Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Empirische ethiek

betekenis & definitie

Zowel in de medische ethiek als ook in de bedrijfsethiek en in bepaalde afdelingen van de politieke filosofie (multiculturalisme, verdelingsvraagstukken) komt men steeds meer literatuur tegen waarin de auteurs inzichten vanuit de normatieve ethiek en vanuit de empirische sociale wetenschappen met elkaar trachten te verbinden. Die benadering wordt vaak ‘empirische ethiek’ genoemd. Sommige auteurs spreken zelfs van een nieuwe fase in de geschiedenis van de ethiek. Zij zien de empirische ethiek als de logische volgende stap in de ontwikkeling van de 'toegepaste’, praktische ethiek. In tegenstelling tot de descriptieve ethiek is de empirische ethiek niet puur beschrijvend, maar wil zij ook normatieve uitspraken doen. Empirische ethiek is dus een vorm van normatieve ethiek met een stevige empirische sociaal-wetenschappelijke component. (Of een vorm van sociale wetenschap met een normatieve spits.) Er is geen inhoudelijke reden waarom de term empirische ethiek alleen ter aanduiding van de combinatie van normatieve ethiek met sociaal-wetenschappelijk onderzoek wordt gebruikt. In toenemende mate maken filosofen en ethici immers ook gebruik van inzichten uit de neuro- en cognitiewetenschappen en uit de sociale en de morele psychologie.

In het navolgende wordt uitgegaan van de betekenis die empirische ethiek nu heeft: een combinatie van normatieve ethiek en empirische sociale wetenschappen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een zwakke vorm van empirische ethiek waarin het gaat om de versterking van de contextsensitiviteit van de normatieve ethiek en een sterke vorm van empirische ethiek waarin de feitelijke morele overtuigingen en praktijken van mensen als basis van de moraal en als vertrekpunt van ethische reflectie gezien worden.

De zwakke vorm van empirische ethiek
In de literatuur komt men vier verschillende doeleinden tegen waarvoor een verbinding van de praktische ethiek met empirisch onderzoek noodzakelijk geacht wordt:

(i) beschrijving en analyse van hoe een groep zich feitelijk opstelt en gedraagt in een bepaalde morele kwestie - bijvoorbeeld in onderscheid tot wat de wet voorschrijft of tot de overtuigingen die ze zeggen te hebben;
(ii) identificatie van morele kwesties die relevant zijn in een bepaalde context maar die aan de aandacht van ethici zijn ontsnapt - concentratie van de discussie op de toelaatbaarheid van euthanasie kan er bijvoorbeeld toe leiden dat er geen vragen worden gesteld over de toelaatbaarheid van het staken of niet beginnen van behandelingen;
(iii) beschrijving en analyse van de feitelijke opinies en argumentatiepatronen van de betrokkenen in een morele praktijk - belangrijk om te weten als men een idee wil vormen of ethische principes als informed consent inpasbaar zijn in een praktijk;
(iv) beschrijving en analyse van de culturele en institutionele aspecten van een context of een praktijk - van procedures, processen, de aard van de relaties tussen betrokkenen, hun overtuigingen, houdingen, en van alles wat verder relevant kan zijn om de uitvoerbaarheid van ethische voorschriften en principes te beoordelen.

Het meeste empirische onderzoek dat relevant geacht wordt voor normatief-ethische reflectie valt ongetwijfeld onder (iv). Sociale wetenschappers als de Amerikanen René Fox (1989) en Robert Zussman (1992) en de Nederlanders Robert Pool (1996) en Anne-Mei Thei (1997) willen met hun onderzoek laten zien dat belangrijke medische beslissingen over leven en dood nooit door één persoon op één tijdstip worden genomen, zoals ethische theorieën lijken te veronderstellen. In werkelijkheid zijn dergelijke beslissingen de uitkomst van een proces van groei en rijping waarin verschillende actoren een rol spelen: patiënten, hun families, artsen en het verplegend personeel.

De auteurs die tot de zwakke vorm van empirische ethiek te rekenen zijn, vinden dat de ethiek contextsensitief moet worden. Daaronder verstaan zij dat de ethiek alleen dan haar werk goed kan doen als aanbevelingen en voorschriften goed zijn afgestemd op de context en als daarvoor draagvlak is binnen de doelgroep: bij degenen die hun handelen daaraan moeten oriënteren (bijvoorbeeld artsen) en bij degenen die belang hebben bij de aanbevelingen en voorschriften (bijvoorbeeld patiënten). Het sociaal-wetenschappelijk onderzoek moet inzicht verschaffen in de eigen aard en de eigen dynamiek van een context.

De sterke vorm van empirische ethiek
Sommige onderzoekers op het terrein van de empirische ethiek beschrijven de morele overtuigingen en het morele gedrag van mensen die deelnemen in een bepaalde morele praktijk. Hun begrip van praktijk is afkomstig van Alasdair MacIntyre (1981). MacIntyre meent dat de moraal van een samenleving niet een algemeen en samenhangend systeem van overtuigingen is, maar een aaneenschakeling van submoralen die ingebed zijn in concrete sociale praktijken. In de visie van deze onderzoekers is de common sense van gewone morele mensen zoals die tot uitdrukking komt in hun discussies, beslissingen en handelingen, niet slechts ‘traditie’ die voorwerp van rationeel-kritische toetsing moet zijn maar de legitieme bron van hun moraal. Empirisch onderzoek dat de morele praktijken van mensen beschrijft en reconstrueert, legt daarmee hun morele bronnen bloot. De beoefenaren van de empirische ethiek kunnen ingedeeld worden aan de hand van de meta-ethische positie achter het theoretische kader waarbinnen ze werken. Sommigen van hen zijn coherentisten die werken binnen het kader van de theorie van het reflectieve evenwicht, anderen zijn epistemische contextualisten.

Coherentistische beoefenaren van empirische ethiek zijn bijvoorbeeld de medisch-ethici Hans van Delden en Ghislaine van Thiel (Van Thiel en van Delden 1997; Van Delden en Van Thiel 1998) en de dierethicus Bart Rutgers (Rutgers et al. 2003). Waarom vinden zij het van belang om empirisch onderzoek te doen naar de weloverwogen oordelen van mensen? Zij willen allereerst een bijdrage leveren aan het beantwoorden van praktische vragen die in concrete contexten rijzen. Een manier is om mensen wier morele overtuigingen ze in kaart gebracht hebben, te helpen om tegen de achtergrond van de eigen principes en achtergrondtheorieën en reeds aanwezige weloverwogen oordelen, weloverwogen oordelen voor nieuwe situaties te formuleren. Een andere mogelijkheid is dat onderzoekers zelf met een advies komen dat maximaal past bij de bij praktijkdeelnemers al aanwezige principes en oordelen. Een meer ambitieuze doelstelling is om principes te vinden die in evenwicht zijn met de weloverwogen overtuigingen van alle betrokkenen in een praktijk.

In een onderzoek verricht in verpleeghuizen hebben Van Thiel en Van Delden de methode van het reflectieve evenwicht gebruikt om vast te stellen welke conceptie van respect voor autonomie niet alleen rekening houdt met de beperkte vermogens van de bewoners om nog autonome beslissingen te nemen, maar ook past bij de morele ervaring van de staf die in deze context de primaire geadresseerde van het principe is. Hun uiteindelijk doel was te komen tot richtlijnen voor een beleid ten aanzien van respect voor autonomie die uitvoerbaar en aanvaardbaar zijn. Rutgers en zijn collega’s combineerden sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de opvattingen van de Nederlandse bevolking over het doden van dieren met normatief-ethische reflectie, met het doel om tot aanbevelingen te komen voor een overheidsbeleid dat zowel op een breed draagvlak kan rekenen als ook moreel rechtvaardigbaar is.

In de contextualistische empirische ethiek gaat het niet zo zeer om het identificeren van de feitelijke morele overtuigingen van de deelnemers in een morele praktijk, maar om de reconstructie van de interne moraal van een praktijk. Het onderscheid tussen interne en externe moraal neemt een centrale plaats in in het werk van een aantal auteurs op het terrein van de medische ethiek zoals Edmund Pellegrino, Howard Brody, Frank Miller en in Nederland Henk ten Have en Annique Lelie (Pellegrino 1981; Brody en Miller 1998; Ten Have en Lelie 1998). Ten Have en Lelie definiëren interne moraal als ‘specific values, norms and rules intrinsic to the actual practice of medical care’ en ‘external morality’ als Values, norms and rules prevailing in social, cultural and religious traditions that function as external determinants of medicine’ (Ten Have en Lelie 1998, p. 268). Interne moraal is in onderscheid tot feitelijke moraal een normatief begrip. Naast Ten Have en Lelie kan ook Widdershoven tot de groep van empirische ethici gerekend worden bij wie empirische ethiek vooral neerkomt op onderzoek naar de moraal van praktijken (zie Widdershoven 2000).

Laat het epistemisch contextualisme toe dat empirische ethici verder gaan dan het louter beschrijven en reconstrueren van een praktijk? Stel dat een empirische ethicus uit wil zoeken of het gerechtvaardigd is om onverbeterlijke alcoholici een levertransplantatie te weigeren. Hij moet eerst vaststellen wat de relevante context is, vervolgens wat daarbinnen de epistemisch fundamentele overtuigingen zijn, en tenslotte of zo’n beleid daaruit afgeleid kan worden. Voor zowel de eerste als de tweede stap is meer nodig dan alleen beschrijvend onderzoek van feitelijke overtuigingen van deelnemers in een praktijk, namelijk zoiets als wat Michael Walzer een interpretatief onderzoek van de sociale betekenis van sociale goederen, praktijken en instituties noemt (Walzer 1983). De derde stap vraagt naast inside kennis van een praktijk ook om argumentatieve vaardigheden. In deze visie vervult de ethicus de rol van een goed geïnformeerde en filosofisch getramde deelnemer die de moraal van een praktijk verder interpreteert en ontwikkelt. Hij zou zich eventueel kunnen ontwikkelen tot wat Walzer een ‘connected critic’ noemt, iemand die immanente kritiek levert op basis van de moraal van een praktijk of op basis van de moraal van de bredere gemeenschap waarbinnen die praktijk is ingebed (Walzer 1987).

Men kan empirische ethiek met recht de volgende logische stap in de ontwikkelingsgang van praktische ethiek noemen. Empirische ethiek neemt de intentionaliteit van praktische ethiek serieus, haar ambitie om niet alleen voor te schrijven maar ook daadwerkelijk het handelen van mensen te gidsen. Om die ambitie waar te kunnen maken is samenwerking met empirische wetenschappen nodig. De empirische ethiek beschouwt de zorg voor de contextsensitiviteit van morele adviezen, richtlijnen en principes niet als onderdeel van een natraject waarvoor anderen dan ethici verantwoordelijk zijn, maar als onderdeel van het hoofdtraject waarvoor zij zelf verantwoordelijk zijn. De huidige empirische ethiek richt zich nog te eenzijdig op de sociale wetenschappen terwijl ook veel gegevens uit de psychologie nodig zijn. De gestalte die de empirische ethiek aanneemt is afhankelijk van de meta-ethische vooronderstellingen van hun beoefenaren. Het is niet toevallig dat de meeste empirische ethici een of andere variant van contextualisme aanhangen. Daarbinnen is de verbinding met sociaal-wetenschappelijk onderzoek een innerlijke noodzaak. Maar het is niet zo dat alleen contextualisten contextsensitieve ethiek kunnen leveren.

Literatuur
Brody, H., EG. Miller, ‘The Internal Morality of Medicine: Explication and Application to Managed Care’, Journal of Medicine and Philosophy, vol. 23, 1998, pp. 384-410.
Delden, J.J.M. van, G.J.M.W van Thiel, ‘Reflective Equilibrium as a Normative-Empirical Mode in Bioethics’, in: W.van der Burg en T. van Willigenburg (eds.), Reflective Equilibrium: Essays in Honour of Robert Heeger, Dordrecht, 1998, pp. 251-261.
Fox, R., The Sociology of Medicine: A Participant Observer's View, Englewood Cliffs (N.J.), 1989.
Have, H.A.J.M. ten, A. Lelie, ‘Medical Ethics Research Between Theory and Practice’, Theoretical Medicine and Bioethics, vol. 19, 1998, pp. 263-276.
MacIntyre, A., After Virtue: A Study in Moral Theory, Notre Dame, 1981.
Pellegrino, E., ‘What the Philosophy of Medicine Is’, Theoreticdl Medicine, vol. 19, 1981, pp. 315-336.
Pool, R., Vragen om te sterven. Euthanasie in een Nederlands ziekenhuis, Rotterdam, 1996.
Rutgers, L.J.E. e. a. (red.), Het doden van dieren. Ja mits ... of nee tenzij?, Utrecht, 2003.
Thei, A-M., Vanavond om 8 uur: Verpleegkundige dilemma’s bij euthanasie en andere beslissingen rond het levenseinde, Houten/Diegem, 1997.
Thiel, G.J.M.W van, J.J.M. van Delden, ‘Dealing with Patiënt Autonomy in Dutch Nursing Homes’, Health Care in Later Life, 1997, nr. 3, pp. 177-186.
Walzer, M., Spheres of justice: A Defence of Pluralism and Equality, Oxford, 1983.
Walzer, M., Interpretation and Social Criticism, Cambridge Mass., 1987.
Widdershoven, G., Ethiek in de kliniek: hedendaagse benaderingen in de gezondheidsethiek, Amsterdam, 2000.
Zussman, R., Intensive Care: Medical Ethics and the Medical Profession, Chicago/London, 1992.

(B. Musschenga)