Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Emotie / Gevoel

betekenis & definitie

Emoties en gevoelens zijn affectieve uitingsvormen, die naast lichamelijke componenten ook een cognitieve kwaliteit bezitten. In het kader van de morele psychologie en van de handelingstheorie hebben ze een centrale betekenis. Er worden doorgaans twee verschillende soorten affecten onderscheiden: emoties en stemmingen. Emoties zijn gericht op een specifiek object (plezier hebben om / bang zijn om iets of iemand), zijn intens en gewoonlijk kort van duur, terwijl stemmingen minder specifieke oorzaken hebben en langer aanhouden. Emoties hebben de functie na een verstoring of een provocatie een heroriëntatie in het gedrag teweeg te brengen. Ze herorganiseren het gedrag in onrustwekkende situaties.

Daarnaast kan men gevoelens (sentiments) onderscheiden waarmee wordt gedoeld op de relatief stabiele affectieve waarderingen van een persoon of een groep personen. Het gaat om attitudes die affectieve ervaringen en herinneringen, en toekomstige verwachtingen bevatten. Hierdoor kan men op een stabiele en persistente wijze evalueren. Anders dan het geval is bij gevoelens gaan emoties meestal gepaard met sterke lichamelijke aandoeningen, waaraan ze hun levendigheid en intensiteit ontlenen.

Emoties openbaren verlangens, belangen en verwachtingen, bieden aldus informatie over beweegredenen en keuzes, en kunnen daardoor rationele besluitvorming steunen en bekrachtigen. Emoties kan men dus niet reduceren tot zaken die ons overkomen of overmannen (zoals honger, dorst of seksuele lust). De afbakening van gewaarwordingen, passies, emoties en gevoelens is lastig en zelfs de terminologie is onzeker. De handelingsmotivatie door emoties maar ook de oriënterende functie van de emoties is voor de ethiek van groot belang.

Enkele historische ontwikkelingen
Een centraal vraagstuk van de ethiek betreft de verhouding tussen gevoel en oordeel. Drie klassieke filosofische concepten zijn hier van belang. Terwijl Aristoteles een balans-model tussen gevoel en oordeel behartigt, hanteren Hume en Kant - elk vanuit een andere invalshoek - een polariseringsmodel. In zijn leer van de ziel markeert Aristoteles een ‘streefvermogen’ dat zich van het irrationele deel onderscheidt en voor een sturing door het rationele deel toegankelijk is. Er is een domein van emotionele drijfveren, dat aan een morele ordening kan worden onderworpen, aan de ordening van het ‘juiste midden’ (EN, 1106b). Emoties zijn vatbaar voor een prescriptief oordeel dat deze matigt en richt op datgene wat de deugdzame mens in het kader van oikos (huishouden) en polis (gemeenschap) verwerkelijkt: de gelukzaligheid. Tussen de rede en de emotie bestaat dus geen radicaal hiaat. Moreel handelen berust op de doorwerking van de emoties door de praktische rede. De gezondheid van de emoties wordt bewerkstellligd door het vermijden van de extremen. Met recht kan deze ethiek ‘therapeutisch’ (Nussbaum 1994) worden genoemd. Zij heeft met de levenskunst te maken - de kunst, emotie, gevoel en rede in een gezonde relatie te plaatsen. Hume en Kant beëindigen echter (voorlopig) deze traditie. Hume richt zijn aandacht op het motivatieprobleem, op de vraag, hoe wij tot moreel handelen worden aangezet. De rede is hiertoe ‘geheel machteloos’ (A Treatise of Human Nature, III, 1, 31).

Handelingen worden aangedreven door affecties (passions). Terwijl de ‘rustige’ indrukken van de zelfwaarneming (reflexion) gevoelsbewegingen doen ontstaan die op schoonheid en lelijkheid zijn gericht, zijn de affecties ‘heftige’ gemoedsbewegingen zoals liefde, haat, vreugde of teneergeslagenheid. De affecties worden op hun beurt onderscheiden in ‘directe’ en ‘indirecte’: de ‘directe’ komen onmiddellijk voort uit een goed of een kwaad, uit pijn of plezier (zoals begeren, hoop, vrees, afschuw, vertwijfeling), de ‘indirecte’ (trots, grootmoedigheid, liefde, nijd) komen slechts middellijk uit de genoemde factoren voort. De regels van de zedelijkheid zijn volgens Hume niet het resultaat van de rede, want deze is ‘geheel passief’ en kan ‘noch affecties noch handelingen ooit verhinderen of bewerkstelligen’ (III, 1, 1). De rede is ‘de slaaf van de passies’ (III, 2, 31). Toch berusten onze morele handelingen niet slechts op onze private preferenties. De onmacht van het ethisch oordeel wordt gecompenseerd door de antropologische algemeenheid van morele gevoelens zoals welwillendheid en sympathie. Deze gevoelens bevelen ‘een en dezelfde algemene rechtvaardiging’ aan, ‘een aanhoudende overeenstemming tussen menselijke neigingen en beslissingen’ (Enquiry concerning the Principles of Morals, 3 IX, deel 1). Toch blijft het probleem bestaan dat deze onpartijdigheid van het oordeel moeilijk met de stelling te verenigen is dat de rede onmachtig is.

Kant wil daartegenover het morele oordeel van iedere affectieve of emotionele interventie vrijwaren. De morele verplichting berust op het onafhankelijke oordeel, op de ‘necessitatio practica’ en niet op een door emoties of wensen ingegeven ‘necessitatio pathologica’. Wij worden alleen dan moreel gemotiveerd wanneer de aansporing tot handelen voorkomt uit de ‘voorstelling van de wet als zodanig’. Deze aansporing manifesteert zich ‘subjectief’ als ‘loutere achting’ voor de wet - een gevoel dat in feite geen gevoel is. Het wordt ‘door een intellectueel fundament bewerkstelligd’; wij kennen het ‘a priori’ (KpV 86, 130). Morele gevoelens mogen dus niet aan het morele oordeel voorafgaan. Zij moeten geneutraliseerd worden want zij corrumperen en relativeren het morele oordeel. De algemeenheid van dit oordeel en de strenge objectiviteit ervan worden onder de invloed van emoties en gevoelens onmogelijk.

In beide polariseringsmodellen wordt een interpretatie van emoties en gevoelens gehanteerd die werkelijkheidsvreemde trekken vertoont. Beide zien over het hoofd dat wij wel degelijk in staat zijn om onze gevoelens cognitief te benaderen. Gevoelens zijn geen amorfe, naturalistische massa die ontoegankelijk is voor reflectieve interventies. Wij zijn in staat om redenen te noemen voor onze emoties, gevoelens en wensen.

Morele emoties en de cognitieve structuur van gevoelens
Op de vraag welke de fundamentele emoties zijn en welke binnen dit kader als basale morele emoties kunnen worden beschouwd, krijgen we zeer verschillende antwoorden. Schaamte, schuld, verontwaardiging, medelijden en sympathie worden vaak genoemd. Of deze emoties werkelijk fundamenteel moreel zijn, is moeilijk te zeggen. Het lijkt dat zij het bestaan van een (minimale) morele codering reeds vooronderstellen. In ieder geval tonen deze morele emoties aan dat ze een cognitieve structuur bezitten. Zij geven het (morele) bestaan een oriëntering. De vaststelling van Richard Wollheim (1991) dat de rol van de emotie erin bestaat om de persoon een houding of oriëntering te verschaffen, en wel als aanvulling op het beeld van de wereld dat hij erop na houdt, kan inmiddels als algemeen aanvaard worden beschouwd. Wanneer emoties deze oriënterende functie kunnen uitoefenen, kan er tussen de cognitieve en de emotionele vermogens van het menselijke brein geen radicaal verschil bestaan (Elster 1999) Wat de verschillende verklaringsmodellen over de rol van emoties met elkaar verbindt, is de opvatting dat emoties een representationele structuur bezitten - zij zijn gericht op een object, zij gaan over iets, zij hebben een inhoud en kunnen niet tot blinde impulsen gereduceerd worden. Ook wanneer de scheidslijnen tussen gewaarwordingen, emoties en gevoelens niet messcherp getrokken kunnen worden, kan men de toename van hun representationele structuur, de mate waarin zij als bewuster worden ervaren, als criterium gebruiken. Tot in de meest subtiele en eenvoudige gewaarwordingen zijn cognitieve aspecten aan het werk. Blijkbaar kan de oriënteringsfunctie van emoties ook als een waarderingsfunctie worden uitgelegd (Roth 2001). Ze laten een (altijd voorlopige) preferentiële, evaluatieve ordening ontstaan. Emoties maken de wereld waarin we leven waardevol, zij zijn ‘judgments of value’(Nussbaum2001). Zonder emoties zouden wij niet weten hoe en waarom te handelen.

Literatuur
Aristoteles, Ethica Nicomachea (EN), vertaald door C. Pannier en J. Verhaeghe, Groningen, 1999.
Elster, J., Alchemies of the Mind. Rationality and the Emotions, Cambridge, 1999.
Hume, D., A Treatise of Human Nature, ed. by L. Selby-Bigge en E Nidditch, Oxford, 1975 (1739-40).
Hume, D., An Enquiry concerning the Principles ofMorals, ed. byTomL. Beauchamp, Oxford, 2006.
Kant, I., Kritiek van de praktische rede (KpV), vertaald door J. Veenbaas en W.Visser, Amsterdam, 2006 (1788).
Nussbaum, M. C., The Therapy ofDesire. Theory and Practice in Hellenistic Ethics, Princeton, 1994.
Nussbaum, M. C., Oplevingen van het denken, vertaald door E Adelaar, Amsterdam, 2004 (2001).
Roth, G., Fühlen, Denken, Handeln. Wie das Gehirn unser Verhaken steuert, Frankfurt/M., 2001.
Wollheim, R., On the Emotions. The Ernst Cassirer Lectures, New Haven/New York, 1991.

(J-P. Wils)