Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 22-10-2019

Stad

betekenis & definitie

A) Ontstaan

De factoren, welke tot het ontstaan van stedelijke nederzettingen hebben geleid, waren voornamelijk van economischen en politieken aard. De doorwerking van den economischen factor was ten zeerste afhankelijk van een gunstige geographische ligging: aan de monding van een rivier (Vlaardingen, Amsterdam), de samenvloeiing van twee stroomen (Luik, Gent), het kruispunt van een rivier en een vroegeren Romeinschen heirweg (Maastricht, Valenciennes), de plaats waar een rivier ophoudt bevaarbaar te zijn (Brussel), enz. De economische factor bij uitstek, welke tot vorming van nederzettingen leidde, was in die dagen de handel. In de 10e eeuw begon een herstel in te treden in het Europeesche goederenverkeer, dat door de volksverhuizing en meer nog door het opdringen der Arabieren tot stilstand gekomen was. De overbevolking en de daaruit volgende kolonisatie en weldra ook de Kruistochten herstelden het verkeer onder de volken. Doordat nu handenarbeid en nering gescheiden werden, ontstond er ook een zelfstandige stand van kooplieden.

De politieke factor bij het ontstaan der steden was belichaamd in een burcht (castrum), die zoowel de rol van een militairen als van een administratieven post vervulde. Slechts de kerkelijke steden zijn rond een zuiver bestuurscentrum ontstaan. Als regel troffen de politieke en de economische factor samen bij de vorming der stedelijke nederzettingen (Henri Pirenne). In zulke nederzettingen onderscheidde men dan twee kernen: den burcht (castrum) en de handelsnederzetting (portus). Niet alle steden echter hebben deze dualistische ontwikkeling doorgemaakt: Arnhem, Zwolle en Amsterdam kenden geen burchten, Den Bosch en Schiedam ontstonden door den wil van een landsheer, Mechelen bezat noch burcht noch portus, maar was slechts een agglomeratie van Heyst en Ghestel.

De geschetste oorsprong der stedelijke nederzettingen berust op de veronderstelling, dat deze zich door differentiatie uit het platteland hebben losgemaakt. Sommige geleerden echter zien in haar slechts een geleidelijken uitgroei der dorpsgemeenschap (von Below), der hofgemeenschap (von Maurer, Lyna) of der marktkolonie (Rietschl); zij hebben echter geen overtuigende bewijzen voor hun zienswijze kunnen aanvoeren.

B) Rechtspositie

Dit alles betreft den oorsprong der stedelijke nederzetting, der agglomeratie van burcht en portus. Deze wordt echter eerst een stad in juridischen zin door hare uitneming uit het landrecht, door de verwerving van het ➝ stadsrecht. De voornaamste trekken van het stadsrecht waren: vrijheid van persoon, vrijheid van den grond, speciale rechtspraak, geprivilegieerd strafrecht en eigen belastinginning. Als oudste stadsrechten moet men noemen: in België Hoei (1066) en Kamerijk (1101); in Nederland: Zutphen (1190). De ommuring bepaalde niet het karakter van een stad; vele steden waren reeds versterkt, toen zij stadsrecht ontvingen.

C) Ontwikkeling

De 12e eeuw was in onze streken de tijd van stedenvorming bij uitstek. Het castrum was toen reeds opgegaan in den portus; de benaming burger en poorter waren gelijkluidend geworden. De meeste omwallingen werden in deze eeuw voltooid. Er was nog samenwerking tusschen stad en platteland, op welks bevolkingsaanvoer de jonge stad was aangewezen.

In de kerkelijke steden ontwikkelde de vrijheid der poorters zich aanvankelijk sneller dan in de wereldlijke. In de laatste, welke op primitievere wijze bestuurd werden, moest de burgerij, georganiseerd in communes e.d., eenzijdig voorzieningen treffen in bepaalde takken van openbaren dienst en kwam daardoor in botsing met de overheid, die al spoedig gedwongen werd de feitelijke vrijheden te legaliseeren in den vorm van stadsrechten. In werkelijkheid gold het hier den strijd van een nieuwen stand, de burgerij, tegen den feodalen stand. Stadsrecht was standsrecht.

Bij het begin der 13e eeuw is de oorspronkelijke gelijkheid der poorters verdwenen. De stadsbevolking is dan te onderscheiden in twee groepen: de patriciërs (maiores) en de kleine luiden (minores). Tot de eerste groep behoorden de bezitters van den stadsbodem, de rijke kooplieden en in sommige steden ook de dienstlieden of ministerialen. Zij bestuurden de stad gedurende geheel deze eeuw; uit hun groep alleen werden de stadsmagistraten genomen. Hiertegenover stonden de kleine luiden: handwerkslieden en kleine zelfstandigen, georganiseerd in ambachten of ➝ gilden. Omstreeks 1300 hebben zij overal op de patriciërs een bloedige overwinning behaald en een democratisch regiem gevestigd.

In dezen strijd ondervonden zij meestal den steun der vorsten, die zich de hulp der steden tegen den adel verzekerden door het verleenen van talrijke privileges (tollen, marktrechten, stapels, enz.). Behalve in Utrecht, heeft men in Nederland deze woelingen nauwelijks gekend. Het democratisch regiem bereikte zijn hoogtepunt omtrent 1350. De gilden waren publiekrechtelijke organisaties geworden: zij maakten hun eigen verordeningen of keuren en voor hun leden stond de magistratuur bij uitsluiting open. Aan dit bewind waren ook vele nadeelen verbonden: onderlinge naijver tusschen de gilden en tusschen de steden en plaatselijk particularisme (zucht naar monopolies).

De 15e eeuw zag de burgerij in conflict met de vorsten, die haar vroeger gesteund hadden in haar strijd tegen den adel, maar haar nu wilden inschakelen in den modernen gecentraliseerden staat. In Frankrijk en Engeland waren de koningen krachtig genoeg om de steden in het staatsverband in te lijven; in Duitschland en Italië moesten zij voor haar capituleeren (vrije rijkssteden). De Ned. steden namen hier een middenpositie in: de Bourgondische hertogen waren geen vijanden van de macht der steden, maar slechts van hare autonomie. De steden gingen lüer niet in den staat op, maar zij regeerden den staat mede als leden der kort van tevoren gevormde gewestelijke Staten. Zie ➝ Standencolleges; Standenstaat; Staten-Generaal.

Tijdens de Renaissance veranderde het beeld der steden geheel. Na de groote ontdekkingen concentreerden handel, kapitaal en kunst zich in enkele groote steden, waarnaar geheele landen zich oriënteerden (Antwerpen, Amsterdam). De overige steden vervielen en verloren haar overwicht over het platteland, dat nu tot bloei begon te komen. In de groote stad had de werkwinkel plaats gemaakt voor het grootbedrijf en zoodoende verviel de meerderheid der bevolking tot het proletariaat. De opgekomen rijken voerden het bestuur; de arbeidersmassa had er geen deel aan, omdat zij buiten de organisatie der gilden stond. Hare ontevredenheid vond voedsel in de Hervorming. De godsdienststrijd der 16e eeuw was ook een sociale.

Na de woelingen dier eeuw werd overal de orde hersteld ten voordeele der hoogere burgerij. De 17e eeuw was een terugkeer naar het patriciaat. Daar de stad in den staat was opgegaan, kon men het patricisch regiem niet omver werpen zonder ook den staat te hervormen. Zulks geschiedde bij de groote Fr. Revolutie. In Frankrijk werd hierdoor het zelfstandig karakter der stad geheel opgeheven.

In Ned. geschiedde dit eerst in 1848, toen de wet de ➝ gemeente als administratief onderdeel instelde. Zie ook ➝ Stedebouw.

Lit.: H. Pirenne, Les anciennes démocraties des Pays-Bas (1910); id., Les villes du Moyen-Age (1927); H. Brugmans en C. H. Peters, Oud Ned. steden (3 dln. 1910-’11); P. J. Blok, Gesch. eener Holl. stad (4 dln. 1910-’18).

Boeren.

D) De trek naar de groote stad is een niet te loochenen demographisch feit

Oorzaken: zucht naar andere en ruimere werkgelegenheid, samengaand met agrarische mistoestanden; zucht naar meer comfort en amusement. Voordeelen: weinig of geene; nadeelen: ontvolking van het platteland, slechte woningtoestanden, moreele gevaren, grondspeculatie. Middelen ertegen: tuindorpen, goede vervoerdienst der industrie-arbeiders naar een landelijk milieu, teruggang naar een eenvoudiger levensstandaard, betere agrarische politiek.

Keulemans.