Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Emancipatie

betekenis & definitie

Het begrip ‘emancipatie’ duidde in de loop van zijn geschiedenis op alle juridische, politiek-sociale, pedagogische en religieuze pogingen om zelfverwerkelijking en bevrijding van onderdrukking te realiseren. In deze omvattende betekenis is het begrip tot een principe geworden dat een omvorming van de samenleving beoogt. Klassieke categorieën van het denken in de nieuwe tijd, zoals ‘verlichting’, 'autonomie’, ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’, vinden in emancipatiebewegingen een politiek-praktische uitdrukking. Oorspronkelijk was ‘emancipatie’ (ex manu capere, letterlijk: uit de hand nemen) een begrip uit het Romeinse recht en had het betrekking op de bevrijding van de zoon uit de vaderlijke macht. De zoon bereikte hiermee de status van onafhankelijk rechtspersoon en mocht in die hoedanig beschikken over bezit en vermogen. Aan het einde van de achttiende eeuw werd het van een juridisch tot een politiek-maatschappelijk begrip, dat betrekking had op een ontwikkelingsproces met als oogmerk de mens te bevrijden van juridische, economische, sociale, politieke en religieuze bepalingen die door derden waren opgesteld.

Historische ontwikkeling
Het emancipatiebegrip van de moderne tijd kwam onder andere tot uitdrukking in de Noord-Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van 1776 (Virginia Bill of Rights) en in de verklaring van de Franse nationale vergadering van 1789 (Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen). Emancipatie werd in de negentiende eeuw het sleutelbegrip voor sociaal-economische veranderingen die hun ideologische kenmerken tot op de dag van vandaag hebben behouden (Greiffenhagen 1973). Met de politieke machtsstrijd van de burgerij kwamen de tegenstellingen rondom het emancipatiebegrip volop tot uitdrukking. Enerzijds werd ‘emancipatie’ synoniem met ‘vrijheid’, ‘vooruitgang’, ‘democratie’ en ‘zelfbeschikking’, anderzijds stond de term voor oproer en anarchie. Met het maatschappelijk emancipatieproces in de negentiende en twintigste eeuw is een tendens verbonden om zich los te maken van traditionele en christelijke opvattingen over mens en maatschappij. Deze tendens leidde dikwijls tot een uitgesproken vijandige houding tussen kerk en samenleving (Van der Stichele 1993). Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw groeide emancipatie uit tot een centrale categorie van een christelijke maatschappij analyse (onder meer binnen de bevrijdingstheologie).

Bij Karl Marx kreeg het begrip ‘emancipatie’ een sterke kritische betekenis. In zijn analyse van de klassenmaatschappij legt hij de belangrijkste tegenspraken bloot van een kapitalistisch systeem waarbinnen de proletariër gedwongen is voor anderen te werken (Marx 1859). In de twintigste eeuw kreeg het denken over emancipatie een nieuwe impuls door de kritische theorie van de Frankfurter Schule (Horkheimer 1968).

Sinds Immanuel Kant komt in het begrip ‘emancipatie’ het aspect van zelfbevrijding sterker tot uitdrukking dan de gelijkberechtiging. Terwijl tot in de negentiende eeuw emancipatie voornamelijk werd opgevat als het zich bevrijden van juridische, economische, sociale en politieke bepalingen door derden, benadrukte Kant in zijn klassiek geworden Wat is Verlichting? al de individuele verantwoordelijkheid: onmondigheid is het onvermogen het eigen verstand zonder leiding van een ander te gebruiken; de mens heeft die onmondigheid aan zichzelf te wijten. De gedachte dat emancipatie niet louter een zaak van de samenleving is maar juist de actieve betrokkenheid van het subject vereist, komt ook in huidige discussies over dit onderwerp sterk tot uitdrukking. Zo formuleert de theologe Mary Daly de bevrijding van elk juk dat door derden is opgelegd als ‘de moed om te zijn’; deze moed eist van ieder individu een persoonlijk besluit (Daly 1980).

Vrouwenemancipatie
Verlichte denkers als Kant en Rousseau achtten vrouwen onmondig en onzelfstandig; vrouwen moesten mannen gedienstig zijn. Verwijzend naar hun biologische functies werd hun ‘natuurlijke’ maatschappelijke bestemming vastgelegd. Het uitoefenen van openbare functies door vrouwen werd ook met een verwijzing naar ‘goddelijke’ autoriteit tegengegaan (‘Ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft’ Timotheus 2; 12). Al in 1792 eiste in Engeland Mary Wollstonecraft de emancipatie van beide geslachten. In 1791 stelde Olympe de Gouges in Frankrijk De verklaring van de rechten van de vrouw en burgeres op als kritische reactie op de Verklaring van de rechten van de man (l’homme) en van de burger van 1789, een rechtshistorisch belangrijk document omdat het de weerstand tegen vrouwenemancipatie van meet af aan verduidelijkt (Schröder 1979, pp. 31-54). Het is veelbetekenend dat dit document tot in de jaren tachtig van de twintigste eeuw in alle tekstbundels en bronnenpublicaties ontbreekt. In 1895 publiceerde Elizabeth Cady Stanton, een Noord-Amerikaans voorvechtster van de slavenbevrijding, de Woman’s Bible toen haar duidelijk werd in welke mate de bijbel werd gebruikt ter legitimering van onrecht (vergelijk Schottroff e.a. 1995, p. 5).

De geschiedenis van de vrouwenemancipatie in de moderne tijd was van meet af aan met de burgerlijke roep om gelijkheid verbonden (Gerhard 1990). Dit schiep ook voor vrouwen de mogelijkheid zich te beroepen op de beloften van de Verlichting. Tegelijkertijd treedt de ambivalentie aan het licht die inherent is aan emancipatieprocessen. Enerzijds wordt vrouwen in de meeste democratische samenlevingen het recht op onderwijs en arbeid toegekend, anderzijds hebben zij minder mogelijkheden die verworven rechten te benutten. Zo betekent de bevrijding van het individu uit voorgegeven rolpatronen wel dat het leven autonoom kan worden ingericht, maar op vrouwen bleef onevenredig de last van zorgtaken in het gezin drukken. Het kiesrecht en het recht op het bekleden van een openbaar ambt hebben de emancipatie van de vrouw belangrijke impulsen gegeven. Maar het mechanisme van maatschappelijke uitsluiting is daarmee geenszins overwonnen.

Literatuur
Bielefeldt, H., Philosophie der Menschenrechte, Darmstadt, 1998.
Daly, M., Jenseits von Gottvater, Sohn & Co, München, 1980.
Gerhard, U., Gleichheit ohne Angleichung, München, 1990.
Greiffenhagen, M., Emanzipation, Hamburg, 1973.
Horkheimer, M., Kritische Theorie, 2 Bande, Frankfurt/M., 1968.
Kane, R. (ed.), The Oxford Handbook of Free Will, Oxford, 2002.
Kant, I., Wat is verlichting?, vertaald door B. Delfgaauw, Kampen, 1992 (1784).
Marx, K., Zur Kritik der politischen Ökonomie, Berlijn, 1974 (1859).
Schottroff, L., S. Schroer, M-T. Wacker, Feministische Exegese, Darmstadt, 1995.
Schröder, H., Die Frau ist frei geboren, Bd.1, München, 1979.
Vander Stichele, C. et al. (,eds.),DisciplesandDiscipline, Löwen, 1993.
Wilson, E., The Diversity of Life, New York, 1992

(H. Meyer-Wilmes)