opengevallen heerlijkheid Borculo benadeeld achtte. Krachtens een verdrag van 1662 verleende Frankrijk steun, zoodat de bisschop van Munster genoodzaakt was de aanspraken op Borculo te laten vallen (vrede van Cleef 1666). Ondertusschen maakte Lodewijk XIV van den oorlog tusschen Engeland en Holland gebruik om onder voorgeven van aanspraken krachtens erfrecht (devolutierecht) enkele belangrijke ZuidNederlandsche plaatsen te bezetten. Dit versterkte de positie van de Engelsche vredespartij, geleid door William Temple, die van geen heerschappij der Franschen in België wilde weten. Ten einde nu Engeland te dwingen voortgang te maken met de vredesonderhandelingen, welke te Breda waren begonnen, besloot Jan de Witt tot het ondernemen van een tocht naar Londen (tocht naar Chatham, 1667), onder den indruk waarvan de vrede nu spoedig tot stand kwam (vrede van Breda, 1667), welke gesloten werd op den grondslag van Uti Possidetis, zoodat Engeland in het bezit kwam van Nieuw-Nederland en de West-Indische Compagnie, opgericht in 1621, Suriname kreeg. Tijdens den 2en Engelschen oorlog waren de prinsgezinden in beweging gekomen. Ten einde dezen tevreden te stellen, besloten de staten van Holland, die terwille van Karel II indertijd de acte van Seclusie hadden ingetrokken, aan den prins een opvoeding te geven, welke hem bracht onder het directe toezicht van de Staten (Kind van Staat). Tegelijkertijd echter werd er bepaald, dat het Stadhouderschap en Kapt.Generaal-Admiraalschap voor altijd gescheiden zouden zijn (het Eeuwig Edict 1667).

Na den vrede van Breda weet Jan de Witt Engeland te bewegen tot een samengaan tegen Frankrijk, ten einde dit land te dwingen zijn veroveringen in België op te geven. Ook Zweden sloot zich hierbij aan (Triple Alliantie). Lodewijk XIV, die bij den vrede van Aken (1668) gedwongen was geweest, de meeste zijner veroveringen in België op te geven, besloot Holland hiervoor te straffen. Door een handige politiek weet hij Holland te isoleeren. Hij sluit verbonden met Engeland (1670) en Zweden, terwijl een overeenkomst met den aartsbisschop van Keulen hem in staat stelt, zijn troepen naar het Noorden te zenden, zonder de neutraliteit van Spanje te schenden. Ook Munster sluit zich bij Frankrijk aan. In Holland besluit men Willem III te benoemen tot Kapitein-Generaal-Admiraal der Unie, nadat de andere gewesten zich hebben neergelegd bij het Eeuwig Edict (Acte van Harmonie 1670). In 1672 wordt de oorlog verklaard door Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen.

Zonder slag of stoot dringen de Fransche troepen door tot Utrecht, waarbij het den Hollanders te stade kwam, dat Condé, die het plan had ontwikkeld, in snelle marschen op te rukken naar Amsterdam, vóórdat men de Hollandsche waterlinie in werking had gesteld, gewond was geworden bij den overtocht over den Rijn en vervangen was door Turenne en Luxembourg, die van een geforceerd oprukken niets wilden weten. Onderwijl bezetten de Munstersche en Keulsche troepen Overijsel, Drente en !t platteland van Groningen, terwijl de stad Groningen zich tegen de Munstersche en Keulsche troepen handhaafde. Pogingen van de Engelschen om te landen werden afgeslagen door de overwinningen van de Ruyter bij Schooneveld en Solebay. Pogingen om te komen tot een vrede mislukten ten gevolge van de hooge eischen der geallieerden, die daarop bij het verdrag van Heeswijk overeenkwamen om Nederland te verdeelen. Ondertusschen had er in Holland een omwenteling plaats. Willem III werd tot stadhouder uitgeroepen en Jan de Witt trad als raadpensionaris af (Juli 1672). Hiermede was evenwel de beweging niet afgeloopen, die uitliep op de vermoording van Jan en Corn. de Witt. In den winter van 1672 op 1673 slaagde de Prins er in om het peil van zijn troepen te verbeteren.

Een poging van Luxembourg om naar het Noorden en Westen de Hollandsche waterlinie over te trekken, mislukte. In het voorjaar van 1673 slaagde Willem III er in, daarbij gesteund door Lisola, den gezant van den Duitschen keizer, om een groot bondgenootschap tot stand te brengen tusschen den Duitschen keizer, Spanje, Brandenburg en de Republiek. Van dit oogenblik af is de strijd, dien de Republiek voert tegen Lodewijk XIV, slechts een onderdeel van den strijd, die door Europeesche staten onder leiding van Willem III wordt gevoerd tegen het overwicht van Frankrijk. Engeland, waar de bevolking weinig ingenomen was met het bondgenootschap met Frankrijk, en de zucht tot vrede toenam na de nederlaag, die geleden was bij Kijkduin, sloot in 1674 vrede. In hetzelfde jaar sloten ook Munster en Keulen vrede met de Republiek. Na de bevrijding van de verschillende gewesten van de bezetting door de vijandelijke troepen rees de vraag, welke nu de verhouding zou zijn van deze gewesten tot de Unie. Holland wilde ze opnemen als staten zonder stem in de Unie (z.g.n. bondgenootschappelijke staten), hetgeen de Prins echter wist te verhinderen. Bij het regeeringsreglement van 1674 werd daarop aan Willem III een groote macht gegeven, doordat hij het recht kreeg leden voor de vroedschappen aan te wijzen, zoodat hij middellijk invloed kreeg op de samenstelling van de StatenGeneraal.

Door de afschaffing van het instituut van gedeputeerden te velde schakelde hij alle medezeggingsschap van de Staten-Generaal in legerzaken uit. Doordat onze handel aanmerkelijk schade leed en men finantieel uitgeput raakte, dreef Holland in 1678 tegen den zin van Willem III door het sluiten van een afzonderlijken vrede met Frankrijk (vrede van Nijmegen), hetgeen een vervreemding van Brandenburg en het Duitsche Rijk ten gevolge had. Het lukte Willem III dan ook niet, om in de volgende jaren een nieuw samengaan der verschillende staten te bewerken, toen Lodewijk XIV opnieuw zijn gebied trachtte uit te breiden door de instelling van de Chambres de Réunion. In 1685 echter kwam er een ommekeer. De herroeping van het Edict van Nantes door Frankrijk en de troonsbestijging van den Katholieken Jacob II in Engeland, deed bij de Protestanten de vrees ontstaan, dat het Katholicisme weer zou overheerschen. Zelfs Amsterdam, dat tot dusver met het oog op zijn handel een Franschgezinde politiek had voorgestaan, steunde nu den Prins. Hulp werd verleend aan den hertog van Mommouth om een aanval te ondernemen in Engeland en daarna werd Willem III gesteund bij zijn poging om koning te worden van Engeland, hetgeen hem in 1688 gelukte, waardoor Engeland zich aan de zijde schaarde van de bij het Verbond van Weenen (1688) gevormde alliantie tusschen de Republiek, den Duitschen keizer en Brandenburg tegen Frankrijk (1689). Ook de nu volgende oorlog (Negenjarige oorlog) is slechts een episode uit den strijd van de Europeesche staten tegen het overwicht van Frankrijk.

Voor de Republiek zelf leverde hij geen direct voordeel op, integendeel werd de finantieele toestand in verband met stilstand van handel en nijverheid steeds slechter. Na het sluiten van den vrede van Rijswijk (1697) maakte men zich gereed voor een nieuwen strijd met het oog op de komende regeling van de Spaansche opvolging. Toen nu ondanks de gesloten verdeelingsverdragen de kleinzoon van Lodewijk XIV, Philips van Anjou, koning werd van Spanje, en de Fransche koning er toe overging te verklaren, dat Philips van Anjou ook nog aanspraak zou kunnen laten gelden op Frankrijk en hij de Stuarts ook nog als rechthebbenden op de Engelsche kroon erkende, was de oorlog onvermijdelijk. In 1701 bracht Willem III een nieuwe Alliantie tegen Frankrijk tot stand (verbond van Den Haag 1701). In het zelfde jaar, nog vóór het uitbreken van den oorlog, stierf Willem III. Voorloopig werd er geen nieuwe stadhouder in Holland aangesteld. (Tweede stadhouderloos tijdperk, 1702— 1747). Aan den raadpensionaris Heinsius werd de staatkundige leiding van de Republiek toevertrouwd. In den nu volgenden oorlog (Spaansche successie-oorlog, 1702—1713) namen Staatsche troepen onder leiding van Nassau-Ouwerkerk deel aan den oorlog tegen Frankrijk.

Pogingen van Lodewijk XIV om een afzonderlijken vrede te sluiten met de Republiek werden door deze afgeslagen. In 1709 werd de voor ons land belangrijke slag van Malplaquet geleverd, welke door de geallieerden werd gewonnen, maar waarin de Staatsche infanterie grootendeels vernietigd werd, zoodat de Republiek zich in de volgende jaren niet meer kon laten gelden. In denzelfden tijd neemt de ontevredenheid in ons land toe, ten gevolge van de zware lasten en den stilstand van handel en nijverheid. Tot een uitbarsting komt deze ontevredenheid voornamelijk in Gelderland (plooierij). Zelfs weigerde men in dit gewest bij te dragen in de lasten van de Unie en zich te onderwerpen aan de uitspraken van den Staten-Generaal en slechts met veel moeite gelukt het Holland om de geschillen in Gelderland bij te leggen. In 1713 kwam de vrede van Utrecht tot stand, waarbij Nederland een deel verkreeg van Spaansch Opper-Gelder, terwijl bovendien bepaald werd, dat N ederlandsche waren bij invoer in België laag zouden worden belast, en Belgische waren bij invoer in Nederland hoog. Door middel van het Barrière-traktaat (1715) kreeg de Republiek de verplichting om in verschillende vestingen van de nu Oostenrijksch geworden Zuidelijke Nederlanden bezetting te leggen. De buitenlandsche politiek van de Republiek werd in de volgende jaren beheerscht door verschillende verdragen, n.l. het verdrag van 1674 met Engeland, waarbij bepaald was, dat indien een van beide staten in oorlog was geraakt met een derden staat, de andere staat het recht zou hebben met den derden staat handel te drijven; een verdrag van 1678, waarbij Engeland en de Republiek elkander beloofden te zullen steunen, wanneer een van beide staten mocht worden aangevallen door een derden; een verdrag van 1701, waarbij Nederland de Protestantsche opvolging in Engeland garandeerde en een verdrag van 1713, waarbij Frankrijk aan de Republiek verschillende voorrechten voor zijn handel verleende, terwijl het Barrière-traktaat de Republiek noodzaakte, bezetting te leggen in verschillende plaatsen van de Oostenrijksche Nederlanden.

Hierdoor werd de Republiek betrokken in de verhouding der drie mogendheden Engeland, Frankrijk en Oostenrijk, hetgeen geen bezwaar was zoo lang deze drie staten met elkaar in vrede leefden, zoodat b.v. de Republiek zich, wel is waar na lang talmen, in 1718 gerust kon aansluiten bij de Alliantie van deze drie staten tegen Spanje (Quadruple alliantie), dat een herziening van ’t vredestraktaat van Utrecht nastreefde, bij welks handhaving ook de Republ. belang had. Anders werd het echter in de volgende jaren toen de verhouding tusscheu Frankrijk en Engeland meer gespannen werd en Nederland ook belang kreeg bij de politiek van Oostenrijk. Zoo trad Nederland in verbinding met Engeland in 1726 ten einde te komen tot het opheffen van de Compagnie vau Ostende. Toen evenwel in 1739 de Negenjarige oorlog uitbrak tusschen Engeland en Spanje, en Engeland steun vroeg aan de Republiek, werd dit door haar geweigerd, omdat Frankrijk dreigde met intrekking van het handelstraktaat. In 1740 stelde Nederland zich tevreden met de verklaring van Frankrijk om de neutraliteit van de Oostenrijksche Nederlanden te erkennen, mits Nederland beloofde Engeland niet te zullen steunen, hoewel dit land hierop krachtens het traktaat van 1678 aandrong. In den beginne kon de Republiek dan ook buiten den oorlog blijven, hetgeen echter veranderde, toen Frankrijk de Stuarts steunde, die een poging deden om de kroon in Engeland te herwinnen. Nu was de Republiek krachtens het traktaat van 1701 genoodzaakt steun te verleenen, hetgeen ons land in strijd bracht met Frankrijk. Hoewel de Franschen langzaam opdrongen ten einde hier geen omwenteling te veroorzaken, is er toch in de Republiek een omwenteling ontstaan.

Hier toch was men al lang ontevreden over de wijze, waarop de Staatsgezinde partij het bewind voerde. Tal van misbruiken waren er in ’t bestuur geslopen en bovendien wilde de gegoede burgerij deel hebben aan de regeering. Wel was er in 1718 een vergadering geweest van afgevaardigden der verschillende gewesten om te komen tot verbetering van het bestuur, maar resultaat had deze z.g.n. Groote Vergadering op dit punt niet opgeleverd. Met steun van de Prinsgezinde partij wilden nu de ontevreden elementen aan de misbruiken en alleenheerschappij van de regenten een einde maken. In 1747 werd de stadhouder van Friesland onder den naam van Willem IV uitgeroepen tot stadhouder van Holland, Zeeland en de andere gewesten. In Amsterdam vond daarop in de jaren 1748 en 1749 een beweging plaats (doelisten-beweging) waarbij men er naar streefde, invloed te krijgen op de samenstelling van de regeering, verandering in de wijze van belasting heffen en een andere regeling van het postwezen. Van deze bewegingen wisten de aanhangers van den Prins gebruik te maken om diens gezag te vergrooten. Zijn macht als Algemeen Stadhouder en Kapitein-GeneraalAdmiraal der Unie werd erfelijk verklaard in de mannelijke en vrouwelijke linie; bovendien kreeg hij bevoegdheid om in verschillende steden de leden van de vroedschap aan te wijzen.

Van deze groote macht heeft de Prins geen gebruik gemaakt om verschillende misbruiken uit den weg te ruimen, zoodat de ontevredenheid niet alleen bestaan bleef, maar deze ontevreden elementen zich afwendden van de Prinsgezinde partij en als het ware een nieuwe partij vormden, welke men wel moemt die der democraten. Na den dood van Willem IV (1751), die eerst nog er voor gezorgd had, dat het bevel over het leger was opgedragen aan den hertog van Brunswijk, heeft zijn vrouw Anna van Hannover het regentschap over haar minderjarigen zoon Willem V in handen genomen (1751—1759). Onder haar bestuur kwam de Republiek opnieuw in moeilijkheid, doordat er in 1756 een oorlog was uitgebroken (Zevenjarige oorlog) tusschen Engeland en Frankrijk, met welk land de Republ., sedert den vrede van 1748, in vriendschappelijke verhouding had gestaan. Engeland eischte, dat de Republiek het traktaat van 1678 zou nakomen en toen dit geweigerd werd uit vrees, dat Frankrijk het handelstraktaat zou intrekken, eischte Engeland, dat de Republ. er in zou berusten, hout onder contrabande opgenomen te zien. Met het oog hierop zou dan door de regeering der Republiek beperkt convooi verleend worden, d. w. z. alleen voor die goederen, welke niet onder contrabande konden worden begrepen. Aangezien er met Frankrijk een belangrijke handel in hout werd gedreven en dit land voor den scheepsbouw veel hout noodig had, drong de Fransche regeering er op aan, dat de Republ. aan den Engelschen eisch van beperkt convooi niet zou voldoen. Tegen den zin van de Hollandsche kooplieden wilde Anna van Hannover, met het oog op den slechten toestand van leger en vloot, hierin niet treden, hetgeen een verwijdering tusschen de Staten en Anna van Hannover ten gevolge had. Na den dood van Anna in 1769 berustte het regentschap bij Brunswijk (1759—1766), die den Frieschen adel (o. a. de Van Harens) uit de omgeving van Willem V verwijderde en al het mogelijke deed om bij de regenten in ’t gevlei te komen, waarom hij Willem V overhaalde om, hoewel zijn waardigheid erfelijk was, een aanstelling van stadhouderen Kapitein-GeneraalAdmiraal der Unie aan de regenten te verzoeken.

Toen in 1766 Willem V meerderjarig was geworden, liet Brunswijk hem een stuk onderteekenen, waarbij Willem V zich verplichtte om in alle mogelijke zaken den raad in te winnen van Brunswijk, terwijl deze in geen enkel opzicht verantwoordelijk kon gesteld worden (acte van consulentschap). In een zeer moeilijke positie kwam de Republiek ten gevolge van het uitbreken van den Amerikaanschen vrijheidsoorlog (1776). De Engelsche regeering eischte n.l. de beschikking over de brigade Schotten, welke in Staatschen dienst stonden, waarvan de Engelsche regeering echter afzag, omdat de Rep. aan de toestemming verschillende bezwarende voorwaarden verbond. De steun, dien wij echter aan de Amerikanen verleenden door het invoeren van wapens van St. Eustatius naar Amerika, veroorzaakte een spanning tusschen de Republiek en Engeland, welke vergroot werd, doordat in 1778 de oorlog uitbrak tusschen Engeland en Frankrijk en de Engelsche regeering, na de weigering van de Republiek om krachtens het traktaat van 1678 steun te verleenen, overging tot intrekking van het tractaat van 1674. Een botsing kon nu niet uitblijven. Teneinde te verhinderen, dat de Republiek zich zou aansluiten bij het Verbond van Gewapende neutraliteit, tot stand gebracht door Catharina II van Rusland, besloot Engeland gebruik te maken van het bemachtigen van het ontwerp-handelstraktaat tusschen Amsterdam en de opgestane Amerikaansche koloniën, om aan de Republiek in 1780 den oorlog te verklaren. Het bleek al spoedig, dat de vloot van de Republiek niet in staat was, de koopvaardijschepen te beschermen tegen de Engelsche schepen, al streden wij ook tamelijk voorspoedig bij de Doggersbank, hetgeen in het land veel geestdrift verwekte en aanleiding was tot de oprichting van de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam.

Het slechte verloop van den oorlog en de stilstand van handel en nijverheid deed de ontevredenheid tot een uitbarsting komen. Democraten en staatsgezinden vereenigden zich tot de partij der Patriotten, welke er in de eerste plaats naar streefde om den stadhouder van zijn macht te berooven en dan te komen tot meerderen invloed van de burgerij op de regeering (Leidsch program 1781). Van een conflict met Oostenrijk, dat afstand van Maastricht en opening van de Schelde eischte, werd gebruik gemaakt om overal vrijwilligerskorpsen op te richten. Met den steun van Frankrijk, waarmede de Republiek sedert den vrede, die er in 1784 met Engeland tot stand was gekomen, nauw verbonden was, werd Oostenrijk tegen een schadeloosstelling bewogen afeerst nog de verhouding met Frankrijk (Verdrag van den Haag 1795), dat de beschikking kreeg over Zeeuwsch-Vlaanderen, Maastricht en Venlo en voorts garnizoenen zou mogen leggen in de vestingen langs de groote rivieren. Een verbond met Frankrijk verplichtte de nieuw ontstane Bat. Republ. tot ’t verleenen van milit. steun. In Maart 1796 kwam de door middel van getrapt kiesrecht gekozen Nat. Verg. samen.

Al terstond kwam de tegenstelling tusschen de naar centralisatie strevende Unitarissen en de meer voor een op federatieven grondslag berustenden staat voelende federalisten aan ’t licht. Aangezien de Nat. Verg. meer federalistisch van samenstelling was en aldus geen weerspiegeling gaf van de unitaristische meerderheid der grondvergaderingen, moest de grondwet, die in Nov. 1796 door de Nat. Verg. was aangenomen, wel verworpen worden door de grondverg. Een nieuwe Nat. Verg. kwam nu bijeen in 1797, die in samenstelling geen verschil opleverde met de eerste en dus geen resultaat kon opleveren. Nu besloten de Unitarissen, die gebruik wilden maken van de ontevredenheid over de nederlaag van de Bat. vloot bij Kamperduin en zeker konden zijn van den steun der regeering van Frankrijk, die pas een poging van de royalisten tot een tegenomwenteling verijdeld had, over te gaan tot een staatsgreep. Geleid door Daendels gingen zij over tot verwijdering van federalisten, waarop de romp der Nat.

Verg., bestaande voor de meerderheid uit Unitarissen, overging tot de samenstelling van de Grondwet (Jan. 1798). Deze kwam spoedig daarop tot stand en werd in de grondvergaderingen goedgekeurd. De Wetgevende macht zou berusten bij een vertegenwoordigend lichaam, dat zich zou splitsen met ’t oog op de wetgeving in twee deelen, waarvan ’t eene deel de wetten zou ontwerpen en ’t andere deel die zou behandelen. Tevens zou ‘t Verteg. lichaam uit zijn midden kiezen een Uitvoerend bewind, bestaande uit vijf directeuren, die bijgestaan zouden worden door agenten. De verschillende schulden werden geamalgameerd, eenheid zou er gebracht worden in de regeling der rechtspraak, der belastingen en de financiën. Scheiding van kerk en staat kwam tot stand. Een fout van de grondwet was, dat er geen overgangsbepalingen waren, waardoor er verwarring ontstond, welke vergroot werd doordat men bij de grensregeling der nieuw ingestelde departementen gebroken had met de oude grenzen der provinciën. Toen de Nat.

Vergadering zich wilde opwerpen tot Vertegenw. lichaam ging Daendels over tot een tweeden staatsgreep, ten einde te zorgen voor naleving der pas aangenomen grondwet (Juni 1798). De nieuw aangestelde regeering had al dadelijk te kampen met moeilijkheden. Door het bondgenootschap met Frankrijk werd de Bat. Rep. gewikkeld in den oorlog met Engeland, dat in vereeniging met Rusland hierheen troepen zond, die bij den Helder landden (1799). Een poging van de prinses om een opstand te verwekken mislukte. Een poging van de HollandschFransche troepen om de Engelsch-Russ. troepen terug te drijven mislukte door de nederlaag bij de Zijpe. Toen de Eng.-Russ. legers er echter stand te doen van zijn eischen betreffende Maastricht en de Schelde, terwijl de Republiek er in toestemde de Barrière-steden te ontruimen (1785, verdrag van Fontainebleau). In Holland nam de beweging van de Patriotten tegen den Prins steeds scherper vormen aan.

Ten slotte ging Willem V er toe over om den Haag, waar men hem het bevel over de troepen ontnomen had, te verlaten. In 1786 dreigde het te zullen uitloopen op een burgeroorlog, doordat de Prins met geweld zijn gezag te Utrecht zocht te herstellen, hetgeen hem echter ten gevolge van een nederlaag bij Vreeswijk niet gelukte. Tusschen de democraten en staatsgezinden brak na het vertrek van Willem V een twist uit, waarvan Wilhelmina, de vrouw van Willem V, gebruik wilde maken om het gezag van haar man te herstellen. Wanneer zij bij Goejanverwellesluis wordt tegengehouden, is dit voor den koning van Pruisen, daartoe aangezet door Engeland, dat de macht van Frankrijk wilde verminderen, een aanleiding om in Holland tusschen beide te komen, terwijl Engeland er voor zorgt, dat Frankrijk de Patriotten niet zal kunnen steunen. Zonder veel moeite wordt nu door een Pruisisch leger onder den hertog van Brunswijk het gezag van Willem V hersteld, die nu onder bescherming komt van Engeland en Pruisen, welke beide zijn heerschappij garandeeren. (Acte van Garantie 1787). Een scherpe reactie volgde nu. Velen verlieten het land, gingen eerst naar Brussel en daarna naar St. Omen, waar zij kennis maakten met de gebeurtenissen van de Fransche revolutie.

Ondertusschen wordt in Holland door van den Spiegel moeite gedaan om de financiën van de Republiek te verbeteren, terwijl prinses Wilhelmina, die de leiding van het bewind in handen nam, van den opstand in België (1790) gebruik wilde maken om een harer zoons daar aan het bewind te krijgen, hetgeen echter mislukte. In 1793 geraakte de Republiek in oorlog met Frankrijk. De Fransche legers, die onder Dumouriez, gesteund door een korps Patriotten onder Daendels, al bij de groote rivieren verschenen waren, werden door de nederlaag bij Neerwinden genoodzaakt terug te trekken. In 1794 echter slaagden zij onder bevel van Pichegru er in ons land binnen te dringen, waarop in Jan. 1795 Willem V besloot, de vlucht te nemen naar Engeland. De bestaande regeeringscolleges werden vervangen door provisioneele regeeringen. De Republiek der Ver. Nederl. had opgehouden te bestaan; in plaats van haar kwam de Bataafsche republiek.

IV. Periode van 1795 tot 1813. Op vreedzame wijze had de omzetting der verschillende bestuursorganen plaats gevonden. De leiding bleef berusten bij de patriottisch geworden Staten-Generaal, die door een reeks van besluiten aan den nieuw ingetreden toestand een rechtsgrond gaf. Aan het Comité tot de Algemeene Zaken van het Bondgenootschap te lande, zooals de vroegere Raad van State werd genoemd, verleenden zij de opdracht een plan te ontwerpen tot bijeenroeping eener nationale vergadering, die in de plaats zou treden van de Staten-Generaal en de grondwet zou tot stand brengen. De Staten-Generaal regelden niet in slaagden, om door te breken tengevolge van de nederlagen bij Bergen en Castricum, verkreeg de Eng. generaal Yorke bij de conventie van Alkmaar van den Franschen bevelhebber Brune vrijen aftocht. Al werd de Rep. bevrijd van de Eng. troepen, zoo was de oorlog met Engeland voor onzen handel uitermate nadeelig; ontstond hierdoor ontevredenheid, zoo werd deze nog vergroot door de moeilijkheden, die de toepassing der grondwet meebracht. Napoleon, die in Frankrijk het gezag in handen had, besloot hier ook verandering te brengen. In 1801 droeg hij aan 3 leden van ’t Uitv.

Bewind op, een nieuwe constitutie te ontwerpen, hoewel de door de grondwet geëischte termijn van 5 jaar nog niet verstreken was. Niettegenstaande het ontwerpgrondwet door de kiezers werd afgestemd, werd dit ontwerp met steun van Frankrijk tot grondwet verheven (1801). Deze constitutie was meer decentraliseerend en minder democratisch. Alle macht berustte feitelijk bij het uitvoerend bewind, het z.g. Staatsbewind. Tijdens het bestuur van deze regeering (1801—1805) kwam er een regeling van onderwijs tot stand. Op den duur echter beviel ook deze regeeringsvorm niet aan Napoleon. In 1805 gelastte hij aan den Bataafschen gezant te Parijs, Rutger Jan Schimmelpennink, een nieuwe grondwet te maken en het bestuur over de Bataafsche Rep. als raadspensionnaris op zich te nemen, hetgeen deze, hoewel met tegenzin, deed. Tijdens de regeering van dezen (1805—1806) kwam er een verzoening tot stand tusschen de Prinsgezinden en den door de omwenteling geworden toestand.

Hoewel dit bewind slechts een jaar heeft geduurd, heeft het veel tot stand gebracht. Zoo gaf Gogel een verbetering van het finantiewezen door het invoeren van een grondbelasting, personeele belasting en patentbelasting, terwijl van Straalen tot stand bracht een regeling van het binnenlandsch bestuur. Op den duur beviel echter ook deze regeeringsvorm niet aan Napoleon. In 1806 werd door hem zijn broer Lodewijk Napoleon aangewezen als koningvan het nieuw gevormde koninkrijk Holland. Naar den wil der bevolking werd hierbij niet gevraagd. Tijdens het bestuur van dezen koning kwamen er belangrijke wetten tot stand. Het lager onderwijs werd geregeld. Een codificatie van het recht en een hierarchische indeeling van de rechterlijke macht kwam tot stand.

Lodewijk wilde volkomen souverein zijn en moest daardoor in conflict komen met zijn broer, die hem geheel en al als een vazal beschouwde. Zoo weigerde hij, hoewel ’t rijk feitelijk in staat van bankroet verkeerde, over te gaan tot tiërceering van de staatsschuld, hetgeen door Napoleon werd aangeraden als middel tot verbetering van het crediet. Eveneens weigerde hij de conscriptie door te voeren. Toen nu in 1809 bij den inval van de Engelschen in Zeeland de zwakte van het koninkrijk en het daarmede verbonden gevaar voor den Franschen staat aan den dag kwam, besloot Napoleon door te tasten en Holland te annexeeren. Tevergeefs beproefde Lodewijk zijn kroon te redden door zich allerlei vernederingen te laten welgevallen. Tenslotte deed hij afstand van de regeering en trok naar Oostenrijk. Hierop ging Napoleon over tot annexatie van het koninkrijk Holland. (Juli 1810). Met de leiding van de regeering werd belast als landvoogd Lebrun, hertog van Plaisance, die naast zich had als bestuurder van binnenlandsche zaken d’Alfonse.

In den korten tijd, dat het gezag hier door de Franschen werd uitgeoefend, zijn er verschillende veranderingen gekomen in de regeling van het bestuur. Zoo werden hier meerendeels Fransche wetten ingevoerd (Code penal en Code civil), terwijl, dank zij het Fransche initiatief, men er ook toe over ging verschillende nieuwe gewassen (suikerbieten) aan te planten; ook begon de textielnijverheid zich te ontwikkelen (in Twente). Toen in ons land het bericht doordrong van de nederlaag, die Napoleon geleden had bij Leipzig, vormden er zich in verschillende steden comité’s met het doel de orde in de plaats en haar omgeving te handhaven. Met dit doel stelde zich echter het comité van den Haag onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp niet tevreden. Deze trachtte te komen tot een herstel van de onafhankelijkheid van Nederland. Toen pogingen, om hierbij den steun te krijgen van Oranjegezinden en Patriotten mislukten, besloot hij door te tasten. Misschien aangezet door Kemper, gingen hij en zijn vrienden v. d. Duyn van Maasdam en van Limburg Stirum er toe over, om zich tot voorloopig bestuur te proclameeren, dwongen de andere Hollandsche steden zich bij hen aan te sluiten en zonden een uitnoodiging aan Willem van Oranje, die in die dagen in Engeland vertoefde, om naar Holland te komen, hetgeen deze in Dec. 1813 deed. Het gevolg van deze daad is geweest, dat Rusland en Pruisen, wier troepen in December ons land binnen drongen, Nederland niet meer beschouwden als bevrijd gebied maar als bondgenoot.

Willem van Oranje aanvaardde de regeering op voorwaarde, dat er een grondwet gemaakt zou worden. Onder voorzitterschap van Van Hogendorp kwam er een commissie, die van H.’s schets eener constitutie tot leidraad nam en spoedig met haar taak gereed was. In Maart 1814 werd de nieuwe grondwet door een vergadering van notabelen aangenomen. De uitv. macht berustte bij den souv. vorst, de wetg. macht bij dezen en een door de Prov. Staten gekozen Staten-Gen. De macht van de vorst was feitelijk onbeperkt, doordat ’t toezicht van de Stat.-Gen. op de financiën weinig te beduiden had (gesplitste begrooting; de vaste uitgaven werden eens voor altijd vastgesteld) en de min. slechts de dienaren waren van den vorst. In de Prov. Staten had de adel groote macht,terwijl in de sted. besturen ’t volk eveneens weinig invloed bezat.

Van Dec. 1813 tot Maart 1814 regeerde Willem I geheel en al als absoluut vorst. De Fransche bestuursmaatregelen werden bestendigd, terwijl hij door zijn verbod van afkoop van heerlijke rechten bewees te zullen regeeren in reactionnairen zin. Toen in 1814 door de mogendheden besloten was om België met Nederland te vereenigen (Verdrag van Troyes) en deze aangelegenheid nader te Londen was geregeld, waarbij aan den nieuwen staat de koloniën met uitzondering van Kaap de Goede Hoop wer den teruggegeven en de Zuidgrens naar ’t Zuiden verlegd werd, nam Willem, als koning der Nederlanden, de regeering over beide landen op zich. Met 't oog op den geschapen toestand was een nieuwe grondwet noodig. Bij deze grondwet, die in 1815 tot stand kwam, en waarbij ingevoerd werd het tweekamerstelsel, werd aan den adel en den koning een zeer groote macht gegeven. Van eigenlijken invloed van het volk op de regeering was geen sprake. Deze macht van den koning werd nog vergroot door de Wet op het Amortisatie-syndikaat, waardoor de koning de gelegenheid kreeg gelden te krijgen buiten de begrooting om, terwijl hij door de Wet van 1818, die hem gelegenheid gaf alles te regelen bij Koninklijk besluit, bij zijn wetgeving de hulp van de Staten-Generaal niet meer noodig had. Voor het overige is de regeering van Willem I een periode geweest van opbouw.

Verschillende kanalen werden er gegraven. Wegen werden aangelegd en handelsinstellingen gesticht (Nederlandsche Bank en Handelmaatschappij). De politiek tegenover de Belgen was echter minder gelukkig. Hier joeg hij eerst de Katholieken, die toch al niet gediend waren van vereeniging met het Protestantsche Noorden, gelijk gebleken was uit de oppositie van de Broglie, bisschop van Gent, tegen de grondwet van 1815, tegen zich in het harnas door de regeling van de opleiding der geestelijkheid, terwijl hij later de liberalen, die al ontevreden waren over den reactionnairen geest van de regeering, geheel en al van zich vervreemdde door het sluiten van een concordaat met den paus, waarbij deze vrijheid zou krijgen de kerkelijke zaken in de Nederlanden te regelen (1827; en door zijn beperking van de vrijheid van drukpers. Hierbij kwam nog, dat men zich in België in de vertegenwoordiging in de StatenGeneraal en bij ’t bekleeden van ambten zich achtergesteld voelde bij het Noorden. Er kwam een fusie tot stand tusschen Katholieken en liberalen. In 1830, na het uitbreken van de Julirevolutie te Parijs, kwam er ook in Brussel een opstand, waarbij gedacht moet worden aan een stoken van Frankrijk, dat zijn invloed in het Noorden wilde vestigen. De Engelsche regeering begon zich met de zaken te bemoeien en beproefde een verzoening tot stand te brengen, hetgeen echter door de weifelende houding van den koning mislukte.

Tenslotte ging men in België, dat eerst aangedrongen had op een administratieve scheiding, er toe over, om een volledige scheiding te eischen. Nadat door het bombardement van Antwerpen de verbittering aanmerkelijk gestegen was, werd door het Nationaal Congres besloten, dat het huis Oranje van de regeering was uitgesloten. (Nov. 1830). In Jan. 1831 kwam er een regeling tot stand te Londen, waarbij het beginsel van scheiding werd aangenomen. Het bezit van Limburg en Luxemburg werd aan Nederland gewaarborgd, terwijl België 16/31l van de staatsschuld zou overnemen, waartegenover België de vrije vaart op de koloniën kreeg (Protocol van Jan. 1831). De Belgen konden zich met deze regeling, die door Willem I was aanvaard, niet vereenigen en toen Leopold van Saksen-Coburg in Juni 1831 tot koning gekozen was, wist hij te Londen een nieuwe regeling te krijgen, waarbij aan België uitzicht werd gegeven op het bezit van Limburg en Luxemburg en een nieuwe verdeeling van de Staatsschuld in uitzicht werd gesteld. (Art. van Juni 31). Nu besloot Willem I, die deze regeling niet kon aannemen, gewapenderhand op te treden. Na 10 dagen tijds wisten de Nederlandsche troepen de Belgen te verslaan bij Hasselt en Leuven (Tiendaagsche veldtocht; 1—11 Augustus 1831), maar van hun overwinning konden zij geen profijt trekken door de interventie van Frankrijk. Er kwam nu te Londen een derde regeling tot stand, waarbij aan Nederland een deel van Luxemburg en Limburg werd gewaarborgd en België een bepaald bedrag in de rente der Staatsschuld zou bijdragen.

Willem I, die meende dat er een verandering in de constellatie van Europa zou komen (Artt. van Oct. 1831), wilde zich bij deze regeling niet neerleggen. De mogendheden Engeland en Frankrijk gingen er nu toe over om beslag te leggen op onze Nederlandsche schepen, terwijl Fransche troepen generaal Chassé dwongen Antwerpen over te geven (1832). In 1833 kwam er een voorloopige regeling tot stand, waarbij België ’t beheer over Limburg en Luxemburg kreeg tot de definitieve regeling was getroffen (Status Quo). Voor Nederland was deze toestand uiterst nadeelig, daar de handel er de nadeelige gevolgen van ondervond. Eerst in 1838 verklaarde Willem I de artt. van Oct. 1831 te aanvaarden. Door de moeilijkheden, welke België naar voren bracht, kwam de definitieve regeling eerst in 1839 tot stand.

De scheiding met België maakte grondwetsherziening noodig; de financiëele toestand was door de langdurige mobilisatie onhoudbaar; in 1839 was de rente der Staatsschuld 35 mill. gld.; het tekort 15 mill. Toen de Handelsmaatsch. aan de regeering verdere voorschotten weigerde, beproefde deze een leening ten laste van lndië, die de Tweede Kamer verwierp, evenzoo de begrooting voor 1840; een credietwet kwam met moeite tot stand. De min. van fin. en kol. (van den Bosch) traden af. De wijze waarop n.l. toegestane gelden besteed waren, was oorzaak ervan. De ontwerpen van grondwetsherziening, thans ingediend, waren beperkt. Ofschoon een liberale strooming, als wier leiders Thorbecke (die eene „Proeve van Grw.herz.” uitgaf). Potgieter en Donker Curtius optraden, ruimere herziening vroeg, wist de reg. de Staten-Gen. te winnen door ’s lands financiën openbaar te maken en belofte van opheffing van het Amortisatie-syndicaat (in 1841 geschied, voor f 1000 nominale uitgestelde schuld kreeg men ƒ 68 erkende). De Grondwetsherziening van 1840 bepaalde zich tot vermindering der krooninkomsten, strafrechterlijke verantwoordelijkheid der ministers, de Tw.

Kamer gebracht op 55 leden met 3 uit Limburg (dat tevens tot den Duitschen Bond zou behooren als vergoeding voor BelgischLuxemburg), splitsing van Holland in Noord- en Zuid-H., periodieke aftreding der stedelijke raden, mededeeling der koloniale begrooting aan de St.-Gen. met wettelijke regeling van het batig slot. In de Dubbele Kamer, nu bijeengekomen, was oppositie van Thorbecke en De Kempenaer eenerzijds, van Groen van Prinsterer, die herziening wilde op „Christelijk-nationale” beginselen anderzijds, maar behalve het genoemde over de stedelijke raden, werd alles aangenomen (Sept. 1810). Kort daarop deed Willem I afstand, ook wegens de ergernis, die zijn voornemen tot een tweede huwelijk met gravin d’Oultremont (eene Kath. Belgische) had opgewekt. De nieuwe koning Willem II wenschte voorloopig geen veranderingen in het staatsbestuur; alleen werden allengs de oude ministers vervangen: de gehate van Maanen in 1842 door van Hall (justitie). De financieele toestand bleef zorgwekkend en na mislukte conversiepogingen trad in 1843 van Hall ook als minister van financiën op. Deze wist met den afgetreden koning, kort vóór diens dood, een voor 't rijk zeer voordeelige schikking te treffen: de koning zag van zijn aanzienlijke vorderingen meest af en beloofde 10 mill. in van Hall s ontworpen staatsleening door zijn erven vervuld. Deze bedroeg 127 mill. a 3 %, vrijwillig, anders gedwongen.

Ondanks heel wat verzet, slaagde zij in Maart 1844. Thans werden de schulden aan de Handelmaatsch. vereffend, de obligaties van 5 en 41/2% in 4 % geconverteerd, in volgende jaren het muntstelsel verbeterd, terwijl de groote baten uit het cultuurstelsel uitgebreide schulddelging mogelijk maakten. Dn ontwikkelde burgerij wilde een grooter aandeel in t staatsbestuur, waarvan deregeering afkeerig bleef, zoo bij de indiening van een voorstel in 1844 door 9 leden der Tweede Kamer (Thorbecke, Luzac, van Rechteren, de Kempenaer e. a.) tot grondwetswijziging, behelzend o. m. directe verkiezingen. De regeering keurde het af als ontijdig en de Tweede Kamer besloot het niet te behandelen (1845). De ontevredenheid nam toe vooral door den slechten economischen toestand. De handel kwijnde onder het stelsel van bescherming; de nijverheid was weinig ontwikkeld en kon alleen door preferentiëele tarieven in Indië bestaan; het verkeerswezen maakte nog weinig van den stoom gebruik, te water alleen op de binnenvaart, terwijl enkele spoorweglijnen waren aangelegd. (In 1839 begon de Holl. IJz. Sp. Maatsch. (H.

IJ. S. M.) met Amsterdam—Haarlem, in 1847 tot Rotterdam voltooid, om denzelfden tijd de Rijnspoorweg-mij. (N.R.S.); de verbinding Amst.—Utr.—Arnh. was in 1846 gereed. Beide ondernemingen waren evenwel slechts mogelijk geweest door den steun van W. I en zijn erven). De armoede onder het volk nam toe. Uitbarstingen zijn niet uitgebleven, toen in 1845/46 de aardappeloogsten evenals die van graan hier als ook elders, mislukten en de levensmiddelen ongekend in prijs stegen. In verschillende steden hadden oproeren plaats met plunderingen. In de pers uitte de oppositie zich steeds forscher, ongeacht vervolgingen. Vooral de Arnh.

Ct., als liberaal orgaan, weerde zich. Vele blaadjes en pamfletten uit dien tijd waren overigens niet meer dan schotschriften. De regeering en de St.-Generaal waren niet tot een anderen koers geneigd; minister van Hall wenschte ruimere grondw.herz., maar moest einde 1847 aftreden. De rev. van 1848 in Frankrijk, Duitschl., Oostenrijk en Italië bracht ook hier verandering. De koning, onder indruk der berichten uit Duitschland, besloot tot toegeven aan de volkswenschen. Buiten zijn min. om ontbood hij 13 Maart den voorzitter der Tw. K. om haar gevoelens over grondwetsherziening te vernemen. De min. dienden hun ontslag in.

De Tw. K. rapporteerde in vrijzinnigen geest, waarop de koning, op raad van Donker Curtius, weder buiten de ministers om een commissie van 5 (Thorbecke, Luzac, Donker Curtius, De Kempenaer en Storm) benoemde om een nieuwe grondwet te ontwerpen (17 Maart). Het samenstellen van een min. vlotte eerst niet; toen de cons. ministers tenslotte weigerden te wachten, liet de gezant te Londen, graaf G. Schimmelpenninck, politiek een middenman, zich voor de leiding vinden; Donker Curtius nam justitie op zich, Luzac binnenl. zaken. De grondwetscommissie was spoedig gereed met een ontwerp, maar Schimmelpenninck kon zich hiermee niet vereenigen en ging heen, waarop Donker Curtius de leiding kreeg. De reg. bood nog een toevoeging aan de ontwerpen, die in Aug. in de Tw. K. werden behandeld, in Sept. door de E. K., waarop den 14 Oct. alles was aangenomen; de koning bekrachtigde terstond en liet 3 Nov. de nieuwe Grondwet plechtig afkondigen. De Koning zou onschendbaar zijn, doch de ministers verantwoordelijk. De St.-G. vormen de wetgevende macht in 2 Kamers: de E. K. 39 leden, door de Prov.

Staten voor 9 jaar gekozen (1/3 om de 3 jaar aftredend) en de Tw. Ks gekozen uit rechtstreeksche verkiezingen, 1 lid op 45.000 inw. in districten, voor 4 jaar, de helft om de 2 jaar periodiek aftredend. Beide Kamers kregen het recht van interpellatie; de Tw. K. alleen had het recht van initiatief, enquête en amendement. Het kiesrecht was verbonden aan een aanslag in de rijks directe bel. Provinciaal- en gemeentebestuur zouden nieuw door de wet worden ingericht. Het onderscheid tusschen steden en platteland verviel; de kiezers der Pr. Staten waren dezelfden als voor de Tw.

K., voor den Gemeenteraad was een lagere aanslag voldoende. Aan de burgers werd vrijheid van godsdienst en drukpers verzekerd, evenals recht op briefgeheim. De gezeten burgerij was ingenomen met den nieuwen toestand; meer democratische inrichtingen, b.v. uitgebreid of algemeen kiesrecht, vonden hier toen geen aanhang. De verkiezingen, volgens een voorloopig reglement, Nov. 1848, vielen in liberalen geest uit. Tegenstanders van den nieuwen toestand waren schaarsch in de Tw. K., o. a. de grondvester der antirevolutionnaire partij Groen van Prinsterer, voorvechter der „Christelijk-historische” beginselen in het staatsrecht. Partijorganisaties, zooals wij die kennen, bestonden niet; men had plaatselijke kiesvereenigingen. Kort na de opening der nieuwe St.-Gen. overleed Willem II, Maart 1849.

De nieuwe koning Willem III gold als autocratisch, maar zijn proclamatie bij de eedsaflegging stelde gerust. Op den duur kon het min.Donkor Curtius aan de liberale meerderheid niet voldoen. Zijn ontwerpen werden verworpen of ingetrokken en het nam in September 1849 ontslag. Tegen zijn zin riep de koning nu Thorbecke aan ’t bewind. Met een programma verscheen het min. niet; „Wacht op onze daden’’, antwoordde zijn leider aan Groen. Deze bleven niet uit. Thorbecke bracht de Kieswet (1850), de Provinc. wet (1850), de Onteigeningswet (1851), de Gemeentewet (1851) tot stand. De Kieswet ging met den census zoo ver als de Grondwet toeliet, maar de gemeenten werden in klassen naar de belastingen verdeeld en met de klasse steeg de census.

Al werd nu het aantal kiezers tot circa 100.000 uitgebreid, het vormde nog geen 4 % der bevolking. De Provinciale en Gemeentewet gelden in hoofdzaak nog heden; zij huldigen een ruime mate van zelfbestuur. De Onteigeningswet maakte spoorwegaanleg eerst goed mogelijk. Niet minder deed de min. van financiën van Bosse (reeds in ’t vorige kabinet werkzaam). Zijn Postwet 1850 voerde een geregelden postdienst in, met staatsmonopolie en verlaagd tarief. In 1852 volgde een rijkstelegraafdienst (Telegraafwet). De Scheepvaartwetten, 1850, brachten ons land op den weg van den vrijhandel: geen bevoorrechting meer der Nederl. vlag bij in- en uitvoerrechten en tonnengeld, opheffing van doorvoerrechten, eveneens van de Rijn- en IJseltollen. Scheepsbouw werd aangemoedigd.

Van de accijnzen werden die op varkens- en schapenvleesch afgeschaft. Een betere regeling van het armwezen was zeer noodig, maar het ontwerp daartoe, dat de instellingen onder staatstoezicht bracht, wekte den tegenstand der kerkbesturen, die een adresbeweging op touw zetten. Daarbij kwam voorjaar 1853 een nieuwe gisting. Reeds sedert jaren was er sprake van herstel der Kathol, hiërarchie (bisdommen) in Nederland, maar eerst in 1851, na een groot adres der Nederl. Kath., besloot de Paus daartoe over te gaan en gaf den nuntius last de zaak voor te bereiden. De Nederl. reg. had er niet op tegen, maar drong op voorzichtigheid aan en met name op tijdig bericht; vooral wilde zij gekend zijn in de vestiging der bisschopszetels. Maar het Vaticaan zond 7 Maart 1853 een brève, na gehouden consistorie, in ’t licht dat de nieuwe regeling bevatte: 1 aartsbisdom (Utrecht) en 4 bisdommen, zonder voorafgaande mededeeling. Een groote Protestantsche beweging, niet alleen onder rechtzinnigen, ontstond (de z.g. Aprilbeweging).

Een vloed van brochures, vaak zeer overdreven, verscheen; van Utrecht uit werd een adres op touw gezet, dat 200.000 handteekeningen verwierf. Nu toch zagen de conservatieven kans den gehaten Thorbecke ten val te brengen. In de Tweede Kamer behield de regeering het veld ; 18 April verklaarde zij van de feiten onkundig te zijn geweest en tot optreden onmachtig, immers het recht van placet was afgeschaft. Doch daarbuiten was over haar lot beslist. Bij zijn bezoek werd op 14 April den Koning te Amsterdam een adres aangeboden tegen de nieuwe regeling bij monde van ds. B. ter Haar. Deze antwoordde niet in den zin van het min., dat den koning een concept van antwoord had aangeboden, waarop door de min. ontslag werd gevraagd, dat aanstonds werd verleend. Van Hall kreeg last een ministerie te vormen, waarin Donker Curtius voor justitie, van Reenen voor binnenl. zaken optraden.

Het nieuwe min. noemde zich een „koninklijk min.”, tevens een van „apaisement” (bevrediging). Doch degenen, die nu hoopten het werk der laatste jaren vernietigd te zien, bevredigde het in geenen deele ; zijn verklaring (in de St.Ct.) „verzekerde eerlijke uitvoering der Grondwet”, „handhaving van de rechten der Kroon en van de vrijheden der Natie”. Deze werd nu door kamerontbinding geroepen zich uit te spreken en de verkiezingen in Mei veranderden de Tweede Kamer: de Thorbeckianen leden groote verliezen. (Th. zelf kon alleen te Maastricht gekozen worden). Het min. voldeed aan de prot. te Rome, door een wet op de Kerkgenootschappen (1853), die het weinig ingrijpende staatstoezicht regelt en door een Armenwet, 1854, openbare armenzorg tot politiezaak beperkend. De periodieke verkiezingen van 1854 vielen weer ten gunste der liberalen uit; vooral de anti-rev. leden verliezen. Gevolg was liberale regeeringspolitiek. In 1854 werden de lijfstraffen afgeschaft, in 1855 wetten op de ministerieele verantwoordelijkheid en op het recht van vereeniging en vergadering (zeer vrijgevig) tot stand gebracht. Een weldaad voor 't volk was de afschaffing van den accijns op het gemaal, 1855, met behulp der oppositie en eenige cons.

Het ontwerp tot regeling van het lager onderwijs van min. van Reenen handhaafde de algemeene school, welke de anti-rev. door gezindtescholen wilden vervangen. Een volkspetitionnement daartoe bracht het niet ver, ca. 9000 onderteekeningen, maar het maakte indruk op den koning, die een toelichting van Groen aannam. Hij verzocht het min. er rekening mee te willen houden; dit trad af, niet meer ’s konings vertrouwen hebbende (1856). Groen zag in, geene regeering te kunnen vormen en zoo kwam de leiding aan van der Brugghen, wel een anti-rev., een man van het Réveil, maar ethisch-irenisch. Het min. noemde zich een van „conciliatie” (verzoening), doch de min. van binn. zaken Simons, een der onderteekenaars van het petitionnement, werd daarvoor minder geschikt geacht en door verwerpen zijner begrooting tot ontslag gedwongen. Diens opvolger van Rappard wist in 1857 een nieuwe wet op het Lager Onderwijs tot stand te brengen, die de neutrale school, opleidend tot „Christelijke en maatschappelijke deugden” handhaafde, wel eenige verbetering bracht ook voor de onderwijzers, al bleven deze een zeer slecht bezoldigde stand, en m.u.l.o. scholen subsidieerde. Groen had het ontwerp, ook verdedigd door zijn vroegeren partijgenoot, scherp bestreden, zich beroepen op „het volk achter de kiezers”, maar vergeefs en bedankte na de aanneming als kamerlid. Verder bleek de regeering niet het vertrouwen der Kamer te hebben; in 1858 werd het vervangen door het min.-Rochussen— van Goltstein zich aandienend als ministerie van „fusie” tusschen conservatieven en liberalen.

Twee vraagstukken waren op den voorgrond gekomen, het koloniale beheer of wel de heerschappij van het cultuurstelsel en het spoorwegvraagstuk. Vrije arbeid contra cultuurdwang werd een hoofdpunt van den strijd. Minister Rochussen, vroeger gouv.-gen., kon in dien geest de liberalen niet voldoen; wel vond hij in Indië „veel goed te maken”; de afschaffing der slavernij zette hij door (1859). De aanleg van een behoorlijk spoorwegnet in ons land was dringend; sedert 1848 waren er slechts bijgekomen twee lijnen door buitenl. Maatschappijen aangelegd : Aken— Maastricht en Esschen—Moerdijk (1855) met zijlijn naar Breda (Belg. onderneming), benevens de verbinding Arnhem—Emmerik (1866) en de lijn Rotterdam—Utrecht (1857) van den Rijnspoorw. Het min.-van Bosse slaagde er niet in de spoorwegkwestie te regelen, waarop min. van Hall optrad (1860), wien het gelukte de kwestie op te lossen.

Men zou overgaan tot den aanleg van 10 lijnen, op verschillende plaatsen aan te vangen, waarvoor de staat minstens 10 mill. per jaar zou besteden. Het geld kwam uit de Indische baten. De exploitatie zou nader bij de wet worden geregeld. In 1861 trad v. Hall af. Het nieuwe min. stond onder leiding van J.

P. P. v. Zuijlen v. Nijevelt en bar. v. Heemstra; het zou de „ware liberaliteit” toepassen. Maar de min. van koloniën Loudon was geen vriend van het cultuurstelsel zooals v. Zuylen, hetgeen tot een conflict leidde met aftreding van het min. (begin 1862). Het had een Wet op den Raad van State en een Militiewet (5 jaarklassen van 11.000 man) gegeven. Na vergeefsche pogingen moest de koning thans Thorbecke weer aan ’t bewind roepen, daar zijn invloed in ’t parlement elk min. op den duur onmogelijk maakte. Het 2e min.-Thorbecke beloofde maatregelen, „geschikt om zelfstandige kracht te ontwikkelen’, weinig staatsbemoeiing. Van overwegende beteekenis zijn de wetten van 1863 geweest tot aanleg van betere zeewegen voor Amsterdam en Rotterdam (Noordzeekanaal, 1876 gereed, eerst nog aan een maatschappij opgedragen en Nieuwe Waterweg naar plannen van Caland uit 1853, van 1866—72 volbracht). De Wet tot exploitatie van Staatsspoorwegen, 1863, gaf dit bedrijf aan een nieuwe maatschappij (de S.S.); (in dit jaar kwam de eerste lijn in gebruik; in 1872 waren alle lijnen, bij de Wet van 1860 voorzien, gereed). Van groote beteekenis zijn ook geweest de Wet op het Middelbaar Onderwijs (zie MIDDELBAAR ONDERWIJSWET) 1863 en de Geneeskundige Staatswetten 1865, een staatsbevoegdheid instellend voor dokters en apothekers, benevens een geneeskundig staatstoezicht.

De gunstige fin. toestand bevorderde hervormingen. De min. van financiën Betz slaagde met een nieuw tarief van in- en uitvoerrechten, in hoofdzaak het ontwerp van Hall. In 1863 verviel de accijns op brandstoffen; in 1865 werden de gemeentelijke accijnzen (de vroegere stedelijke) afgeschaft. Als vergoeding kregen de gemeenten 4/5 van de person. belasting. Op koloniaal gebied drong de nieuwe koers door, vooral met den min. Fransen van de Putte, in 1863 opgetreden. Deze bracht in 1864 de Ind. comptabiliteitswet tot stand, die de koloniale begrooting voor goed bij jaarlijksche wet regelde. In Suriname en Ned.

West-Indië was in 1862 de slavernij afgeschaft, in 1865 kregen deze koloniën regeeringsreglementen,Suriname daarbij gekozen Koloniale Staten. Intusschen stond de regeering minder sterk; een paar ministers waren afgetreden (de min. van financiën, toen in 1865 openbaar werd, dat hij Limburg uitstel met de nieuwe regeling der grondbel. beloofde, indien de verkiezingen gunstig waren). In de Indische politiek bleek tweedracht bij de liberalen; de vooruitstrevenden wilden niet langer Indië zien uitgebuit ten bate onzer schatkist; hun leiding had Fransen v. d. Putte, gesteund door van Bosse, wiens doel steeds was onze financ. onafhankelijk te maken van Indische baten. Verschillende anderen ging dit te snel. Een conflict tusschen Thorbecke en Fransen v. d. Putte over de wetgeving in Indië maakte aan ’t min. een einde, begin 1866. Laatstgenoemde vormde nu een kabinet met van Bosse, Geertsema e. a. Hij kwam met een ontwerp-cultuurwet, dat vrijen arbeid invoerde met privaat grondbezit van den inlander. Op dit laatste viel het ontwerp door een amend., met steun van Thorb., die het nieuwe beginsel onrijp oordeelde (Mei 1866). De conservatief Mijer, min. van kol. onder v. d. Brugghen, werd nu belast met de vorming van een min., waarin cons. als J. Heemskerk Az., de anti-rev. graaf v. Zuylen v. Nijevelt en de cons.

Kath. Borret zitting namen, het z.g. „nationale ministerie” van Juni 1866, waarop de anti-rev. partij haar hoop vestigde in de schoolkwestie, maar al aanstonds stelde v. Zuylen deze te leur. In Sept. verliet Mijer het min. ter aanvaarding van het gouv.-generaalschap in Indië ; hierover gaf de regeering in de Tweede Kamer niet de gewenschte inlichting, waarop deze een motieKeuchenius aannam van afkeuring over ’t beleid ten deze. De regeering beschouwde dit als inbreuk op de bevoegdheid der Kroon (benoeming van ministers) en verkreeg ontbinding der Kamer, die „haar roeping miskend had”. Nu lokte min. Heemskerk (binnenl. zaken) een koninklijke proclamatie uit (10 Oct.), aanradend verkiezing eener Kamer, die „overeenstemming” met de regeering zou betrachten, opdat aan de gedurige kabinetsveranderingen een eind kon komen. Deze werd, met rood-wit-blauwe randjes gedrukt, aan de kiezers bij hun stembiljet toegezonden. Deze inmenging veroorzaakte groote opwinding in den verkiezingsstrijd.

Aan de zijde der regeering stonden bijna alle conservatieven, wier woordvoerder het Haagsche Dagblad bovenal was, daarnevens De Bosch Kemper, Vreede, een groot aantal anti-rev. en Kath. Tegenover haar de weer aaneengesloten lib. geleid door Thorbecke, prof Buys, benevens anti-rev. als Groen v. Prinsterer en Keuchenius en sommige Kath. De verkiezingen waren wel gunstig voor de reg.: eenige liberalen werden vervangen en in N.-Brabant vooral haar gezinde Kath. gekozen, maar de meerderheid kreeg zij toch niet. Bij het begrootingsdebat verklaarde Thorbecke, dat de reg. „gezag in de plaats van grondwettige vrijheden gesteld” had; een „raad” des konings is „bevel”. De gang van zaken in ’t buitenland deed echter conflicten nog vermijden. In 1863 had Nederland deelgenomen aan de gewapende interventie in Japan, maar het samengaan der reg. met de Eng.-Fr. nota aan Rusland ten behoeve van Polen had veel tegenstand verwekt en de min. van buitenl. zaken had moeten aftreden. Nu kon de nieuwe toestand in Duitschland,omdat | Napoleon III compensaties zocht en het oog had op Luxemburg (zie LUXEMBURGSCHE KWESTIE). De afloop hiervan, onze garantie der onzijdigheid van Lux., maakte op velen hier een ongunstigen indruk; met de gebeurtenissen was men niet goed bekend, maar men zag nieuwe gevaren.

De Tweede Kamer verwierp de begrooting v. buitenl. zaken voor 1868 (38—36 st.), waarop zij weder werd ontbonden. Bij de nieuwe verkiezingen, Jan. 1868, wonnen de lib. enkele zetels. De nieuwe Tweede Kamer keurde bij motie-Blussé de ontbinding af (39— 34) en toen de reg. aanbleef, verwierp zij opnieuw de begr. v. buitenl. zaken. Thans begon de Eerste Kamer er zich mee te bemoeien en de reg. trad eindelijk af. Hiermede was het monarchale stelsel van regeering van Willem III geëindigd. Nadat een poging door van Reenen mislukt was, werd Thorbecke geroepen, doch deze wilde, ter kalmeering, liever niet zelf optreden en bracht het min. van Bosse (fin.)—Fock (binn. zaken) samen. De afgetreden regeering had verdiensten verworven met haar bestrijding van de veepest en haar wet tot overbrugging van het Hollandsch Diep. Het nieuwe min. stelde zich koloniale hervormingen en hervorming onzer belastingen voor, de laatste noodig wegens den minder gunstigen toestand.

April 1869 kwam de wet tot stand, die het zegel op dagbladen en andere periodieken, met advertentiebelasting afschafte, niet zonder bezwaar : op enkelen na waren kerkelijken en conservatieven er tegen, ook een paar bestaande dagbladen uit concurrentievrees. Van toen af verdween het monopolie der groote couranten; tal van kleinere, goedkoopere, zagen het licht. Als vergoeding voor deze heffing, die toen 7 ton opbracht, wilde v. Bosse een debietrecht op gedistilleerd en tabak invoeren maar moest zich tevreden stellen met verhooging van den drankaccijns. In 1870 werd het stuiversbriefport ingevoerd. De grondbelasting werd herzien. De armenwet werd verbeterd. Uit de strafwet verdween de al jaren lang niet meer toegepaste doodstraf (1870).

Het metrieke stelsel werd als verplicht ingevoerd. In het koloniale beheer bereikte min. De Waal een oplossing in dien zin, dat de gouvernementscultures beperkt werden tot koffie en kina en deze allengs ook af zouden nemen. De suikerwet van 1870 bepaalde opheffing der suikercultuur in 20 jaar, terwijl vroeger reeds de indigo- en andere cultures, alsmede het specerijenmonopolie in de Molukken (1863) waren opgeheven. De agrarische wet gaf onbebouwde gronden voor 75 jaar aan Europeesche ondernemers in erfpacht. De min. van financiën wilde betere belasting naar draagkracht ; zijn ontwerp-inkomstenbel., 1870, bedoelde een heffingspercentage, jaarlijks vast te stellen, maar het kwam niet meer in behandeling.

De Fransch-Duitsche oorlog had het militaire vraagstuk naar voren gebracht. Wel was na Sedan, September 1870, het gevaar voor ons land geweken, doch de mobilisatie had duidelijk getoond, dat aan onze verdediging veel ontbrak ; het leger bleek zeer onvoldoende toegerust. Een voorloopig onderzoek bracht een ongunstig rapport uit, waarop de min. v. oorlog van Mulken ontslag nam, Ook het beleid van andere min. had afkeuring gevonden; in Jan. 1871 trad een nieuw min. op, het derde onder Thorbecke, toen 72 jaar; van Bosse bleef als min. v. koloniën. De positie van het min. was moeilijk door de veranderde partijverhoudingen. De Katholieken konden als oppositie gelden. De strengen hunner hadden reeds aanstoot genomen in de erkenning van Italië, 1861; zij onderwierpen zich aan den Syllabus, 1864, die den modernen staat wraakte; op schoolgebied waren de Kath.bepaalde vijanden van de bestaande staatsschool geworden. De gebeurtenissen te Rome in 1870, de afwijzende houding der Kath. bij de herdenkingen van Heiligerlee, Brielle, enz. toonden een scheiding tusschen Kath. en nietKath. De anti-rev. partij begon op zich zelve te staan (Groen’s „In isolement onze kracht”), zonder de conservatieven, welke partij terrein verloor.

In de liberale partij werden de verschillen duidelijker: tegenover den kring van Thorbecke kwam een jong-liberale groep te staan, die krachtige hervorming voorstond, onder Kappeyno van de Coppello, De Roo van Alderwerelt en van Houten. De laatste, sedert 1869 afgevaardigde voor Groningen, teekende zeer scherp het onderscheid in zijn begrootingsrede, 1871, als „liberaal niet-ministeriëel” tusschen de tevreden liberalen van 1848, als Thorb., en de vooruitstrevenden, die de sociale roeping der staatsmacht in de wetgeving wilden zien. Belangrijke maatregelen bracht het min. niet veel meer, o. a. opheffing der bepalingen, die samenspanning tot werkstaking, „duurder making van den arbeid”, enz. strafbaar stelden. Dit ontwerp, op aandrang van van Houten e. a. ingediend, werd slechts met groote moeite aangenomen. Het belangrijkste voorstel, n.l. van minister Blussé, tot invoering eener inkomstenbelasting, werd met groote meerderheid in de Tw. K. verworpen. Het min. bood zijn ontslag aan en de vervanging was nog hangende, toen Thorb. 5 Juni 1872 overleed. Het nu opgetreden lib. min.-De Vries-Geertsema, nadat van Reenen geweigerd had, moest in de eerste plaats onze defensie trachten te verbeteren.

Evenwel, de Tw. Kamer verwierp in 1873 een voorstel tot afschaffing der plaatsvervanging bij de militie. Min. Weitzel slaagde er in, een vestingwet tot stand te brengen, die het verouderde stelsel van verspreide vestingen ophief en de verdediging in hoofdzaak tot de vesting Holland (waterlinie) bepaalde (1783). Daarbinnen zou dan de vesting Amsterdam worden gevormd. Min. Fransen van de Putte wist in 1872 de differentiëele rechten in Indië afgeschaft te krijgen, doch in ’t volgend jaar brak de Atjeh-oorlog uit. Op ander gebied kwam een Wet op besmettelijke ziekten tot stand. De eerste sociale wet kwam door het initiatief van mr. van Houten tot stand. Uitgaande van het rapport eener staatscommissie van 1871, vroeg het ontwerp verbod van fabrieksarbeid voor kinderen beneden 12 jaar.

Het werd met groote meerderheid aangenomen, al ging het sommigen niet ver genoeg. Onder de enkele tegenstemmers was Dr. A. Kuyper, in de Tweede Kamer pas opgetreden als democr. anti-rev., die een wetboek van den arbeid wenschte. Met Heemskerk aan ’t hoofd, trad een gematigd conserv. min. op. In 1875 werd besloten tot aanleg van 9 nieuwe spoorweglijnen, terwijl ook een nieuwe Spoorwegwet werd uitgevaardigd. Min. van Lijnden van Sandenburg voerde onze tegenwoordige rechterlijke organisatie in. De nieuwe regeling van het muntwezen kwam eindelijk tot stand: met dubbelen standaard; een ontwerp der vorige regeering om den goudstandaard in te voeren was verworpen. De fin. toestand werd moeilijk door den Atjeh-oorlog.

Heemskerk’s Hooger Onderwijswet bracht wel verbeteringen, vooral in 't gymnasiaal onderwijs, maar was weinig rekbaar. Zijn ontw.-Lager Onderw.wet beoogde o. a. betere opleiding der onderwijzers, betere scholen en schoolgeldheffing op de openbare. Hiermede waren evenmin de voorstanders van het bijzonder onderwijs tevreden als de links-liberalen onder Kappeyne. De lib. partij was weer bepaald meerderheid in de Tw. K. (48 op 80) en Kappeyne eischte van de regeering „se soumettre ou démettre”, ’77. Zij maakte daarop plaats voor het min.-Kappeijne. Deze zou het lager onderwijs hervormen; De Roo van Alderwerelt trachtte zijn denkbeelden: een weerbaar volk met een leger aan de spits, tot werkelijkheid te maken. Een nieuw departement, Waterstaat, Handel en Nijverheid, werd ingesteld.

Kappeyne’s Lag. Onderw.wet, 1878, heeft ons volksonderwijs en daarmee onze volksontwikkeling zeer vooruitgebracht: meer leervakken, goede lokalen, betere bezoldiging, betere inspectie, meer vergoeding aan de gemeenten. Aan het bijzonder onderw. echter wilde de min. in geen opzicht tegemoetkomen. De schoolstrijd tegen het ontwerp, door Dr. Kuyper als „scherpe resolutie” en „decretum horribile” betiteld, werd zeer heftig gevoerd van anti-rev. en Kath. zijde. Een poging om den koning te bewegen zijn goedkeuring aan de wet te onthouden mislukte. Op zijn weg vond het min. overigens zware teleurstelling. Wel waren een successiebelasting in de rechte lijn van minister Gleichman (ontwerp van zijn voorganger) en een leening geslaagd, terwijl in 1877 de laatste invoerrechten op granen verdwenen, maar het ontwerp-Kanalenwet van minister Tak van Poortvliet, een tegenhanger van het spoorwegnet, viel in zijn voornaamste onderdeel: het kanaal van Amsterdam naar den Rijn door de Geldersche vallei; tegenstanders uit plaatselijk belang deden het verwerpen (1879).

Na de nederlaag met het Kanaal-project bood het min. ontslag aan, tenzij het grondwetsherziening aan de orde kon stellen; Kappeyne wenschte kiesrechtuitbreiding, maar geen algemeen kiesrecht. Over den omvang der herziening, door den Koning gevraagd, waren de ministers het niet eens, waarop het kabinet in 1879 aftrad. Thans trad een soort van zakenkabinet op onder leiding van graaf v. Lijnden v. Sandenburg, van huis uit anti-rev., bestaande uit gematigde conservat. en liberalen en een Katholiek. Minister Modderman bracht een nieuw Strafwetboek (zie STRAFRECHT) tot stand (1881, ingevoerd 1886) en een vergunningsrecht op den drankhandel, 1881. In plaats van het ontwerp-Tak kreeg Amsterdam nu den omweg door het Merwede-kanaal (1882, voltooid 1891). De Postspaarbank werd ingevoerd (1880), eveneens een Auteurswet. Tot. groote verontwaardiging der kerkelijken werd de Lager Onderw.-wet ingevoerd. Aan conflicten ontbrak het niet.

Op koloniaal gebied gaf de slappe taktiek, in den Atjeh-oorlog gebracht, voor jaren een slependen krijg met groote kosten, en een contract met de Biliton-maatsch., niet in 's lands belang, in 1883 tot een crisis aanleiding, maar toen had het min. reeds ontslag verzocht wegens weiger ng van de Tw. K. om een wijziging der kieswet (censusverlaging) te behandelen. De belastingplannen van min. van Lijnden: vermindering person. bel., naast bedrijfs- en inkomstenbelast. in plaats van patentrecht, met opcenten voor de gemeenten, een hoogere grondbel., vervielen daarmede. De verdeeldheid onder de liberalen had de macht der rechterzijde bij verkiezingen voortdurend versterkt. Het thans gevormde (3e) min.-Heemskerk was meer conservatief dan het vorige. Een ontwerp-inkomstenbel., ingediend na mislukking van indirecte belastingontwerpen (naar klassenstelsel), viel in 1885, en de regeering behielp zich nu met een leening en veranderde de uitkeering aan de gemeenten. -— Inmiddels was grondwetsherziening dringend geworden ; de mannelijke nakomelingschap des Konings was overleden (kroonprins Willem 1879, prins Alexander 1884); uit diens tweede huwelijk was in 1880 een dochter, Wilhelmina, geboren; een grondwetsartikel verbood herziening tijdens een regentschap en dit was toch eerlang te voorzien. Zoo kwam men in 1884 overeen dit art. te schrappen. Een staatscomm. tot grondwetsherziening was in 1883 ingesteld; op grond van haar rapport waren ontwerpen ingediend (1885).

Allengs was een democr. beweging in ons land opgekomen, gevoed door de ontwikkeling van pers en vereenigingsleven sedert 1870. Verschillende arb. ver. werden er opgericht (Alg. Ned. Werkl. Verb. in 1871, Patrimonium in 1877, Alg. Typografenbond in 1866). Op politiek geb. ontstond ’t Com. voor Alg. kiesrecht (1874), terwijl ’t socialisme hier ingang begon te vinden (1869, afd. der Internationale; 1878 de Soc. dem. ver. in 1881 omgezet in ’t Soc. dem. verbond), en onder invloed van Dr. Kuyper de anti-rev. partij ontstond. In 1885 was op aanstichting van „Burgerplicht” (Amst.) de Liberale Unie tot stand gekomen, de meeste lib. kiesver. omvattend.

In de Kath. partij, nog niet georganiseerd, was een vooruitstrevende richting onder Dr. Schaepman (orgaan „Onze Wachter”) in sterke tegenstelling tot het sterk conservatieve gros der partij, vooral in ’t Z. Verschillende Kath. wilden van geen kiesrechtuitbreiding weten, anderen wenschten die in elk geval beperkt (cons.-lib.), de anti-rev. meest z.g. huismanskiesrecht, de links-lib. wilden groote vrijheid tot uitbreiding voor den wetgever. Het algemeen kiesrecht had in de Tw. K. maar één verdediger: Heldt, leider van ’t Alg. Ned. Werkl.

Verb. Min. Heemskerk wilde geen algemeen kiesrecht, maar toch een ruime kieswet mogelijk maken. De nieuwe behandeling der voorstellen in de Tw. K. begon Febr. 1887 en duurde lang. De troonopvolging werd geregeld, administratieve rechtspraak mogelijk gemaakt!

Voor het kiesrecht zou de wetgever kenmerken van „geschiktheid en welstand” bepalen (art. 80). De E. K. werd op 50, de Tw. K. op 100 leden gebracht, met zittingsduur van resp. 9 en 4 jaar; de Tweede Kamer zou ineens aftreden. Over militaire zaken kreeg de gewone wetgever de noodige vrijheid. De regeling van ’t onderwijs werd aan den wetgever overgelaten. In de additioneele artt. werd een voorloopig kiesreglement vastgesteld, dat het kiesrecht aanstonds verdubbelde; de nieuwe Kamers bekrachtigden de grondwetsherziening (30 Nov. 1887 afgekondigd). Haar kenmerk is, meer vrijheid voor den wetgever. Voor de verkiezingen van 1888 sloten de beide kerkelijke partijen een coalitie, die ook een meerderheid (54 op 100) verwierf; in Schoterland werd Domela Nieuwenhuis gekozen.

Het nu opgetreden min.Mackay bracht door zijn schoolwet van 1889 den schoolstrijd voorloopig ten einde. Het bracht aan bijzondere scholen, door erkende vereenigingen onderhouden, staatssubsidie en vorderde schoolgeld op de openb. scholen. In ’t laatst van 1890 overleed Willem III, en de koninginweduwe Emma trad als regentes voor haar dochter op. Een belangrijke hervorming had de reg. gebracht door onze eerste Arbeidswet van 1889, gevolg der enquête van 1886, waartoe de Tw. K. op voorstel van Mr. Goeman Borgesius besloten had om te leeren kennen de werking der wet-Van Houten van 1874 en in verband daarmee onderzoek te doen naar arbeidstoestanden. Dit onderzoek bracht droevige toestanden aan het licht en toonde in !t bijzonder hoe vrouwen en jeugdige werkkrachten misbruikt werden en hoe dringend wettelijke eischen waren tot beveiliging der arbeiders tegen ziekte en ongeval. Aan den eisch van bescherming van vrouwen en jeugdige personen kwam de nieuwe wet tegemoet en zij voerde een arbeidsinspectie in.

De spoorwegovereenkomsten van 1889 vormden het stelsel van concentratie en concurrentie: 2 groote maatschappijen, S.S. en H.S.M.; de R.Sp. werd door den Staat gekocht. In 1891 vormde Mr. van Tienhoven een lib. min. met Tak van Poortvliet voor binn. zaken, Mr. N. G. Pierson voor fin. Laatstgenoemde bracht een belastinghervorming tot stand door de vermogensbelasting (1892) en de bedrijfsbelasting(1893), ter vervanging van de patentbelasting. De zeepaccijns werd afgeschaft, de Postwet werd herzien (1892). Een poging van Tak om ’t kiesrecht uit te breiden, mislukte, waarop ’t min. aftrad. Er trad nu op een min.-Roëll met mr. van Houten voor binnenlandsche zaken. Dit bewind bracht een herziene Hinderwet en de Veiligheidswet, ter bescherming der arbeiders, een geheele herziening der Person. belasting en in 1896 de Kieswet van Houten.

Deze nam aanslag in de belastingen tot grondslag, maar voegde daaraan andere groepen toe: loon- en huurkiezers, spaarbankkiezers enz. Het aantal kiezers werd ruim verdubbeld. In de politieke partijen was splitsing gekomen. Uit de Liberale Unie waren de meer behoudenden getreden (1894), terwijl vroeger (1887) de uiterste linkervleugel een Radicalen Bond stichtte. In de anti-rev. partij was splitsing gekomen in 1894 tusschen den meer democr. aanhang van Kuyper en de behoudende z.g. vrij-anti-rev. onder leiding van De Savornin Lohman. Bij de Kath. vond men hetzelfde verschil, doch hier hadden de conservatieven een clericaal en protectionistisch gezinde meerderheid. De oude Socialistenbond was ook uiteengegaan; toen in 1894 Domela Nieuwenhuis c; s. het parlementaire beginsel schrapten, vormden een aantal uitgetredenen (Troelstra, van Kol, Schaper, van der Goes e.a.) de Soc.-Dem. Arb.-Partij tegenover de „vrije socialisten”.

Voor de verkiezingen van 1897, waaraan nu de volksklasse kon deelnemen, gold de tegenstelling links of rechts, daarnevens vooral bescherming, met name graanrechten of behoud van den vrijhandel. De kerkelijken bleven in de minderheid. De linkerzijde was overwegend vooruitstrevend; ook een paar soc.dem. kregen in de Tw. K. zitting. Daarmede was het min.-Pierson (zomer 1897 gevormd), in overeenstemming; naast De Beaufort hadden Goeman Borgesius, Lely, Eland, Cort v. d. Linden e. a. zitting. Het stelde zich tot taak tot stand te brengen hetgeen de nieuwe tijd op sociaal gebied eischte. De arbeidersverzekering vangt aan met de Ongevallenwet (1900); de Woningwet (1901) geeft algemeene voorschriften aan woningen en bevordert woningbouw uit maatschappelijk oogpunt; de Gezondheidswet moderniseerde het geneeskundig staatstoezicht nevens dat op het woningwezen. Leerplicht werd ingevoerd (1901) na geduchten tegenstand der anti-revolutionnairen en Katholieken (behalve Schaepman); in verband met de hoogere eischen werd ook de subsidie aan ’t bijz. ond. verhoogd.

Een nieuwe Militiewet kwam in 1901 tot stand (nadat in 1898 de plaatsvervanging was afgeschaft), die het leger belangrijk uitbreidde: jaarcontingent 17.500, dat de latere landweer zou vormen, die de schutterij moest vervangen. Min. Cort van der Linden bewerkte nieuwe wetten over ouderlijke macht en voogdij en berechting van jeugdige beklaagden, de z.g. Kinderwetten (1901). De codificatie van internationaal privaatrecht, op uitnoodiging der vorige reg. ter hand genomen, kwam gereed en een internationale conventie werd hierover gesloten. Ons land ontving in 1899 de le Vredesconferentie. Het vorige jaar had, onder groote feestelijkheden, koningin Wilhelmina zelve de regeering aanvaard. Bijzondere deelneming wekte hier de Zuid-Afkr. oorlog (1899—1902), evenals vroeger (1881) de Transvaalsche vrijheidskrijg. Op economisch gebied zijn nog te noemen de afschaffing der rijkstollen te land en te water en de subsidiëering van nieuwe spoor- en tramlijnen (Noord Oosterlijnen o. a.). Op koloniaal gebied bereidde de reg. decentralisatie voor, de z.g. ethische politiek : Indië besturen ten bate van Indië was regeeringpolitiek geworden. Na 1870 begon ons land zich op handelsgebied, waarop ’t lang was achter was gebleven ten gevolge van de bescherming der reg., te ontwikkelen.

In 1874 werd een enquête over de koopvaardijvloot noodig geacht; deze ried tot aanmoediging van scheepsbouw, tot zorg voor beter geoefende zeelieden. Aan deze wenschen is voldaan, terwijl de nieuwe zeehavens Amsterdam en Rotterdam met een beter spoorwegstelsel den toestand geheel hebben veranderd: einde 19e eeuw had ons land over de 200 zeestoombooten. De zeevisscherij was sterk toegenomen. De meeste bronnen van bestaan hebben hier als elders tijden van op- en neergang doorgemaakt. Vrij hooge prijzen maakten van 1850—1876 landbouw en veeteelt voordeelig ; daarop volgde door den grooten invoer uit Amerika vooral en door den sleur in ons bedrijf een stilstand, zelfs achterstand. Toen deze in het buitenland bleek, werd een staatscommissie benoemd tot onderzoek van landbouwtoestanden. Haar rapport, 1890, noemt den algemeenen toestand ongunstig. Als middelen tot herstel gaf zij op: intensieve cultuur door beter landbouwonderwijs, bevordering van coöperatie, crediet, een goed markt- en verkeerswezen, tegemoetkoming aan grieven omtrent te zware belasting, jacht en tienden en agrarische wetten met name regeling van het pachtcontract.

Aan eerstgenoemde aangelegenheden is veel zorg besteed; de bedrijfsbelasting stelde het landbouwbedrijf vrij, maar een agrarische wetgeving bleef uit. De nijverheid kwam tot bloei door aanleg van betere verkeerswegen ; deze met het vrijhandelsstelsel maakten de producten goedkooper en beter (concurrentie), hun afzet veel grooter. Zeer bevorderlijk was de ontwikkeling van het onderwijs, de oprichting van ambachts- en technische scholen. Slechte tijden bleven niet uit; handelscrisissen (1873 b.v.) deden zich ook hier voelen, zoo ook de ernstige depreciatie van het zilver, de sluiting van vele markten door protectie. Daartegen wist onze industrie nieuwe afzetgebieden te vinden; de genoemde enquête van 1887 gaf naast veel treurigs ook voorbeelden van welvaart. De volkswelvaart stond in elk geval in 1901 heel wat hooger dan ruim 50 jaar vroeger; de werkgelegenheid was sterk toegenomen ondanks af en toe sterke werkeloosheid (werkloozenbewegingen 1890—92); na de groote malaise der 80er jaren valt sedert 1891 duidelijk algemeen een stijging in welstand waar te nemen; de betere voeding, dank zij de lagere prijzen, het betere onderwijs, de betere zorg voor de gezondheid, hebben een economische weerkracht geschapen. Geruimen tijd was de toestand in Friesland („ons Ierland” wel genoemd) bedenkelijk, eerst in de 20e eeuw herstelde zich dit. Het godsdienstig-kerkelijkleven had hier voortdurend groote belangstelling (de opkomst en ontwikkeling der vrijzinnige richting, de ontwikkeling der orthodoxie, de z.g. doleantie in de Herv.

Kerk). Sedert omstreeks 1870 was langzaam een vrouwenbeweging ontstaan op maatschappelijk, veel later ook op politiek terrein. Bij het onderwijs had de Nederl. vrouw gelijkstelling verworven, maar burgerrechtelijk nog zeer weinig, staatkundig nog niets. Het begin der 20e eeuw was voor hervormingen gunstig; de opbrengst der middelen was gestegen, de economische weerstandskracht voldoende om aan de hooge eischen, die onderwijs, sociale wetgeving en defensie zouden vorderen, het hoofd te bieden. Doch velen waren bevreesd voor meer directe belastingen, beangst door het luide optreden der sociaal-democraten ; op het platteland had de leerplicht nogal vijanden. Daardoor en ook door verandering in de partijen brachten de kamerverkiezingen in 1901 een rechtsche meerderheid van 58. Een nieuwe partijgroepeering begon zich te ontwikkelen (de Vrijz. Dem. Bond uit de geav. liberalen; de Christ.

Hist. Unie uit de conservatieve elementen van de anti-rev.). Het min. wilde uit indirecte lasten, n.l. tariefsverhooging de middelen vinden voor zijn plannen: arbeidersverzekering en bevordering van het bijzonder onderwijs. Naar aanleiding van een spoorwegstaking (1903) kwam ondanks ’t verzet van de soc.-dem. de wet tot stand, waarbij staking van ambten, in publieken dienst strafbaar werd gesteld. Min. Kuyper stelde in 1904 voor de Hooger Onderwijswet te wijzigen ; de Polytechn. School werd een (Technische) Hooge school en z.g. vrije (d. i. niet openbare) Universiteiten zouden onder zekere voorwaarden erkenning harer graden verkrijgen. De Lager Onderw.wet werd in 1905 gewijzigd ten gunste van het bijzonder onderwijs (tractementen der onderwijzers). Op koloniaal gebied bracht min. Idenburg een nieuwe Comptabiliteitswet, die nu ook officieel de Indische en Nederlandsche geldmiddelen scheidde; in Indië werd decentralisatie (gemeentebesturen in groote plaatsen) ingevoerd.

De verkiezingen van 1905 brachten het min.-Kuyper geen meerderheid waarop het aftrad. Mr. Goeman Borgesius nam de opdracht aan een lib. min. te vormen, waarvan hij zelf geen deel zou uitmaken. Dit min.-De Meester had geen meerderheid, De Kinderwetten voerde het in; een regeling van het Arbeidscontract (gewijzigd ontwerp) wist het tot stand te brengen (1907), maar een voorstel tot grondwetsherziening alleen om een z.g. blanco-artikel over kiesrecht te krijgen, bood geen kans; pogingen van den min. van oorlog Staal in de richting van een volksleger deden diens begrooting in de E. K. verwerpen ; zijn opvolger bleek niet het vertrouwen der Tw. K. te hebben, waarop einde 1907 het min. aftrad. In Febr. 1908 trad een rechtsch min. onder Mr. Th. Heemskerk op. Dr. Kuyper achtte zich gepasseerd en bestreed het nieuwe kabinet, maar nam in de Tw. K. zitting, toen het min. verklaringen in zijn geest gaf.

In 1909 verkreeg dit bij de verkiezingen een sterke meerderheid : 60 (later 59). Het stelde zich vooreerst tot taak onze weermacht op de hoogte te brengen, geeischt door de grooter wordende kans op een Europ. oorlog. Een voor de kustverdediging noodig geoordeeld fonds in 1912 toegestaan (fonds voor kustverdediging). Na twee maal ministerwisseling vatte de in 1911 opgetreden num van oorlog (later ook v. marine) Colijn de legeruitbreiding aan: de Militiewet werd gewijzigd (1912), evenzoo de Landweerwet, aangevuld met een Landstormwet (1913) „zoover de grens van ons kunnen reikte”. Verbetering onzer zeemacht wilde niet vlotten ; als in vorige jaren stuitte elk ontwerp ter vervanging van verouderd materiaal, op grooten tegenstand; nieuwe aanbouw was gering. Het conflict met Venezuela (zie ald.), 1908, b.v. toonde noodzaak eener zeemacht. Aan het vestingstelsel werd naar mogelijkheid gewerkt. Sedert 1911 (Marokkoconflict) werd het geval eener mobilisatie ernstig voorbereid.

De militaire rechtsspraak is hervormd (1912) (in werking 1914). Defensie en sociale wetten zouden groote kosten meebrengen, welke de regeering vooral met indirecte lasten wilde bestrijden. De begrooting wees reeds meestal een tekort aan; in 1911 was een leening geslaagd, maar tegen hooger rente dan vroeger. Op het gebied der arbeidswetgeving toonde n.l. min. Talma groote werkzaamheid ; in 1911 werd de Arbeidswet vernieuwd ; in 1913 werden zijn ontwerpen tot verplichte Ouderdoms- en Invaliditeitsverzekering, en Ziekteverzekering aangenomen. Het eerste vooral vond grooten tegenstand links, waar men een premievrije ondersdomrente wilde. Door in ’t najaar 1912 de discussiën te rekken, wist de oppos.tie te bereiken, dat het ontwerptariefwet niet aan de orde kwam vóór de verkiezingen in 1913. Deze lieten zich voor de reg. minder gunstig aanzien; de geest was sedert 1908 veranderd.

Er waren grieven over partijbevoorrechting, over reactionnair optreden van gemeentebesturen, bij velen over den invloed van Dr. Kuyper op de wetgeving en vooral over de stijgende macht der R.-Kath. partij. De partijstrijd vertoonde steeds meer partijhaat (heftige woordenwisselingen en obstructie in de Tweede Kamer). De vrijz. partijen sloten zich in ’t najaar 1912 aaneen; de vrij-liberale partij (de oud-lib. na 1905 georganiseerd) verklaarden zich bereid algem. kiesrecht te aanvaarden, waarmee de liberale concentratie tot stand kwam. Haar manifest was gericht tegen reactie, voor algem. kiesrecht met evenredige vertegenwoordiging, ouderdomsrente, behoud der openbare school. De verkiezingen brachten inderdaad de regeering in de minderheid (45), maar de kerkelijken wisten bij de herstemmingen de soc.democr. zóó te doen toenemen (18, kort daarop 15), dat de concentratie het bewind niet aanvaarden kon. Toen een poging om met de soc.democr. te regeeren was mislukt, nam Mr. Cort van der Linden op zich, een liberaal extraparlementair min. te vormen.

Eerst in Sept. trad dit op. Het nam zich voor een grondwetswijziging (alg. kiesr. voor mannen en wegneming van het beletsel voor vrouwenkiesrecht met evenredige vertegen w.) en de ouderdomsrente tot stand te brengen, daarnevens de verzekeringswetten te vereenvoudigen. Een en ander, met name de grondwetsherziening, kon alleen slagen door overleg tusschen links en rechts, waarvoor in de eerste plaats gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs een eisch zou zijn. Om dit vraagstuk op te lossen en de evenredige vertegenwoordiging te formuleeren, werden commissiën benoemd. In ’t voorjaar van 1914 nam de Tweede Kamer het ontwerp-inkomstenbelasting aan (ter vervanging van de bedrijfsbelast. en grootendeels der vermogensbelast.), dat de Eerste Kamer nog tot in 1915 ophield. Voorwaardelijke veroordeeling werd mogelijk gemaakt. Doch de in Augustus uitgebroken Europeesche oorlog, die ons mobilisatie oplegde ter handhaving onzer onzijdigheid, leidde de regeeringswerkzaamheid en die van ’t parlement voorloopig in andere richting. (Zie WERELDOORLOG).

Litteratuur: A. Bronnen. Wat de bronnen betreft, welke van belang zijn voor de kennis der geschiedenis van Nederland tot 1555, verkeert ons land in een ongunstige positie. Voor zoover men de kennis moet putten uit oorkonden, heeft men zich te behelpen met uitgaven, die vaak niet alleen verouderd, maar die ook onvolledig zijn, doordat niet alle oorkonden, welke er waren, gepubliceerd zijn, terwijl de uitgever alleen die genomen heeft, welke hij van belang achtte voor de stad zijner inwoning, het gewest en bijz. personen. De keuze was in den regel zeer willekeurig. Men zal zich derhalve niet alleen kunnen verlaten op de oorkondenboeken, maar ook onderzoek moeten instellen in de verschillende gem. arch., het alg. rijksarchief te ’s-Gravenhage en in verschillende buitenl. arch. Ten einde na te gaan, wat de buitenl. arch. in dit opzicht bevatten, heeft de regeering herhaaldelijk personen (Blok, Brugmans, Kernkamp, Bussemaker, Brünner) uitgezonden ten einde een onderzoek naar archieven van belang voor de Ned. gesch. in te stellen. Wat de rekeningen betreft, is eveneens nog weinig gepubliceerd. Hoewel Mr.

S. Muller zijn lijst van Noord-Nederlandsche kronieken reeds gaf in 1880, is nog slechts weinig uitgegeven, zoodat men zich óf behelpen moet met verouderde opgaven óf zijn toevlucht heeft te nemen tot de Duitsche uitgave der Monumenta Germania Historiae Scriptorum (M.G.S.S.). De Cie. tot Rijks Gesch. Publ. heeft tot nu op dit gebied niets gedaan. Beter is de kennis der bronnen der 17e en volgende eeuwen, waarvoor voornamelijk ’t Historisch Genootschap te Utrecht, de Cie. der Rijks Gesch. Publicaties (dir. Dr. Japikse), de Vereenig. Gelre, de Vereenig.

Linschoten en de Vereenig. Ned. Econ. Hist. Arch. hebben gezorgd. De uitgaven dezer vereenigingen en instellingen zal men dan ook in de eerste plaats moeten nagaan voor de kennis van de politieke en economische geschiedenis van de 17e eeuw tot nu.

B. Schrijvers. Een volledige Nederl. historische bibliografie is nog niet geschreven. Voor de Midd. Gesch. kan men gebruiken: Pirenne, Bibl. de l’histoire de Belgique; voor artikels verschenen tot 1900: L. Petit, Repertorium ; voorts moeten nog genoemd worden : Nijhoff, Bibl. hist. Neerlandica en het repertorium gepubliceerd door de Kon. Bibliotheek in den Haag, dat o. a. artt. op hist. geb., signaleert.

Op historiografisch geb. moeten genoemd worden: S. de Wind, Bibl. der Ned. geschiedschrijvers, Dr. Elias, Bijdr. tot de historiografie der Bat. Rep. (1906). a. Schrijvers, die de geheele gesch. behandelen: J. Wagenaar, Vaderl. Historie, enz. (begonnen in 1749 door J. Wagenaar, na zijn dood in 1761 voortgezet; de geschiedenis van ons land tot 1806 wordt hierin behandeld in 69 dln.); W. Bilderdijk, Gesch. des Vaderlands (13 dln., in 1832 uitgegeven door Tydeman), Groen van Prinsterer, Handboek der Geschied, des Vaderlands (le druk verscheen van 1841— 1846; de laatste uitgaven zijn gelijk aan den 3en dr. van 1863—72); P. J. Arend, Algemeene Geschiedenis des Vaderlands (begonnen in 1841 is dit werk, dat de gesch. behandelt tot 1648, voortgezet door Brill en van Rees, die in 1872 de verdere bewerking staakten; ’t werk telt 12 banden); Wenzelburger, Gesch. der Niederlande (tot 1648) (1886); P. J. Blok, Geschiedenis van ’t Ned. volk. (Ie dr. in 1907 in 8 dln., 2e dr. in 1915 in 4 dln. Achter de deelen vindt men overzichten van bronnen en litt.; Gosses-Japikse, Handb. tot de staatk. Gesch. van Ned. (behandelt vooral de geschieden, van 1668—1914; aan de Midd. geschieden, wordt slechts een kleine plaats ingeruimd ; 't werk dat voltooid is in 1919, geeft opgave van litt. en bronnen).

b. Schrijvers, die slechts een of meer tijdvakken behandelen: le over de gesch. tot 1500, zie de gesch. der afz. gewesten en namen van vorsten. — 2e over de gesch. van 1500—1555, zie KAREL V. — 3e over de gesch. van 1555—1648, zie PHILIPS II, WILLEM VAN ORANJE, MAURITS, FREDERIK HENDRIK en TACHTIGJARIGEN OORLOG. — 4e over de gesch. van 1648—1795, z. JAN DE WITT, WILLEM III, SPAANSCHEN SUCC.-OORL., WILLEM IV, WILLEM V en PATRIOTTENTIJD. — 5e over de gesch. van 1795—1814 (zie ook HOGENDORP): Colenbrander, De Bataafsche Republiek; idem, R. J. Schimmelpenninck en Koning Lodewijk; idem, Inlijving en opstand. — 6e over de geschiedenis van 1814—1840 (zie ook WILLEM I, WILLEM II, BELGISCHE OPSTAND, THORBECKE): De Bosch Kemper, Staatk. Gesch. van Ned. tot 1830 (1868).

Over de geschied, na 1839: De Bosch Kemper, Staatk. Gesch. v. Ned. na 1830 (—1847), 9 dln., 1873—82 (cons.); Nuyens, Gesch. van het Ned. volk van 1815 tot in onze dagen, 2 dln., 1883’86 (Kath.); Van Welderen Rengers, Schets eener parlementaire Gesch. v. Ned. sedert 1849, 2e dr. (—1891), 3 dln., 1905-07, 3e dr. bewerkt door H. J. Romeijn, (—1901 voortgezet), 1918; De Bruyne, Gesch. van Nederland in onzen Tijd (—1887), 5 dln. 1891—1901 (lib.), 2e dr. met een 6e deel van Japikse, 1914—18; Boers, Het beleid van den liberalen Staat, 1849—97,1901 (lib.); De Beaufort, 30 jaren uit onze gesch., 1863—93, alleen het eerste gedeelte, Gids 1895—96, in Nieuwe Geschiedkund. Opstellen, dl. I, 1911; verschillende schetsen Les Pays-Bas (door versch.), 1898, 2 dln.; eveneens in Nederland in den aanvang der 20e eeuw (door versch.), 1910; Gleichman, Van Hall als minister, 1904;

J. Vos Az., Groen van Prinsterer en zijn tijd, 2 dln., 1886—91; Thorbecke’s Dagverhaal (uit 1848), Gids, Maart 1903; Colenbrander, Bijdragen tot de kennis van het jaar 1848, Onze Eeuw 1904 IV, 1905 I—III; Albers, Gesch. van het herstel der hiërarchie in de Nederl. 1903—04 (Kath.); Koorders, de Aprilbeweging, 1854; W. van Goltstein, Van Reenen als staatsman, 1894; Buijs, Studiën over Staatkunde en Staatsrecht, 2 dln. 1894—95 (lib.); Van Houten, Vijf en twintig jaar in de Tweede Kamer 1869—94, 4 dln., 1903 en vlg. (Zie VAN HALL, KUYPER, THORBECKE).

Schrijvers over handel en econom. geschiedenis (zie ook COMPAGNIE (O.-I.), COMPAGNIE (W.-L), NOORDSCHE CIE.; AMSTERDAM, ROTTERDAM, UTRECHT, MIDDELBURG, LEIDEN): Luzac, Holl. Rijkdom ; de Laspeyres, Gesch. der Volksw. Ansch. auf den Handel in die Zeit der Republik (1883); v. Rees, Gesch. der staathuishoudkunde in Nederland; O. Pringsheim, Beiträge zur Wirtsch. Entw. der Ver. Nied, im 17en und 18en Jahrh. (1890); Treub, Hoofdst. uit de Geschiedenis der Staathuishoudkunde ; Poelman, Gesch. van den Ned. handel tijdens de Merovingen en Karolingen ; Meijlink, De Nederl.

Hanzesteden . . , tot de XVIIe eeuw (1912); Noe, Handel van Nederl. op Engeland; Wilkens, Zur Gesch. des Niederl. Handels im Mittelalter (H. G. 1908); Nachod, Die Beziehungen zu Japan im XVIIen Jahrh.; Groeneveld, Ned. en Japan ; de Jonghe, Verh. der Ned. tot Perzië (Tijdsch. Aard. Gen. I); de Jonghe, Nederl. en Venetië ; Scheltema, Rusl. en de Ned.; Vreede, Nederl. en Zweden.

Tijdschriften. Behalve de tijdschr. van verschillende locale vereenig. als Gelre, Vrije Fries, enz. moeten genoemd worden Bijdr. Vad. Gesch. en Oudh. (onder red. van Nijhoff, R. Fruin, daarna Blok en Japikse); Tijdschrift voor Gesch. (eerst onder de Boer-Schuiling, daarna onder de Boer, v. Gelder e. a.); Bijdr. en Med. Hist. Gen. Er verschijnen ook wel historische artikelen in andere tijdschriften, ’t zij kerkel., ’t zij letterk. tijdschr. Recensies van hist. werken verschijnen in de Groene Amsterdammer, Museum, enz. Bijdr. Vad. Gesch. en Oudh.

Gepubliceerd op 12-01-2019