Aap betekenis & definitie

Aap - Apen, (Simiae, Pitheci), ook wel Vierhandigen (Quadrumana) geheeten, orde van zoogdieren, na den mensch de hoogst-bewerktuigde wezens en met dezen wel vereenigd tot de orde der Primaten. De schedel blijft betrekkelijk klein, ook bij die soorten, welke een groot hoofd en daardoor een meer menschelijk voorkomen hebben; deze meerdere grootte wordt teweeggebracht door de sterke voorwaartsche uitpuiling der kaken en der overige beenderen, welke het aangezicht samenstellen. Het gunstigst is deze verhouding tusschen schedel en gelaat gedurende de allereerste levensjaren; alsdan is ook de psychische toenadering tot den mensch het grootst. Later bedraagt de aangezichtshoek bij de verschill. soorten 60, 45 en zelfs 30° (bij de mensch 80-85°).

De neus springt slechts bij één soort, den Neus-aap (Nasalis larvatus), sterk uit het gezicht vooruit; bij de overige apen is hij zoo goed als plat. Het tandstelsel is, wat het getal der tanden van elke soort betreft, òf geheel òf bijna geheel gelijk aan dat van den mensch; de hoektanden zijn echter sterker ontwikkeld en het gebit der apen is veel minder regelmatig dan dat van den mensch. De oogen staan veel dichter bij elkander dan die van den mensch. Aan de oorschelp komt nimmer een oorlel voor. Zoowel de achterste als de voorste ledematen eindigen in handvormige deelen. De vier handen der apen zijn niet alle aan elkander gelijk; de achterhanden zijn in werkelijkheid voeten; de teenen zijn echter langer dan bij den mensch en de groote teen is ongeveer even bewegelijk als de duim. De voorste ledematen zijn dikwijls grooter dan de achterste; deze laatste zijn te zwak om het volle lichaam te dragen; niettemin nemen de dieren nu en dan den opgerichten stand aan, zich daarbij meestal met de voorste ledematen vasthoudend. De apen kunnen wel loopen, doch moeilijk; hun voornaamste beweging bestaat in klimmen en klauteren en hierin vertoonen zij een onbegrijpelijke vlugheid en vaardigheid.

Het geheele lichaam, de binnenvlakte der handen en het zitvlak uitgezonderd, is met haar begroeid; de onbehaarde gedeelten vertoonen dikwijls allerlei kleuren (rood, blauw). De hersenen hebben eenvoudiger winding en zijn ook meestal relatief lichter dan die van den mensch. De meeste soorten hebben uiterst krachtige spieren. De tastzin zetelt in de vingertoppen en in het uiterste puntje van den grijpstaart, waar deze aanwezig is. De psychische eigenschappen, inz. het vermogen tot precies nadoen (na-apen), zijn sterk ontwikkeld. Bijzondere studie heeft men in den laatsten tijd gemaakt van de „spraak” der apen.

De apen voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen; zij eten echter ook wel insecten, spinnen en vogeleieren, en in gevangenschap wennen zij aan de gewone voedingsmiddelen van den mensch. Het wijfje werpt in den regel slechts één jong te gelijk en zoogt dit, tot het ’t gewone voedsel tot zich kan nemen. Sommige apen leven streng gepaard, andere polygamisch. De eigenlijke verblijfplaatsen der apen zijn de boomen; zij bewonen de warme gewesten; nergens overschrijden zij het verbreidingsgebied der palmen; Macacus inuus komt het verst noordelijk voor (Gibraltar). In gevangenschap krijgen de apen in den regel spoedig long- of maagkwalen, waaraan zij sterven.

Gewoonlijk verdeelt men de apen in twee groepen: apen van de Oude en apen van de Nieuwe Wereld.

I. Apen van de Oude Wereld, of Smalneuzen (Catarrhina); tandstelsel precies als dat van den mensch; neusschot smal, neusgaten voor- en benedenwaarts gekeerd; nimmer een grijpstaart en sommige geheel staartloos; veelal eeltplekken aan het zitvlak; velen hebben wangzakken; de achterhanden zijn meestal beter ontwikkeld dan de voorhanden, waaraan de duim dikwijls niet meer dan een stompje is. Hiertoe behooren de apen, die den mensch het meest nabijkomen. In de jeugd zijn zij zeer leerzaam. Drie familiën:
1) Mensch-apen, anthropomorphe apen, (Anthropoidei, Anthropomorpha); langzaam zich bewegende, boombewonende dieren, die zich op den grond in opgerichte houding, steunende op den buitenrand van den voet en op de vingers van de hand, langzaam voortbewegen kunnen. Hals kort, de staart ontbreekt, geen eeltplekken aan het achterlijf. Voorste ledematen veel langer dan achterste. Het gezicht, de handvlakte, de voetzool en vingers zijn naakt; alle nagels zijn plat. De schedel is bij jonge dieren menschachtig; bij oudere daarentegen springen de kaken sterk naar voren.

De inhoud van den schedel blijft ver bij dien van den mensch ten achteren. Geen wangzakken. De hoektanden zijn, vooral bij de mannetjes, veel grooter dan de overige tanden; de kiezen zijn ook krachtiger dan bij den mensch. Alle voeden zich met boomvruchten. De mensch-apen omvatten 3 vormen: den Orang-oetan (Simia satyrus), den Chimpansé (Anthropopithecus troglodytes) en den Gorilla (Gorilla gorilla).

De Orang-oetan (een maleische naam, welke boschmensch beteekent); bewoont Borneo en Sumatra; hij geeft de voorkeur aan laaggelegen moerassige streken; hij is niet zeer levenslustig en dartel van aard; zijn gelaat geeft een zekere mate van ernst te kennen; hij is bekleed met lang roodbruin haar; de naakte huiddeelen hebben een blauwachtige kleur; de armen reiken, wanneer het dier rechtop staat, bijna tot aan den grond; in de jeugd is de schedel rond en het gelaat zeer menschelijk; later wordt dit anders. Selenka neemt slechts één soort aan, met vele lokale rassen. Jonge individuen zijn voor temming vatbaar; oude zijn zeer gevaarlijk. In den natuurstaat gaat de orang-oetan zelden rechtop; in gevangenschap leert men hem met behulp van een stok rechtop loopen, den lepel en ander eetgereedschap gebruiken enz. De wilde orang-oetan wordt tot 1,5 meter lang, komt zelden op den grond en bouwt zich in de boomen een nest, waarin hij slaapt. Hij heeft een geweldige lichaamskracht. Van de vele orang-oetans, die naar Europa worden verzonden, blijven weinige langer dan eenige maanden in leven. — De Chimpansé of Kempensé, (Anthropopithecus troglodytes), leeft in de westelijke deelen van tropisch Afrika, binnen 10-12 graden aan weerskanten van den evenaar; hij heeft groote, afstaande oorschelpen, een tamelijk ronden schedel, kortere armen dan de orang-oetan en zeer bewegelijke lippen; de beharing is zwart.

Het is een dikwijls op den grond levend, veel rechtop-gaand dier, dat tot 1,5 M. lang wordt. Hij is levendiger van aard dan de voorgaande soort en komt van alle aapsoorten het veelvuldigst in gevangen toestand voor; zijn gelaat geeft een zekeren goedigen levenslust te kennen en zijn aard stemt tamelijk wel met deze uitdrukking overeen. De Gorilla, (Gorilla gorilla), leeft in het gebied van Kameroen, Gaboen en het westelijk Kongo-gebied en is, evenals de beide voorgaande soorten, een boombewoner; op den grond is zijn beweging log en ongemakkelijk; bij het loopen steunt hij op den eeltachtigen buitenrand van de achterhanden en op de rugvlakte van de voorhanden; de gorilla’s zijn niet gezellig van aard en worden meestal aangetroffen alleen, of een mannetje met één tot vier wijfjes en de jongen; zij bouwen zich een soort van nest in de boomen, doorgaans niet hoog boven den grond; wangzakken en staart ontbreken; de hand van den gorilla komt meer dan die van eenigen anderen aap met de hand van den mensch overeen. Zelden gelukt het een gorilla levend naar Europa te krijgen. De gorilla wordt tot 2 M. lang en heeft in verhouding tot zijne lengte een zeer breeden rug en sterk gewelfde borst. Hij is voor den mensch het gevaarlijkst; zijne spierkracht is reusachtig.

2) Hylobatidae. Slank gebouwde, boombewonende dieren; uitnemende klimmers. Op den grond gaan zij in vertikale houding, steunend op de voetzool en balanceerende met de armen, die buitengewoon lang zijn. Zij voeden zich met bladeren en vruchten en versmaden insecten, spinnen en vogels niet. Tot de Hylobatidae behoort slechts het geslacht Hylobates, de Gibbon, die alleen voorkomt in het Zuid-Oostelijke deel van tropisch Azië, Malakka. Tonkin enz., en vooral talrijk op de Groote Soenda-eilanden. Talrijke soorten zijn bekend, b.v. de Siamang (H. syndactylus), van Sumatra, de Lar of Withandige Gibbon (H. lar), van het vasteland van Indië, de Wou-wou (H. leuciscus), van Java en Borneo.

Zij bezitten een zangerige, welluidende stem; het zijn goedaardige dieren, die de gevangenschap slecht verdragen. Geen der gibbons wordt langer dan 1 M. Tandformule als bij den mensch; geen wangzakken. Geen der tot dusver genoemde aapsoorten komt den mensch zoo nabij, dat men haar boven de andere als het meest op den menseh gelijkende kan beschouwen. Elk der genoemde soorten heeft integendeel zekere lichamelijke bijzonderheden, die haar meer dan de overige tot den menschelijken vorm doen naderen. In het maaksel van wervelkolom, ribben, borstbeen en bekken komen de gibbons den mensch het meest nabij. Bij den gorilla stemmen daarentegen de handen het meest met die van den mensch overeen.

3) Cercopithecidae. Deze dieren bewegen zich op 4 pooten en rusten op de volle hand-en voetzool. Het gezicht en de streek rondom den anus zijn naakt, evenals het soms sterk ontwikkelde ziteelt. Deze onbehaarde deelen kunnen opvallend gekleurd zijn. Meestal zijn wangzakken voorhanden.

De snuit kan kort of lang zijn. Deze familie omvat talrijke (meer dan 120) soorten, alle in de Oude Wereld, maar niet in Australië. Noordelijk gaan zij tot Gibraltar en den Himalaya en Kaschmir, Tibet en Noord-West China, tot 40° N.Br., oostelijk tot Timor en Celebes. Zij komen in den Himalaya tot op hoogten van 4000 M. voor en kunnen lage temperaturen dan zeer goed verdragen. Slechts enkele der meest bekende soorten mogen hier genoemd worden.

Semnopithecus, alleen in de oriëntale regio. S. maurus van het Maleische Schiereiland en de Groote-Soenda-eilanden, (loetoeng-itam of boedeng); glanzig zwart. S. entellus, met geelgrijzen pels en langen staart; gelaat en handen zwart, de Hanoeman of Hoelman of heilige aap der Indiërs, uit Noord- en Centraal Indië; houdt zich des zomers in het gebergte, des winters in vlakke, lage streken op. In Indië wordt hem goddelijke eer bewezen. Hij speelt, als helper van Rama bij diens tocht naar Lankā (Ceylon), eene voorname rol in het epos Rāmāyapa.

Voorts geldt hij als de eigenlijke maker van een tooneelstuk, Hanoemannātaka of Mahānātaka, dat hij in de rotsen heet te hebben gegriffeld. Hij zou echter aan Vālmiki, den dichter van het Rāmāyana, verlof gegeven hebben deze rotsen in zee te werpen, waaruit het drama na verloop van tijd weer bij brokstukken te voorschijn zou gekomen zijn. Het staat op naam van een dichter, die in de 11de eeuw n. Chr. aan het hof van koning Bhodzja te Dhārā leefde. Ofschoon niet meer dan een compilatie uit verschillende bronnen, is het wegens zijn vorm voor de kennis van de geschiedenis van het Indische drama van groot belang. — De Neus-aap (Nasalis larvatus), van Borneo (kahaoe) onderscheidt zich onder de apen door zijn welgevormden, uit het gezicht vooruitspringenden neus, die zeer beweeglijk is; het dier is 60 centim. lang. — De Guereza of Mantelbaviaan (Colobus guereza), een zeer fraai dier, leeft in de hooggelegen wouden van Abyssinië; zeer slank van bouw, uiterst vlug en behendig, zwart van kleur, gezicht onbehaard. Met de langharige huid van deze aapsoort overtrekken de Abyssiniërs hun schilden.

Tegenover deze apen, de slankapen, staan de meerkatten of macaco’s ,behoorende tot het geslacht Cercopithecus, met ronden kop, korten snuit, langen staart en weinig ziteelt. Uitsluitend boombewonend, voeden zich met vruchten en jonge bladeren. In tropisch Afrika, talrijke soorten, sommige fraai gekleurd. De bekendste soorten zijn: de Diana-aap (C. diana), met een tamelijk langen witten baard; hij bewoont de kusten van Guinea en wordt dikwijls levend naar Europa gebracht; de Zwarte Meerkat, (C. fuliginosus). Een sinds de oudste tijden bekende soort is de Groene Meerkat of harlekijnaap, (C. sabaeus), die in een groot gedeelte van tropisch Afrika wordt aangetroffen en het Europeesche klimaat zeer goed verdraagt; hij is geelachtig groen van kleur, in het gezicht zwart; hij wordt 40-50 centim. lang. Een andere soort, welke uitmunt door fraaie kleuren, is de Mona-aap (C. mona), die veel in menagerieën voorkomt; zijn vaderland is het bergachtig gedeelte van West-Afrika. In het algemeen vormen soorten van de familie der meerkatten het hoofdcontingent van de apenbevolking van diergaarden, menagerieën enz. — Macacus, met verlengden afgeronden snuit en meestal met langen staart. In Noord-China tot 40° N.Br., Indië, den Indischen Archipel tot Timor en in Noord-Afrika en Gibraltar; de Javaan-aap (monjet), (M. cynomolgus) zeer bekend in menagerieën en dierentuinen; de Laponder-aap (M. nemestrinus), in de Padangsche Bovenlanden afgericht tot het plukken van kokosnooten; de Magot, Macao of Maeaco (M. inuus), in Algiers, Marokko en Gibraltar, zonder staart; de eenige Europeesche aap, die echter aan het uitsterven is.

De bavianen of hondskoppen (Cynocephalini), zijn kenbaar aan hun tot een stompen snoet verlengd gelaat; het zijn na de orangs en de gorilla’s de sterkste apen; zij ontleenen hun naam hondskoppen aan de omstandigheid, dat hun spitse snoet den kop eenigszins doet gelijken op dien der honden; zij worden gevonden in een groot deel van Afrika, Zuid-Azië en op het eiland Celebes. Een der grootste soorten is de Mandril of Boschduivel (Papio maimon),met een grooten kop, zeer korten staart, rooden neus, tusschen blauw gekleurde aanzwellingen als opgezette wangen en een geelachtigen baard, eigenaardigheden, die dit dier een onbeschrijflijk afschuwelijk voorkomen geven; deze soort, die West-Afrika bewoont, heeft een sterk gestel, zoodat zij in gevangen toestand gemakkelijk in leven is te houden. Een andere mandril is de de Dril (P. leucophaeus), die in Senegambië leeft; het gezicht is minder afzichtelijk en geheel zwart. Aan de Kaap de Goede Hoop wordt een baviaan gevonden, wiens gezicht paarsachtig is; groote troepen dezer soort overvallen soms de tuinen en wijnbergen en plunderen deze geheel. De Mantelaap of Hamadryas (P.hamadryas),die zich onderscheidt door zijn grijsachtig haar, aan het bovenlichaam zeer lang, terwijl het gelaat onbehaard en vleeschkleurig is, wordt vooral gevonden in Arabië, Abyssinië en naburige landen; bij de oude Egyptenaren behoorde deze aap tot de heilige dieren. Het geluid, dat hij maakt, heeft veel overeenkomst met dat der varkens; hij leeft bijeen in groote troepen en loopt altijd op de vier handen. — Op Celebes wordt nog aangetroffen een zwarte baviaansoort, de Cynopithecus niger, die geheel zwart behaard is, bijna geen staart heeft en niet grooter wordt dan twee voet.

Dit dier kan geruimen tijd in dierentuinen leven en is zeer goed af te richten. Sommige bavianen voeden zich alleen met vruchten, wortels enz., andere bovendien met eieren, vogels en kleine zoogdieren. Verder zijn zij minder uitsluitend boombewoners dan de overige apen, maar bewegen zich ook gemakkelijk, op hun vier pooten loopende, op den grond. Sommige soorten hebben een langen, andere een korten staart. In hun jeugd zijn de bavianen veelal voor temming en africhting vatbaar; later worden het woeste, soms zelfs voor den mensch gevaarlijke dieren.

II. Apen van de Nieuwe Wereld of Breedneuzen (Platyrrhina), apen met breed neusschot, zijdelings gekeerde neusgaten, nimmer wangzakken en geen eeltplekken aan de achterdeelen; alle hebben een staart, vele een grijpstaart; gewoonlijk kleiner dan de soorten der vorige groep, ook minder wild en afzichtelijk, gemakkelijk te temmen. Ongeveer 80 soorten. Men onderscheidt twee families:

1) Cebidae. Veelal met grijpstaart. Nagels plat. Met drie wisselkiezen (tegen twee bij de Catarrhina). Duim opponeerbaar; kan afwezig zijn. Zij werpen slechts één enkel jong. Zij bewonen de wouden van de Nieuwe Wereld van Zuid-Mexico tot 30° Z.Br., ontbreken echter aan de Westzijde van den Andes. De meeste soorten leven in Brazilië en Guyana.

Voornaamste soorten: de Nachtaap (Nyctipithecus), nachtdieren, met groote lichtschuwe oogen, zonder grijpstaart; lijken min of meer op katten. Van Peru tot Costa-Rica; de Eekhoornaap (Callithrix), kleine fraai gekleurde dieren, in vele soorten langs de Amazonerivier en het Wolaapje (Lagothrix humboldti) ter zelfder plaatse. Pithecia, waartoe de Pluimstaartaap (P. hirsuta) en de Satansaap (Pithecia satanas). — Het Scharlakenkopje (Brachyurus calvus) van de Amazone-streek, met korten staart. — Meer bekend zijn de Brulapen (Mycetes), zwaar behaarde dieren met een trommelvormig tongbeen, dat in verband staat met het strottenhoofd en waarmee een krachtig geluid kan worden voortgebracht; hun staart is aan het einde onbehaard, en daar hij sterk omgekruld kan worden, dient hij dezen dieren om zich bij het klimmen vast te houden (daarom grijpstaart genoemd). De brulapen leven in troepen bijeen; men vindt ze in de uitgestrekte bosschen van Uruguay tot Costa-Rica, liefst in de nabijheid van rivieren en moerassen; hun bewegingen zijn langzaam, traag en vreesachtig; hun voedsel bestaat uit bladeren en bloemknoppen, vruchten en insecten; het gebrul, waaraan zij hun naam ontleenen, houden zij soms uren lang aan, vooral des avonds; de wijfjes brengen jaarlijks één jong ter wereld, dat zij, zoolang het nog zuigt, overal met zich meevoeren. Hun zintuigen zijn sterk ontwikkeld. Zij worden gejaagd om hun zwarte of roodachtige pels, die een fraai bont oplevert. M. niger leeft in Brazilië. — De echte slingerapen bezitten een grijpstaart, waarmede zij ongeloofelijke acrobatische toeren in de boomen kunnen maken; zij klauteren met onbegrijpelijke vlugheid op de boomen rond, waarbij hun staart en de lange voorste extremiteiten hun groote diensten bewijzen; is het doen van een grooten sprong noodig, dan slaan zij het uiteinde van hun staart om een tak, brengen het lichaam in een schommelende beweging en laten zich los; zij komen weinig of in het geheel niet op den grond; zelfs om te drinken, verlaten zij de boomen niet, maar gaan aan over het water hangende takken hangen.

Zij voeden zich hoofdzakelijk met vruchten en insecten, vooral met spinnen. Zij bewonen Zuid-Amerika. De meest bekende soorten van dit geslacht zijn de Surinaamsche Boschduivel (Ateles paniscus) en Bartlett’s Slingeraap. — De Rolapen (Cebus), hebben een dichtbehaarden staart; zij zijn veel kleiner dan de brulapen en de slingerapen, doch veel levendiger van aard. Ook deze apen leven op de boomen, waar zij vruchten en insecten zoeken, ook bijennesten, om deze van honig te berooven, en vogelnesten, waaruit zij zoowel de eieren als de jonge vogels verslinden; hun gelaatstrekken zijn zeer bewegelijk en drukken duidelijk vreugde, smart, boosheid en andere aandoeningen uit; hun geluid bestaat in een schel gefluit, dat evenwel overgaat in een gegil, wanneer zij kwaad worden. Bekende soorten van rolapen zijn de Capucijneraap (C. capucinus) en het Doodshoofdje (Chrysothrix sciureus). De rolapen zijn verbreid over geheel tropisch Zuid-Amerika en komen ook ten noorden van de landengte van Panama voor, tot in Zuid-Mexico.

2) Hapalidae, de klauw- of platneus-apen; kleine, op eekhoorns gelijkende, Zuid-Amerikaansche apen met langen, dicht behaarden staart, die geen grijpstaart is. Twee wisselkiezen. Met nagels alleen aan de duimen der voeten; de overige vingers dragen klauwen. De klauwapen zijn vreesachtige, zachtzinnige dieren en voeden zich met vruchten en insecten. Het meest bekend zijn het Penseelaapje of Ouistiti, aldus genoemd naar de pluimen aan de ooren (Hapale penicillatus), H. rosalia en het Leeuwaapje (Midas leonina).

Deze dieren ziet men vaak in dierentuinen en menagerieën.

III Bij de echte apen sluiten zich aan de Halfapen, (Prosimiae), boombewonende schemering- of nachtdieren, insectivoor, omnivoor of frugivoor. De beharing is dicht. Staart meestal lang, maar nooit een grijpstaart. Duimen opponeerbaar. De tweede teen van den voet heeft steeds een klauw; de vierde teen is de langste. Meestal met 3 valsche kiezen.

Achterste ledematen in den regel langer dan de voorste. De kop gelijkt op dien van een vos. Hun kiezen hebben spitsere knobbels dan die der apen, en hun gebit komt in het algemeen min of meer met dat der insecteneters overeen. Zij leven in troepen en zijn vlugge klimmers en springers. De halfapen bewonen Afrika en zuidelijk Azië; de meeste soorten worden gevonden op Madagaskar, waar zij de daar ontbrekende ware apen vervangen. Twee onderordes (met 13 geslachten en 60 soorten):

1) Lemuridae, vos-apen of maki’s, met een spitsen, op dien van een vos gelijkenden) kop.Zijdelings geplaatste oogen, Het meest bekend zijn de maki’s, die veel in dierentuinen gehouden worden. Het zijn meestal dagdieren, die Madagaskar bewonen. Lemur catta met grijzen, zwart-geringden staart; de Zwartkopmaki (L. mongoz), met grijze vacht en zwart gezicht; de Zwarte Maki (L. macaco) (pl. VII, fig. 3) waarvan de wijfjes rood gekleurd zijn. De kleinste is de Dwergmaki van Madagaskar (Microcebus myoxinus), (pl.

VII, fig. 2), met zeer groote ooren. Een der merkwaardigste is de Ai-ai (Chiromys madagascariensis), (pl. VIII, fig. 1), met knaagdiergebit, waarmede het gaten knaagt in bamboes en suikerriet; met den zeer langen en dunnen middelvinger bemachtigt het vervolgens het merg dezer planten en de daarin zich bevindende insecten. Woonplaats Madagaskar.

De Slanklori (Stenops gracilis) bewoont Vooren| Achter-Indië en Ceylon, (pl. VIII, fig. 3); de Plomplori (Nycticebus tardigradus) komt voor van Bengalen tot Java (pl. VIII, fig. 4); de Galago (Octolicnus galago), (pl. VII, fig. 4), bewoont Oost-Afrika, Arctocebus calabarensis (pl. VIII, fig. 1). Oud-Calabar.

2) Tarsiidae, met slechts ééne soort: de Koboldmaki of Spookdier (Tarsius spectrum), van Sumatra, Banka, Billiton, Borneo en Java (pl. VIII, fig. 2), een klein, zeer levendig, springend dier, met zeer groote oogen en lange dunne vingers en teenen, die aan den top schijfvormig verdikt zijn, en langen dunnen staart; het boezemt den inboorlingen bijgeloovige vrees in.

IV. Uitgestorven aapsoorten. In Europa, hoewel in dit werelddeel thans geen apen meer in den vrijen toestand worden aangetroffen, met uitzondering van den Macacus inuus, die tot de rots van Gibraltar is beperkt, hebben in vroegere tijdperken verschillende aapsoorten geleefd. Overblijfselen zijn o.a. gevonden in de oudere tertiaire lagen in Engeland. Gedurende de middelste tertiaire periode moet in Frankrijk een groote aapsoort hebben geleefd, overeenkomst hebbende met de anthropomorphe aapgeslachten, benevens een kleine soort van gibbon; ook in Griekenland zijn fossiele apen gevonden; algemeen wordt aangenomen, dat Europa gedurende den geheelen duur van het tertiaire tijdvak apen heeft geherbergd en dat het gebied dezer orde langzamerhand naar het zuiden ingekrompen is, totdat zij tegen het einde der tertiaire periode uit Europa nagenoeg verdwenen waren. In Zuid-Amerika zijn evenals in Europa fossiele apen gevonden, waaruit gebleken is, dat in dat werelddeel gedurende het diluviale tijdperk apen hebben geleefd, met een gelijk gebit als dat van de thans nog in Amerika levende soorten, terwijl de fossielen van Europa in tandstelsel overeenkomen met de soorten, die thans Afrika en Azië bewonen. De veelbesproken, in velerlei opzicht den mensch zeer nabijkomende Pithecanthropus erectus van Dubois schijnt het nauwst verwant aan Hylobates lar (zie boven). Litteratuur: Schlegel, Monographie des Singes (Leiden 1876), Hartmann, Die menschenähnlichen Affen (Leipzig 1883), Broca, Mémoires sur le cerveau de l’homme et des primates (Paris 1888), Selenka, Studien über Entwickelung und Schädelbau der Menschenaffen (Wiesbaden, 1900, vervolg van Walkhoff, 1902), M. Weber, Die Säugetiere (Jena 1904).