Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Hoop

betekenis & definitie

De hoop is een deugd, dat wil zeggen een innerlijke houding (habitus, habit, attitude) die het fundamentele vertrouwen uitdrukt waarmee een mens of een gemeenschap de toekomst benadert. De betekenis van de hoop is in de filosofie vooral uitgewerkt in het utopische denken.

Binnen de christelijke traditie verschijnt de hoop als een van de drie theologale deugden, samen met geloof en liefde (I Korintiërs 13:13, Hebreeen 6: 18-19; 11, 1 Romeinen 8: 24-25). De scholastieke theologie maakt onderscheid tussen theologale, ‘bovennatuurlijke’ of ‘ingestorte’ ‘goddelijke’ deugden waartoe de hoop hoort, en de natuurlijke deugden waartoe de kardinale deugden behoren: verstandigheid, rechtvaardigheid, dapperheid en matigheid. Dit betekent dat de drie eerst genoemde deugden meer dan de andere, als vruchten van genade (vrije gaven van Godswege) beschouwd worden, en niet louter als producten van een menselijk (collectief) streven.

Historische ontwikkeling
In filosofisch opzicht is de hoop nauw verbonden met de historiciteit als wezenlijke structuur van het menselijk bestaan (Bloch 1959). Hoop duidt op de toekomstverwachting die aan een zelfbewuste beleving van tijd inherent is. Tot de filosofische reflectie over de hoop horen dus vragen over de zin van de geschiedenis, over (on)eindigheid en eeuwigheid, over utopie en ideologie. De concrete invulling van een filosofie van de geschiedenis hangt op haar beurt nauw samen met het heersende wereldbeeld.

Voor Immanuel Kant (die de filosofie samenvat in de drie vragen: ‘Wat kan ik denken?’ ‘Wat moet ik doen?’ ‘Wat mag ik hopen?’) verwijst de thematiek van de hoop naar een filosofie van de religie. De toekomstverwachting in het Westerse collectieve geheugen is op doorslaggevende wijze getekend door de typisch joodse metaforen van het ‘beloofde land’ de ‘uittocht’ en de ‘messiaanse eindtijd’. Dit in tegenstelling tot de Griekse antieken die wel geschiedschrijving als specifieke discipline kenden maar minder getuigden van een uitgesproken toekomstverwachting. De receptie van de mythe van Pandora geeft een ambigue beeld van de hoop: de hoop is de enige van alle kwalen die niet uit de doos van Pandora ontsnapt. Maar het is de vraag of dat een zegen is (temidden van alle ellende hebben we tenminste de hoop nog), of juist de ergste straf: de hoop houdt ons vast in een leven vol ellende. Kenmerkend voor archaïsche culturen is dat door het geïdealiseerde verleden (en door de mythe van de eeuwige terugkeer) de hoop eerder atrofieert. De joods-christelijke geschiedenisvisie daarentegen is ten diepste bepaald door de spanning tussen de reeds gerealiseerde verlossing (in Israël, in Christus) en het nog niet gerealiseerde heil (het komende rijk Gods). Deze visie ligt aan de basis van een collectieve voorstellingswereld die een ‘praktijk van de hoop’ mogelijk maakt.

In de moderne tijd wordt het referentiekader van de hoop in hogere mate bepaald door de menselijke ontvoogding van beperkende (religieuze) kaders. Indien de geschiedenis verstaan wordt als een opgaande evolutie (vooruitgang) in functie van de grotere mondigheid van de mens, rijst de vraag in welke mate het rijk van vrijheid en gerechtigheid al in de loop van deze geschiedenis bereikt kan worden: is het heil maakbaar? Deze vraag staat centraal in het moderne utopische denken en in het denken van de centrale auteurs van de verlichting (Kant, Hegel, Marx). Een significant beginpunt vindt men in Utopia van Thomas More (1516). In het verlengde van deze moderne geschiedenisfilosofie kan men de moderne politieke theologie lezen, met inbegrip van de bevrijdingstheologie, als een christelijke verwerking van de moderne toekomstverwachting (Moltmann 1963; Gutierrez 1987).

Parallel aan de maatschappelijke dimensie van de moderne hoop ontwikkelt zich een psychologische lezing van de menselijke vrijheid welke belangrijke nieuwe inzichten aandraagt voor de interpretatie van de persoonlijke ontplooiing en toekomstverwachting. Centraal staat hierin uiteraard de psychoanalyse van Freud, maar evenzeer de latere godsdienstpsychologische werken van Fromm en Erikson, en de cognitief-morele ontwikkeling zoals geschetst door Piaget en Kohlberg. Deze psychologische scholen bieden een dieper inzicht in de voorbewuste structuren van de menselijke hoop, onder meer de essentiële rol die het initiële basisvertrouwen van het kind vervult voor de latere ontwikkeling van een zelfstandige identiteit en een volwassen geweten.

Het huidige postmoderne denkklimaat wordt gekenmerkt door kritische syntheses van de moderne toekomstverwachting (bijvoorbeeld Blumenberg 1966; Lasch 1991), en door een diepe achterdocht tegenover alle vormen van utopie en vooruitgangsoptimisme (Jonas 1979; Achterhuis 1998). Vooral Jonas’ Das Prinzip Verantwortung (een allusie op Blochs Das Prinzip Hoffnung) kan gelden als een typische expressie van de hedendaagse cultuur. De verantwoordelijkheidsethiek die Jonas voorstaat is een anti-utopische en anti-eschatologische ethiek, gedreven door een zorg voor het vermijden van onherstelbare schade voor de toekomstige generaties. Deze ethiek is niet gebouwd op de gemeenschappelijke hoop op een hoger goed (heil), maar eerder op de imperatief van de vrees: vermijd onomkeerbaar onheil, breng het voortbestaan van de mensheid niet in gevaar.

Dat hoop een deugd is, impliceert dat men haar niet in solipistische afzondering ontwikkelt, maar enkel in gemeenschap cultiveren kan. Op dit punt stemmen theologische en filosofische interpretaties van de hoop overeen. Een praktische benadering van de hoop kan, in de lijn van Ricoeur, vertrekken van een lezing van ethische verantwoordelijkheid die zich laat aanspreken door metaforen over toekomstig heil. Zoals Ricoeur onderstreept, wordt de hoop eerder aangesproken via de weg van de verbeelding (‘la poétique de rimagination’) dan van de wil of de rede. Dit opent perspectieven voor een reflectie over het verband tussen ethiek en esthetiek, en over de rol van de kunst als school van de hoop (Hauerwas 1974).

Literatuur
Achterhuis, H., De erfenis van de utopie, Amsterdam, 1998.
Bloch, E., Das Prinzip Hoffnung, Frankfurt/M., 1959.
Blumenberg, HL, Die Legitimitat der Neuzeit, Frankfurt/M., 1966.
Cavenish, R., Visions o/Heaven and Heil, London, 1977.
Erikson, E., Identity and the Life Cycle, New York, 1959.
Gutierrez, G., Drinken uit de eigen bron, Kampen, 1987.
Hauerwas, S., Vision and Virtue, Notre Dame, 1974.
Jonas, H., Das Prinzip Verantworting: Versuch einer Ethik für die technologische Zivilisation, Frankfurt, 1979.
Kirkels, V (red.), Hoop als helpende hand, Nijmegen, 2003.
Lasch, C., The True and Only Heaven. Progress and its Critics, London, 1991.
Moltmann, J., Theologie der Hoffnung, München, 1963.
Moore, T., Utopia, vertaald door M. van der Zeyde, Amsterdam, 1977 (1516).
Ricoeur, P, Het probleem van de grondslagen van de moraal, vertaald door H. Opdebeeck, Kampen, 1995.

(J. van Gerwen)