Wat is de betekenis van afzichtelijk?

2025-12-15
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

afzichtelijk

Het begrip afzichtelijk heeft 2 verschillende betekenissen: 1) verschrikkelijk lelijk. zo lelijk dat men geneigd is de blik af te wenden; verschrikkelijk lelijk. 2) verschrikkelijk. niet om aan te zien omdat het verschrikkelijk is; verschrikkelijk; afschuwelijk.

2025-12-15
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

afzichtelijk

afzichtelijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. zo lelijk dat men de neiging heeft de blik elders te richten Ik dat ongeluk liep hij een afzichtelijke brandwond op. Woordherkomst Afgeleid van het verouderde afzicht (lelijkheid) met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e- S...

2025-12-15
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

afzichtelijk

afzichtelijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: af-zich-te-lijk 1. heel erg akelig ♢ ze heeft een afzichtelijke hoed gekocht Bijvoeglijk naamwoord: af-zich-te-lijk ... is afzichtelijker dan ... ...

2025-12-15
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Afzichtelijk

adj., ûnhuer(ich).

2025-12-15
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

afzichtelijk

bn., bw. (zo lelijk, dat men er de blik van afwendt): een afzichtelijk beeld van Boeddha; afzichtelijk lelijk.

2025-12-15
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

afzichtelijk

(af’sichtələk) bn. en bw. (-er, -st) zo lelijk dat men er van afziet, zeer lelijk : een wezen; er uitzien. Syn. ➝ afgrijselijk.

2025-12-15
Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

afzichtelijk

afzichtelijk bn. 'zeer lelijk' categorie: leenvertaling, volksetymologie Nnl. afzichtelijk [1787; WNT vervallen I]. Eerder al met dezelfde betekenis afsichtich [1573; Thes.], en het zn. afsicht 'mismaaktheid, afkeer' [1599; Kil.]. Wrsch. een leenvertaling van Latijn dēspectus 'verachtelijk', het v...

2025-12-15
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

AFZICHTELIJK

Afzichtelijk bn. bw. (-er, -st), in den hoogsten graad leelijk, wanstaltig of onooglijk; terugstootend voor het gezicht, zóó dat men er onwillekeurig den blik van afwendt; ook fig.: een afzichtelijk vrouwmensch; de laagheid in hare afzichtelijke gedaante; zijne gelaatstrekken hernamen hunne afzichtelijke uitdrukking; het afzichtelijks...

2025-12-15
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Afzichtelijk

zie Afgrijselyk.

2025-12-15
Prisma NL Sranantongo

Unieboek | Het Spectrum (2025)

Wil je toegang tot alle 15 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-15
Prisma Nederlands Fries

Unieboek | Het Spectrum (2025)