Geographisch

Geographisch-woordenboek

Gepubliceerd op 29-11-2021

Lodewijk

betekenis & definitie

lat. Ludovicus of Lodoix, fransch Louis, duitsch LucLmg, naam van een groot aantal historische personen, die wij zullen indeelen in vier rubrieken:

I. Keizers en koningen van Germanië.

Lodewijk I

bijgenaamd dè Zachtmoedige, keizer van het Westersche rijk en koning van Frankrijk, zoon van Karel den Groote en Hildegarde, geb. 778, op 3-jarigen leeftijd benoemd tot koning van Aquitanië, begon 813 deel te nemen aan het bewind over het rijk, en beklom een jaar later den keizerlijken troon als opvolger zijns vaders. Hij begqq zijne regeering met aan de Saksen, die door Karel den Groote naar vreemde landen waren verplaatst, vergunning te geven P,W naar hun vaderland terug te keeren. Bernhard, kleinzoon van Karel den Groote en koning van Italië, die de wapenen tegen hem had opgevat (818), strafte hij op eene barbaarsebe wijze, doordien hij hem van het gezicht liet berqoven; Bernhard stierf ten gevolge van deze mishandeling, en als boetpleging te dier zake deed L. iji 822 epne openbare penitentie te Attiguy. In 817 had hjj aan zijne drie zonen een gedeelte zijner staten geschonken, nl.: Aquitanië aan Pepijn, Beieren aan Loijgwqk, en Italië aan Lotharius; maar later hertrouwd zijnde, werd hem uit dit zijn tweede huwelijk een viprde zoon (Karel de Kale) geboren, en nu wilde L., om dezen prins te beschenken, op zijne eerste deeling terugkomen (823); de drie kinderen uit het eerste huwelijk kwamen deswege legen hem in opstand, en sloten hem in een klooster op. Wel werd L. pog in datzelfde jaar op den troon hersteld, mqar zijne zonen lieten hem in 833 nogmaals afzetten; hq werd echter in 834 andermaal op den troon hersteld. Hij stierf in 840, nabij Maintz; als naaste oorzaak vgn zijnen dood kan beschouwd worden het verdriet, dat hem veroorzaakt werd door een pieuwen opstand van zijn zoon Lodewijk (den Duitscher), tegen wien hij zich genoodzaakt had gezien te velde te trekken. Hij was een vroom en goed vorst, pjaar zwak en weifelend van karakter; hij werd onophoudelijk geregeerd óf door zijne zonen óf door zijne vrouw, en liet de macht der groote leenheeren, zijne vasalteu, meer en meer aangroeien. Zijn oudste zoon Lotharius volgde hem op als keizer, en Karel de Kale werd zijn opvolgerop den troon van ’t Frankische rijk.

L., bijgenaamd de Duitscher, derde zoon van Lodewijk den Zachtmoedige, bekwam bij de deeling van zijns vaders rijk (817), Beieren en het geheele oostelijk deel van het rijk der Franken (genaamd Germanië). Verscheidene malen kwam hij tegen zijnen vader in opstand, en verhaastte daardoor ook diens dood (840); aan zijnen broeder Lotharius bracht hij de nederlaag toe in den slag bij Fontenay (841), en vormde zich een koninkrijk, dat, behalve het oude Frankrijk op den rechteroever van den Rijn, ook Saksen, Thuringen, Beieren, Grauwbunderland en Lotharingen bevatte; de twee laatstgenoemde landen verwierf hij in 870. Hq stierf in 876, drie zonen nalatende, nl.: Carloman, Lodewijk en Karel.
L., bijgenaamd de Saks, koning van Germanië, tweede zoon en opvolger van den vprigen, versloeg (876) bij Andernach zijnen oom Karel den Kale, die eenen inval in Duitschland was komen doen om bet beip te ontweldigen; na den dood van dien vorst, deed hij zelf een inval in Frankrijk om zich gewapenderhand van zijn erfdeel meester te maken, maar dit mocht hem niet gelukken. In 881 overwon hij de Noormannen, doch werd op zijne beurt in 882 zelf overwonnen, en stierf van verdriet §82. —• L. II, bijgenaamd de Jonge, zoon vpn Lptharius I, geb. omstr. 822, koning van Italië in 844, medebestuurder des rijks 849, volgde zijn vader als keizer op 855, liet zich door zijnen broeder, Kar®! van Provence, in 859 hel land afstaan gelegen tusschen het Jura-gebergte en de Alpen; togn diezelfde Karel 863 kinderloos kwam te sterven, deelde L. het aan Karel als domein toebehoord hebbende Provence met den koning van Lotharingen, Lotharius II, zijn anderen broeder. In 866 toog hij ten strijde tegen de Sarraceenen, die zich in het hertogdom Benevent en in Calabrië genesteld hadden, en beoorloogde hen vijf jaren lang niet zonder krijgsgeluk. in 874 werd hij door Adelgisus, prins van Benevent, gevangen genomen; eenmaal weder in vrijheid zijnde, deed hij eene vergeefsche poging om zich te wreken, en stierf in ‘t jaar875, slechts eene dochter nalalende (Hermengarde), die de vrouw werd van Boson, koning van Cisjuraansch Burgundiê.
L. III, bijgenaamd de Blinde, kleinzoon van den vorige, zoon van Boson en Hermengarde, geb. 880, volgde zijn vader als koning van Arles op (887), begaf zich naar Italië om er oorlog te voeren tegen Berengarius (899), en werd, na hem overwonnen te hebben, in 900 te Rome tot keizer gekroond. Kort daarna door dienzelfden Berengarius in Verona overvallen, werd hij van ’t gezicht beroofd (903), ook het keizerschap werd hem ontnomen, en hij ging naar zijne erflanden terug, waar bij omstr. 923 stierf.
L. IV bijgenaamd het Kind, laatste carlovingische keizer, zoon van Arnold van Kärnten, geb. 893, werd (899) bij den dood van zijn vader als koning van Germanië erkend, en als keizer in 908. Te zwak om de Hunnen te verdrijven, die Duitschland overweldigd hadden, en anderdeels om zich te doen gelden tegenover Otto hertog van Saksen en Koenraad hertog van Frankenland, die elkander het bezit van zijne staten betwistten, verliet hij den troon, en vluchtte naar Regensburg, waar hjj 911 stierf.
L. V van Beieren, zoon van Lodewijk den Strenge, hertog van Beieren, geb. 1284, werd 1314 tot keizer verkoren door eenigen der keurvorsten, terwijl de overigen op Frederik den Schoone hunne stem uitbrachten. Bij Mühldorf (1322) overwinnaar zijnde, hield L. zijnen tegenstander tot 1325 gevangen, en gaf hem slechts zijne vrijheid weder onder voorwaarde, dat hij voor goed van het keizerschap afstand zoude doen. Paus Johannes XXII verzette zich tegen deze overeenkomst, gebood aan L., dat deze afstand van den keizerlijken troon zoude doen, en' deed hem, op zijne weigering, in den ban. Daarop bewerkte L. de verkiezing van den tegenpaus Petrus van Corbière (Nicolaas V), liet zich in 1328 door dezen kronen, en werd toen opnieuw in den ban gedaan 1346 door Clemens III, die Karel van Luxemburg (Karel IV) in zijne plaats deed benoemen. Reeds in bet volgende jaar deed L. een val van zijn paard, en stierf aan de gevolgen van dien val.

II. Koningen van Frankrijk en Fransche prinsen.

Lodewijk I

bijgenaamd de Zachtmoedige. Zie hierboven onder de keizers het art. LODEWIJK 1.

L. II de Stamelaar, zoon van Karel den Kale, geb. 846, werd 867 door zijn vader tot koning van Aquitanië verheven, (volgde hem tien jaren later op den Franschen troon op, en stierf 879 te Compiègne. Niet in staat om zich te doen gelden tegenover zijne groote vasallen, werd hij door zijne concessiën degene, die de zegepraal der feodaliteit voorbereidde.
L. III zoon van den vorige, volgde in 879, gezamenlijk met zijn broeder Carloman, zijn vader op den troon, versloeg de Noormannen bij Saucourt (Ponthieu), en kwam in het volgende jaar (882), op 22-jarigen leeftijd, door een ongeluk om het leven.
L. IV bijgenaamd d’Outremer, zoon van Karel den Eenvoudige, werd grootgebracht in Engeland (vandaar zijn bijnaam), waarheen zijne moeder de wijk met hem genomen had om hem buiten het bereik der oproerstokers te houden. In 936 werd hij de opvolger van Raoul, <fie hem langen tijd van zijne kroon verstoken had gehouden; hij vermeesterde Normandië op Richard, den zoon van hertog Willem I; maar hij werd verslagen en gevangen genomen door Harald, koning van Denemarken, die hem in 944 overleverde aau Hugo den Witte, graaf van Parijs. Te Laon opgesloten, herkreeg hij eerst in het volgende jaar zijne vrijheid, na zich genoodzaakt gezien te hebben Normandië aan Richard terug te geven en het graafschap Laon af te staan aan Hugo, welk laatstgenoemd graafschap evenwel reeds spoedig door L. heroverd werd. Hij stierf 954 le Reims.
L. V bijgenaamd de Vadzige, zoon van Lotharius, dien hij in 986 opvolgde, maakte zich in hetzelfde jaar meester van de stad Reims, bij het beleg van welke stad hij veel moed aan den dag legde; hij stierf kinderloos in het volgende jaar, op20-j. leeftijd. Naar men wil was zijn dood het gevolg van vergif, hem door zijne gemalin, koningin Blanche, toegediend op aanstoken van Hugo Capel. Met L. V nam de carlovingische dynastie in Frankryk een einde.
L. VI de Dikke, zoon van Filips 1 en Bertha, geb. 1078, nam deel aan de regeering sedert 1100, en werd koning alleen in 1108. Hij voerde oorlog tegen een groot aantal leenheeren, die het juk van hel koninklijk gezag hadden afgeschud. Daarna kwam hij in oorlog met Engeland, aan welke mogendheid hij Normandië wilde ontnemen om het aan Willem Cliton te schenken, die een neef was van den toenmaligen bezitter Hendrik I; maar L. VI werd te Brenneville bij Andely (1119) geslagen, en sloot daarop den vrede. Hij verdreef vervolgens (1124) keizer Hendrik V, die door den koning van Engeland tegen hem opgezet was, en 1127 wreekte hij den dood van Karel den Goede, graaf van Vlaanderen, en gaf diens staten aan Cliton. In 1130 riep hij een concilie te Etampes bijeen, om partij te kiezen voor Innocentius II of voor Anaclitus, die elkander den pauselijken Stoel betwistten, en verklaarde zich voor den eerstgenoemde. In 1130 verloor hij zijn oudsten zoon, Filips, dien hij drie jaren te voren te Reims had laten zalven, en benoemde Lodewijk (zijn tweeden zoon) tot zijn opvolger. Hij stierf 1137. Zooveel hij kon had L. VI het leenstelsel bestreden en daarom de instelling der gemeenten begunstigd, die voor het koningschap zulk een machtigen steun werden tegen de aanmatigingen van'den adel.
L. VII bijgenaamd de Jonge, zoon van den vorige, geb. 1120, volgde zijn vader op in 1137, voerde oorlog tegen den graaf van Champagne, Thibaut; verwoestte Vitry (sedert bijgenaamd le Brûlé, d. i. het Platgebrande) dat aan dien graaf toebehoorde, en deed er 1300 personen, die in eene kerk gevlucht waren, door de vlammen omkomen. Om deze gruweldaad ujt te wisschen ondernam hij «enen kruistocht (1147), in weerwil dat dit hem ten sterkste ontraden werd door Suger, zijnen minister. Hij deed op dezen tocht wonderen van dapperheid, maar verloor een gedeelte van zijn leger in de vlakten van Klein-Azië en voor Anliochië, belegerde te vergeefs Damascus, en was genoodzaakt (1149) naar Frankrijk terug te keeren. Kort daarna (1152) verstiet hjj Eleonora, die hij verdacht van overspel ; door deze onstaatkundige echtscheiding verloor hij Guyenne.dat aan de Engelschen overging, en voor hem eene bron werd van aanhoudende oorlogen. Hij stierf 1180.
L. VIII bijgenaamd Leeuwenhart, zoon en opvolger van Filips August, geb. 1187, werd koning in 1223; hij ontweldigde aan de Engelschen de landschappen Poitou, Limousin, Périgord, Aunis, in weerwil van de pauseljjke banbliksems; hij beoorloogde de Albigenzen, onderwierp geheel Languedoc, alleen de hoofdstad uitgezonderd, die hij meende te belegeren, toen hij te Montpensier in Auvergne stierf 1226. Men verdacht Thibaut, graaf van Champagne, hem door middel van vergif uit den weg geruimd hebben. Vóórzijne beklimming van Frankrijk's troon was L. VIII naar Engeland geroepen door de edellieden, die strijd voerden tegen Jan zonder Land, en een korten tijd was hij erkend geweest als koning van dat rijk; maar bij den dood van Jan zonder Land (1216) zag hij zich verlaten door de Engelschen, die toen de zijde kozen van Jan's zoon, nl. Hendrik III.
L. IX, meestal de Heilige Lodewijk genaamd, zoon van den vorige en van Blanche van Castilië, geb. te Poissy 1215, koning in 1226, was met de meeste zorg opgevoed door zijne moeder, die gedurende zijne minderjarigheid het bewind voerde als Regentes. In 1236 meerderjarig verklaard, legde L. IX er zich van het eerste oogenblik af aan op toe, om de gerechtigheid in zijn rijk te doen heerschen, en om de grootste spaarzaamheid in te voeren in het beheer over zijne domeinen; maar hij had herhaalde opstanden van zijne groote vasallen te beteugelen. Hij verklaarde den oorlog aan den graaf van la Marche, die weigerde hem te huldigen, en aan Hendrik III, koning van Engeland, den bondgenoot van genoemden graaf; op den engelschen koning bevocht hij de overwinningen bij Taillebourg en Saintes (1242); aan den graaf stond hij den vrede toe benevens vergiffenis voor al het gebeurde, en aan den koning van Engeland verleende hij eenen wapenstilstand voor 5 jaren. Door eene gevaarlijke ziekte aangetast (1244) had L. IX toen de gelofte gedaan, dat hij de Ongeloovigen in Palestina zou gaan bestrijden; hij vertrok in 1248 van Aigues-Morles, rnkte Egypte binnen, maakte zich meester van Damiêtte (1249) en bleef zelfs bij Mansoerah overwinnaar (1250); maar door gebrek aan leeftocht en door ziekten tot den terugtocht genoodzaakt, viel hij met twee zijner broeders in handen van den vijand. Om zijne vrijheid terug te bekomen moest hij een losprijs in goud betalen, ongeveer ter waarde van 3) millioen nederl. guldens, en ook het door hem veroverde Damiëtte weder opgeven. Uit Egypte toog hij naar Palestina, en bleef daar 4 jaren, in weerwil dat zijne moeder, die hij gedurende zijne afwezigheid als regentes des rijks aangesteld had, niet ophield aan te dringen op zijne terugkomst. De bemachtiging van Tyrus en Cesarea was de eenige vrucht van deze gewaagde krijgsonderneming. Na den dood van Blanche van Castilië in zijn rijk teruggekeerd, legde hij er zich op toe aan misbruiken paal en perk te stellen, deed zelf recht, gaf verstandige wetten, maakte een einde aan de zoogenaamde Godsgerechten, stichtte de Quinze-Vingls, en liet een begin maken met het bouwen van de Sorbonne; te gelijkertijd deed hij al zijne gestrengheid voelen aan de overblijfselen der Albigenzen en Waldenzen. In 1270 ging hij andermaal scheep om opnieuw eenen heiligen oorlog te gaan voeren, landde in de nabijheid van Tunis, en behaalde aanvankelijk eenige voordeelen; maar reeds kort na zijne aankomst aldaar brak de pest in zijn leger uit, en hij zelf was een der eersten, die er aan bezweken. Hij werd gecanoniseerd in 1297; kerkelijke gedenkdag 25 Ang.

L, X, bijgenaamd de Lastige (le Hutin), oudste zoon en opvolger van Filips den Schoone, geb. te Parijs 1289, koning van Navarre 1305, koning van Frankrijk 1314, gekroond te Reims 1315. Daar hij tijdens den dood zijns vaders in Navarre zijne residentie hield, nam zijn oom Karel van Valois tot zijne aankomst de teugels der regeering in handen en liet, zonder eenige gegronde reden, den controleur der ftnantiën, Enguerrand de Marigny, die zijn persoonlijke vijand was, ophangen. Ofschoon niet opgewassen tegen de reactie, die ten voordeele der groote leenmannen op den dood van Filips IV volgde, gelukte het L. X evenwel weerstand te bieden aan den graaf van Vlaanderen, die dacht te heroveren hetgeen hij onder de vorige regeering verloren had; om de kosten van dezen oorlog te bestrijden legde L. het volk zware lasten op, en noodzaakte al de lijfeigenen om hunne vrijheid te koopen. Hij stierf in 1316. De bijnaam Hulin werd hem volgens sommigen gegeven, omdat hij een wargeest en twistzoeker was; volgens anderen omdat hij de Hutins (eene oproerige partij in Navarre) tot onderwerping gebracht had. Hij was gehuwd met iMargareta van Burgundië.

L. XI, zoon van Karel VII, geb. te Bourges 1423, nam op 17-jarigen leeftijd deel aan den opstand bekend onder den naam van la Praguerie, kwam 1456 andermaal in opstand, en, om de straf te ontgaan die hij verdiend had, nam hij de wijk naar den hertog van Burgundië, Filips den Goede, aan wiens hof hij zich ophield tot aan des konings dood. Bij zijne troonbeklimming (1461) deed hij schoone beloften, die echter reeds spoedig door hem geschonden werden, doordien hij de belastingen hooger en drukkender maakte: en de steden, die daartegen in verzet kwamen (Reims, Angers, enz.), werden door middel van het schavot tot onderwerping gedwongen. Daarbij verwijderde hij de mannen van de aanzienlijkste geboorte uit de openbare ambten, eu schonk zijn gansche vertrouwen aan onbekende lieden uit de heffe des volks, zooals Olivier Le Dain, zijn barbier, en de provoost Tristan, dien hij zijn kameraad noemde. In 1465 vormden de misnoegde edellieden met Karel, hertog van Berri, broeder des konings. Karel (den Stonte), zoon van den hertog van Burgundië, en den hertog van Bretagne aan hun hoofd, eene geduchte ligue tegen hem, genaamd de ligue du Bien Public; hij leverde hun den slag bij Montlhéry (1451), waarvan de uitslag onbeslist bleef; maar hij wist de ligue uiteen te scheuren, doordien hij met ieder zijner vijanden afzonderlijk in onderhandeling trad. Aan zijnen broeder gaf hij Normandië, aan den hertog van Burgundië eenige plaatsen in Picardië, en aan den graaf van Saint-Pol den degen van connetable; maar niet zoodra was de ligue ontbonden, of hij tastte hen elk afzonderlijk aan. Hij heroverde Normandië op zijnen broeder, maar was minder gelukkig met den hertog van Burgundië; deze, vertoornd over den opstand te Luik, dien L. XI had aangestookt, hield hem te Peronne gevangen, waarheen hij zich begeven had om een mondgesprek te honden: om zijne vrijheid terug te erlangen was L. gedwongeu den hertog te vergezellen naar het beleg van de oproerige stad (1468). Meenende verraden te zijn door zijnen minister, den kardinaal La Balue, liet L. XI dien in den kerker werpen, en hield hem, naar men wil, gedurende 11 jaren opgesloten in eene ijzeren kooi. Men beticht L. XI in 1472 zijnen broeder, den hertog van Berri, die opnieuw tegen hem in opstand gekomen was, door middel van vergif uit den weg geruimd te hebben; daarna hervatte hij den oorlog tegen den hertog van Burgundië, die den dood van den hertog van Berri wilde wreken. Er ,was een nieuw verbond tegen L. tot stand gekomen tusschcn de hertogen van Burgundië en Bretagne en den koning van Engeland; maar hij wist dit verbond te niet te doen, en verkreeg bij het tractaat van Picquigny (1475) een voordeeligen vrede. Den connetable de St.-Pol en den graaf van Armagnac, beiden tegen hem opgestaan, deed hij aan zich uitleveren, waarop hij hen liet onthoofden, terwijl hij de ter dood brenging van laatstgenoemden vergezeld deed gaan van ongehoorde wreedheden. Bij den dood van den hertog van Burgundiê (1477) deed L. XI eene poging om diens rijke nalatenschap te ontweldigen aan Maria, des hertogs dochter; in weerwil van den heldhaftige!! tegenstand van Maximiliaan van Oostenrijk, die mei Maria gehuwd was, en die hij Giiinegate (1479) eene overwinuing op hem behaalde, maakte L. Xt zich meester van Picardié, Artois en het hertogdom Bnrgundië, als zijnde mannelijke leenen.en bij gevolg te vervallen aan de kroon. Evenzoo trok hij aan het koninklijk domein de landschappen Provcnce, Maine. Anjou, zoomede het graafschap Bar, als erfgenaam van René van Anjou. Kort daarna stierf L. XI op hel kasteel du Plessis-les-Tours, waar hij zich langen tijd van de wereld afgezonden! had gehouden, gekweld door beangstheid voor den dood, en zich overgevende aan al de werktuigelijke ongerijmdheden eener bijgeloovigc vroomheid. IIij liet den troon na aan Karel VIII, onder regentschap van Anna van Beaujeu. Trouweloos, wreed, wraakzuchtig, bijgeloovig en wantrouwig, was L. XI daarbij listig en geveinsd ; zijne leus was >dic niet veinzen kan, kan niet regeeren." In weerwil van al zijne ondeugden, bewees hij aan Frankrijk vele diensten : hij vergrootte het koninkrijk, verzwakte de groote vasailen en verhief het koninklijk gezag. Men heeft er hem een verwijt van gemaakt, dat hij de Pragmatieke Sanctie opgeheven had, welke beschouwd werd als het bolwerk der vrijheden van de Gallieaansche Kerk. Hij begunstigde de burgers, riep de brievenposten] in het leven (1464), liet drukkers komen uit Maintz, richtte werkplaatsen op Ier vervaardiging van z ij de waren alsook van goud- ^ni zilverstoffen (1-470).
L. XII, bijgenaamd de Vader des Volks, geb. te Blois 1462, zoon van Karel, hertog van Orieans, den kleinzoon van Karel V, was de eerste prins uit den bloede hij de troonbeklimming van Karel VIII, en aanvankelijk bekend onder den naam van hertog van Orleans.Gedurendede minderjarigheid vanKarel VUL betwistte hij het regentschap aan Anna van Beaujeu, rukte aan het hoofd van oen leger legen de troepen van den jongen koning op, werd overwonnen en gevangen genomen bij St.-Aubiu door la Tréutoillc (1488), en te Bourges opgesloten, waar hij drie jaren gevangen bleef (des nachts opgesloten in eene ijzeren kooi). Door Karel VIII weder in vrijheid gesteld, deed hij het gcbehrde vergeten door zijn volgend gedrag, totdat hij zelf op den troon kwam(l 498). Hij begon zijne regeering met aan al zijne vijanden vergiffenis te scheuken, zeggende, dat de koning van Frankrijk de beleedigingen moest vergeten, die toegevoegd waren aan den hertog van Orieans; hij verminderde de belastingen met een derde, eu maakte de rechters onafzetbaar. In 1499 verstiet hij zijne eerste vrouw, Johanna van Frankrijk, dochter van Lodewijk XI, om in den echt te treden met Anna van Bretagne, weduwe van Karel VIII; hij maakte zich meester van het Milaneeschc, waarop hij als kleinzoon van Valentina Visconti aanspraak had, en veroverde daarna het koninkrijk Napels, gezamenlijk met Ferdinand den Katholieke (1501). Maar toen het op deelen aankwam, geraakten de twee veroveraars met elkander in geschil eu in oorlog : L. XII werd overwonnen hij Seminara en bij Ccrignoiu, door Gonsalvo van Cordova, en uit hel koninkrijk Napels verdreven (1503). Tot het verbond toegetreden zijnde, dat door Julins II tegen de Venetianen gevormd was (Liguevan Kamerijk), overweldigde L. XII het venetiaansche grondgebied, en versloeg de Venetiërs bij Agnadel (1509); maar zoodra Julins II het doel bereikt had, dat hij door L. had willen bereiken, verliet hij zijne zijde, om met Ferdinand, Hendrik VIII, de Venetianen eu de Zwitserseen verbond te sluiten legen L., welke coalitie de Heilige Ligue genoemd werd. De jonge Gaston de Foix won van hen den slag hij Ravenna (1512), maar verloor het leven daarbij; en, in weerwil van het krijgsmanstalent van La Tremoille, overwonnen bij Novara door de Zwitsers, en bij Guinegate (in den Sporenslag) door de Keizerlijken (1513), was L. XIIgenoodzaakt den vrede aan te bieden. Hij stierf 1515, betreurd door zijne onderdanen, en zelfs door den vreemdeling geprezen. Hij was ten derden male gehuwd mei Maria van Engeland, doch liet geen mannelijke nakomelingen ua, zoodal de kroon overging op Frans I.
L. XIII, bijgenaamd de Rechtvaardige, zoon van Hendrik IV en van Maria de Médicis, geb. te Fonlainobleau in 1601, werd in 1610 koning onder de voogdij en het regentschap van zijne moeder; hij zag den aauvang zijner regeei ing verontrust door onlusten, waaraan zelfs hel verdrag van Sainte-Menehould (1614) nauwlijks een einde maakte, werd op zijn He jaar meerderjarig verklaard, eu trad het volgende jaar in den echt met Anna van Oostenrijk. Hij liet zich eerst beheerschen door Concini, maarschalk van Ancre, den gunsteling der koningiu-moeder, hetgeen onder de edellieden eene muiterij deed ontslaan, waarvan Concini (1617) het slachtoffer werd ; toen schonk L. XIII ziju gansche vertrouwen aan den hertog van Ltiyues: de naijverige edellieden grepen de wapenen op, om den nieuwen gunsteling te doen verwijderen; maar zij werden totaal overwonnen bij Ponts-de-Cé. In 1621 bij liet beleg van Monluuban stierf De Luynes; twee jaren later werd hij vervangen door Riehelieu. Met dezen nieuwen minister werd L. overal overwinnaar; hij ontweldigde La Roebelle aan de Protestanten (1628); gaf de nederlaag aan den hertog van Savoje, die oorlog voerde tegen den hertog van Mantua, den bondgenoot van Frankrijk; veroverde Piguerol, en stelde zijn bondgenoot weder in het bezit van zijn rijk. In 1630 had L. opnieuw in Italië te oorlogen tegen de Duitschers en Spanjaarden; hij versloeg hen nogmaals, en legde hun den vrede van Quérasque op. In 1632 smeedde Gaston, des konings broeder, ontevreden over Richelieu, eene samenzwering, waaraan de hertog van Montmorency, gouverneur van Languedoc, de keizer en de koning van Spanje deelnamen; maar het komplot werd ontdekt. Montmorency, met de wapenen in de hand gevat, werd onthoofd (1632). Na den dood van Gustaaf Adolf, het hoofd der Protestanten in Duitschland, verklaarde L. XlII, diezijn bondgenoot was geweest, aan Oostenrijk en Spanje den oorlog; Nancy, Lotharingen, de stad Heidelberg werden op de Duitschers veroverd (1634); de hertog van Rohan versloeg op de oevers van het Coinomeer de Spanjaarden, die, na eenige voordeelen in Picardië behaald te hebben, genoodzaakt werden de Soimne weder over te trekken; schomberg versloeg hen eveneens in Roussillon, de hertog van Savoje en maarschalk de Créqui in Italië. Richelieu was op het punt een voordeeligen vrede te sluiten, toen hij 1642 stierf. De koning volgde hem een jaar later (1643) in het graf. L. XIII was een zwak en onbekwaam vorst; al de glans van deze regeering was aan Richelieu te danken; voor zijnen minister letterlijk bang zijnde, was de koning eigenlijk niet veel meer dan het gedweeë werktuig van Richelieu’s wil, en dikwijls zelfs van diens vijandelijke gezindheden; tot opvolger had L. XIII zijnen zoon Lodewijk XIV.
L. XIV, bijgenaamd de Groote, geb. te SaintGermain in 1638, zoon van Lodewijk XIII en Anna van Oostenrijk, werd op zijn Se jaar als koning erkend (1643) en meerderjarig verklaard opl3-j. leeftijd (1651). Het regentschap werd toevertronwd aan zijne moeder Anna van Oostenrijk, die Mazarin tot haren voornaamsten raadsman koos. ï>e minderjarigheid van L. XIV werd verontrust binnenslands dooide onlusten der Fronde (zie FRONDE, ANNA, MAZARIN), en tegenover het buitenland door aanhoudende oorlogen met hel Keizerrijk en met Spanje, welke oorlogen eerst een einde namen toen met het keizerrijk de vrede van Munster (1648), en met Spanje de vrede der Pyreneën (1659) gesloten werd. Krachtens laatstgenoemd verdrag, huwde L. XIV de infante Maria Theresia van Oostenrijk, dochter van den koning van Spanje. Nadat Mazarin in 1661 gestorven was, begon L. XIV zelf te regeeren. Partijtrekkende van den vrede en geholpen door Colbert, beurde hij den handel op, verminderde de belastingen, deed de kunsten bloeien, en gaf wijze wetten. Toen in 1665 Filips IV, de vader der koningin, gestorven was, vroeg L. XIV om Vlaanderen en Franche-Comté, als vergoeding voor den bruidschat zijner vrouw, die nooit uitbetaald was geworden; en toen men hem de inwilliging van zijn verzoek weigerde, rukte hij tegen Vlaanderen op, waar hij in een enkelen veldtocht al de steden veroverde; en in het volgende jaar maakte hij zich met nog grooter snelheid meester van Franche-Comté. Toen Spanje echter een bondgenoot kreeg in Holland, zag L. zich genoodzaakt mot genoemde mogendheid den vrede van Aken (1668) te sluiten, krachtens welk verdrag hij Franche-Comté ontruimde. Gedurende den hierop volgenden tijd van rust werd het Hotel der Invalieden gebouwd, en richtte de koning de werkplaatsen der Gobelins en der Savonnerie op. In 1672 werd de oorlog verklaard aan de Hollanders, die zich vroeger met de vijanden van Frankrijk in bondgenootschap gesteld hadden, en de veldtocht werd tamelijk voorspoedig aangevangen door den koning in persoon, gevolgd door Turenne en Condé. In het begin van dezen veldtocht had de vermaarde overtocht van den Rijn plaats. Spanje, de Keizer en de keurvorst van Brandenburg, beducht voor de toenemende macht van den franschen monarch, gingen een verbond aan tegen hem. Opnieuw maakte L. zich van Franche-Comté meester; Turenne rukte de Palts binnen, en verwoeste die te vuur en te zwaard; Schomberg versloeg de Spanjaarden in Roussillon; Condé overwon den prins van Oranje bij Senef; Duquesne won twee zeeslagen tegen de Ruyter, die in den laatsten sneuvelde. Nu bood L. XIV den vrede aan, en teekende het verdrag van Nijmegen (1678). Algiers werd gebombardeerd (1682), omdat het de fransche vlag beleedigd had, en ook Genua moest zich verdemoedigen voor den grooten koning (1685). Maar de herroeping van het Edict van Nantes (1685) kwam inden loop van al dien voorspoed eene stoornis aanbrengen: deze maatregel van onverdraagzaamheid en willekeur noodzaakte eene groote menigte huisgezinnen Frankrijk te verlaten en zoodoende hunne nijverheid over te brengen in den vreemde. Kort daarna vormde zich de ligue van Augsbnrg, waarbij het Keizerrijk, Spanje, Engeland en Holland in bondgenootschap traden legen Frankrijk. De veldtocht nam een aanvang met voordeelen, die opwogen tegen het verlies van den zeeslag bij la Hogue. De jaren 1692, 93 en 94 kenmerkten zich door de hemachtiging van Namen en de overwinningen van Steenkerken, Neerwinde en la Marsaille; doch Namen werd op het einde van 1694 heroverd door prins Willem, en, alle vijandelijkheden moede, sloten de oorlogvoerende partijen den vrede van Rijswijk (1697), waardoor Frankrijk binnen zijne oude grenzen werd teruggebracht. De dood van Karel II, koning van Spanje, die zijne kroon naliet aan Filips van Frankrijk, hertog van Anjou, deed 1700 een nieuwen oorlog ontbranden, Succcssie-oorlog genaamd. De eerste jaren waren voor Frankrijk eene afwisseling van voor-en tegenspoed ; maar 1704 werden de Franschen verslagen bij Hochslett, en 1706 hij Ramillies nogmaals. Frankrijk was op den rand van zijnen ondergang gebracht. Eindelijk won Bervvick in 1707 den slag van Almanza in Spanje, en Duguay-Trouin versloeg de vijandelijke vloten bij verscheidene ontmoetingen. Doch in het volgende jaar eenige tegenheden ondervindende, deed L. XIV voorstellen tot den vrede, waarop hem slechts harde en vernederende antwoorden gewerden, zoodat hij zich genoodzaakt zag tot voortzetting van den oorlog, die echter niet gelukkig was : Marlborough en prins Engenius versloegen Villars bij Malplaquet (1709). Alles scheen reeds verloren, toen Vendôme den veldslag van Villaviciosa won, die den troon van Spanje wedergaf aan Filips (1710); en kort daarna herstelde Villars zijne geledene nederlaag door de overwinning bij Dennin, die den vrede van Utrecht ten gevolge had (1713). Twee jaren later stierf L. XIV (1 Sept. 1715), zijne kroon nalatende aan zijnen achterkleinzoon, Lodewijk XV,die toen slechts 5 jaren oud was, Kort te voren had L. XIV zijn zoon, genaamd de Groote Dauphin, en zijn kleinzoon, den hertog van Burgundië, verloren. De regecring van L. XIV is het schitterendste tijdperk der fransche Monarchie; onder dien vorst houdt de roem van letteren, kunsten en koophandel gelijken tred met den roem der wapenen. In dat tijdperk hebben geschitterd Condé, Tnrenne en Vauban, Duquesne en Duguay-Trouin, Colbert en Louvois; Corneille, Racine, Molière, La Fontaine, Boileau, Bossuet en Fénélon ; Lebrun, Lesueur, Girardon, Puget en Perrault. In dat tijdperk zijn verrezen het paleis van Versailles (1661), het Hotel der Invalieden (1670), enz. Aide hoedanigheden van een groot koning vereenigde L. XIV in zich : hij was edel, grootmoedig, dapper, standvastig, en een beschermer van wetenschap en kunst, en paarde aan al die eigenschappen eene schoone en majestueuze lichaamsgestalte ; maar hij was al te veel een minnaar van oorlogen, van praalvertoon en van vermaak; hij had een groot aantal bijzitten, van welke de vermaardste zijn de dames : de la Vallière, de Montespan, Fontanges. Wat madame de Maintenon betreft, met deze was hij heimelijk getrouwd. In groote mate nam L. XIV deel aan de kerkelijke aangelegenheden van zijnen tijd : hij herriep het Edict van Nantes (1685), en ging met overgrootc gestrengheid te werk tegen de Protestanten; ook de Jansenisten werden geenszins door hem gespaard.
L. XV, achterkleinzoon van Lodewijk XIV, en zoon van den hertog van Burgundië, geb. te Fontainebleau 1710, werd 1715 tot koning verheven, onder regentschap van Filips, hertog van Orléans, en had Fleury tot onderwijzer. In 1723 meerderjarig geworden, behield L. den regent als eersten minister,en ontving gedurende eenige maanden nuttige lessen van hem in de regeerkunst. Toen in het laatst van 1723 Filips plotseling gestorven was, volgde de hertog van Bourbon hem op als minister; deze prins kenmerkte zijn tweejarige ministerie door niets anders, dan door een onstaatkundig edict, waarbij de Protestanten opnieuw werden gebannen, en door het huwelijk van den jongen koning met Maria Leczinska, dochter van Stanislas, koning van Polen. In 1726 werd kardinaal Fleury aan het roer van staat geroepen, en slaagde er een oogenblik in, door wijze bezuinigingen, de orde in de finantiën te herstellen. Toen Stanislas zich in 1735 genoodzaakt zag, in weerwil van de door Frankrijk verleende hulp, van zijnen troon in Polen afstand te doen, had hij het aan de bemoeiingen van Fleury te danken, dat hem door Oostenrijk het hertogdom Lotharingen afgestaan werd, onder de bepaling, dat, bij den dood van Stanislas, dit iandschap aan Frankrijk zon vervallen. Na den dood van keizer Karel VI (1740) werd het recht om bem op te volgen hevig betwist. L. XV verklaarde zich voor Karel Albert, keurvorst van Beieren, tegen de dochter des keizers, Maria Theresia, en bracht het zelfs zoo ver, dat zijn beschermeling werkelijk tot keizer benoemd werd onder den naam van Karel VII; maar de nederlaag in den slag bij Dettingen vernietigde al de hoop van den beschermeling enden beschermer beiden (1743). Desniettemin, naar men wil daartoe aangespoord door de raadgevingen van zijne bijzit, de hertogin de Chateauroux, ging L. XV in persoon eenen aanslag ondernemen tegen de oostenrijksche bezittingen in de Nederlanden, vermeesterde verscheidene vestingen, en rukte toen naar den Elzas op, om er het hoofd tc bieden aan hertog Karel van Lotharingen; maar te Metz werd hij ernstig ziek. Deze ziekte verwekte algemeene bezorgdheid; en toen de koning ais door een wonder gered werd, ontving hij van zijn volk den schoonen bijnaam van »Welbeminde”. De veldslagen vag Fontenoy (1745), Raucoux (1746), in Vlaanderen gewonnen op de Keizerlijken en op de verbondene mogendheden, verhoogden de meerderheid der fransche wapenen ; maar des te slimmer stonden voor Frankrijk de zaken in Italië. Doordien de veldslag bij Piacenza door maarschalk Maillebois (1746) verloren werd, zagen de Franschen zich genoodzaakt, de Alpen weder over te trekken. Toen werd de tweede vrede van Aken geteekend (1748), waarbij Frankrijk al zijne veroveringen teruggaf. In 1756 nam de befaamde Zevenjarige oorlog (zie dat woord) eenen aanvang, die zoo noodlottig werd voor Frankrijk, en waarvan de voornaamste gebeurtenis de bloedige nederlaag is, welke de Franschen in 1757 leden bij Rosbach. Die oorlog duurde voort tot het jaar 1763, toen de vrede van Parijs werd geteekend, waarbij Canada, Nieuw-Schotland en verscheidene andere koloniale bezittingen aan Engeland werden afgestaan. De overige tijd der regeering van L. XV kenmerkte zich door niets anders, dan door de opheffing van de Orde der Jezuïeten (1762), en de afschaffing der parlementen, bewerkt door den kanselier Maupeou (1771). L. XV stierf in 17^4 aan de pokken; in 1757 was er een aanslag op zijn leven gedaan door Damiens, docb de wond was van geen bednidenis geweest. Onder andere gedenkleekenen heeft men aan hem te danken de Militaire school (van Parijs) en de Heilige Genoveva-kerk (het Pantheon). L. XV had een groot koning kunnen zijn ; hij was slechts een zwak vorst, verliederlijkt, zonder zich te bekommeren over de toekomst : door zijn toedoen pakten zich de stormen samen, die later tot zulk eene vreeselijke uitbarsting kwamen over hel hoofd van zijn opvolger. Do voornaamste ministers van L. XV, na Fleury, waren de hertog van Choiseul, de abbè Terray en Maupeou. Vooral twee vrouwen waren het ongeluk en de schande van deze regeering: de markiezin de Pompadouren Mevr. Dubarry; die twee zedelooze vrouwen hadden zulk eenen onbegrensden invloed op den koning, dat hij letterlijk de speelbal was van haren wil en van hare luimen.
L. XVI, koning van Frankrijk, kleinzoon en opvolger van Lodewijk XV, geb. 1754, was eerst bekend onder den naam van hertog van Berri. Hij beklom 1774 den troon, en kenmerkte het begin van zijne regeering door daden, die de algemeens goedkeuring wegdroegen; o. a. werd de Bank van leening en de Disconto-bank door hem in het aanzijn geroepen ; tot ministers koos hij mannen, die daartoe werden aangewezen door de openbare meening, zooals Maurepas, Turgot, Malesherbes, Necker; hij verleende hulp aan de tegen Engeland in opstand zijnde Amerikanen (1778—1783), en verzekerde hunne onafhankelijkheid door bet tractaat, dat gesloten werd te Versailles (1783). De finantiën, onder de vorige regeeringen uitgeput, verkeerden in een allerIreurigsten staat; om daarvoor een middel tot herstel te zoeken, riep de koning twee vergaderingen van Notabelen bijeen (22 Febr. 1787 en 6 Nov. 1788); maar deze vergaderingen gingen weder uiteen zonder eenig herstel aan te brengen, en L. XVI zag zich genoodzaakt tot de Staten-Generaal zijne toevlucht te nemen. Die staten werden geopend te Versailles, 5 Mei 1789; en de woordenwisselingen, die daar reeds dadelijk plaats hadden tusschen de drie partijën, deden eene algemeene gisting onder de bevolking ontstaan. Weinige dagen later, verontrust door verscheidene volksdemonstratiën, liet de koning troepen samentrekken nabij Versailles en Parijs, en gelijktijdig gaf bij aan den minister Necker, die algemeen bij het volk gezien was, zijn ontslag (11 Juli); nu greep het Parijschc volk naar de wapenen, en maakte zich meester van de Baslille (14 Jnlï); daarop trok het gepeupel in grooten getale naar Versailles, en dwong den koning zich met zijn gezin te Parijs te komen vestigen (3 en 6 Oct.). Van dit oogenblik af hield L. XVI op, vrij te zijn; hij zag zich genoodzaakt eene menigte decreten van de Nationale vergadering te teckenen, die in strijd waren met zijne dierbaarste gevoelens; en eindelijk, zich niet langer veilig wanende, en aangemoedigd overigens door dc aanbiedingen der vreemde mogendheden, besloot hij uit Parijs te vluchten (20 Juni 1791), en begaf zich op weg naar Montmédy,waar een trouwe dienaar, mijnheer de Bonillé, eenige troepen bijeengetrokken had, op welke men zich verlaten kon; maar door den postmeester Drouet herkend, werd L. XVI te Varennes aangehouden en vervolgens teruggebracht naar Parijs; van dat oogenblik af verloor men hem niet meer uit het oog, en regeerde hij nog slechts in naam. Den 14 Sept. 1791 nam L. XVI de constitutie aan, die de Nationale vergadering had opgesteld; die constitutie, waarbij hem schier geen ander recht gelaten werd, dan dat hij zijne bekrachtiging had te geven aan de decreten der Wetgevende lichamen, kon wel niet anders dan hem gehaat maken. De oorlogsverklaringen der vreemde mogendheden, die, door de uitgewekene prinsen daartoe aangezocht, gewapenderhand Frankrijk binnenrukten, verergerden nog den toestand des konings. Na tot zelfs in zijn paleis beleedigd te zijn geworden, 20 Juni en 10 Ang. (1792), en zijne trouwste dienaren te hebben zien vermoorden, zag hij zich eindelijk in de noodzakelijkheid gebracht eene wijkplaats te gaan zoeken inde Wetgevende Vergadering, die de Nationale Vergadering vervangen had; maar in plaats van hier bescherming te vinden, werd hij door deze vergadering in zijne waardigheid geschorst, en als gevangene opgesloten in den Tempel, onder bepaling, dat de Conventie uitspraak zou hebben te doen over zijn lot. De Conventie, vergaderd 21 Sept. 1792, begon met een decreet uit te vaardigen, waarbij de koninklijke waardigheid in Frankrijk werd afgeschaft, en wierp zich vervolgens op als gerechtshof, om over L. XVI vonnis te vellen. Na een rechtsgeding, dat slechts plaats had voor de leus, werd de ongelukkige koning schuldig verklaard aan samenzwering en hoog verraad, en mei eenc meerderheid van 11 stemmen (3G6 tegen 353) ter dood veroordeeld. Alle uitstel verworpen zijnde, werd het barbaarscho vonnis ten uitvoer gelegd, 21 Januari 1793, op het plein de la llévolution: de ongelukkige koning onderging dien gerechtelijkcn moord met eene gelatenheid, die hem den treurigen eernaam van koning-mnrlelaar verschaft heeft. Weinige dagen te voren had hij een testament gemaakt, dat merkwaardig is zoowel door treilende eenvoudigheid als door grootmoedigheid van het slachtoffer jegens zijne beulen. Hij was gehuwd met Maria Antoinette van Oostenrijk; hij liet twee kinderen na; bodewijk (zie hieronder LODEWIJK XVII) en MariaTheresia Chariolte van Frankrijk (later hertogin van Angoulême). L. XVI had al de deugden, die het sieraad zijn van een gewoon burger; maar het ontbrak hem aan wilskracht en vastberadenheid, en misschien tusschenhcide ook wel aan openhartigheid. Zijn versland was goed ontwikkeld; vooral in geschiedenis en aardrijkskunde was hij zeer ervaren; naar men wil heeft hij zelfs eenige werken geschreven; en zooveel is althans zeker, dat hij zelf de instructiën opgesteld had, die aan La Pérouse op diens reis rondom de wereld medegegeven worden (1785). Hij was een minnaar van de werktuigkunde on had het zeer ver gebracht in het slotenmakershandwerk.
L. XVII tweede zoon van Lodewijk XVI, geb. 27 Maart 1785, droeg eerst den titel van hertog van Normandië, en nam dien van dauphijn aan bij den dood van zijn ouderen broeder Lodewijk Jozef (4 Juni 1789). In den Tempel opgesloten met zijne familie, werd hij, na den dood zijns vaders (1793), door de uitgewekenen en door de vreemde mogendheden als koning erkend. Brelagne, Vendée en Tonton namen de wapenen voor hem op; maar er werd zoo streng het oog op hem gehouden, dat het niet mogelijk was hem op te lichten. Zekere schoenmaker, met name Simoii, werd als cipier bij hem aangesteld, onder den bespottelijken titel van onderwijzer. De prins stierf 8 Juni 1795. Men hield het er voor, dat hij door middel van vergif van kant gemaakt was; maar waarschijnlijker was zijn dood veroorzaakt door de mishandelingen, die hij had moeten verduren in zijne gevangenschap. Verscheidene bedriegers hebben zich voor L. XVII willen laten doorgaan ; doch zij hebben slechts een zeer klein getal Heli tgeloovigen gevonden, die hen aanzagen voor hetgeen ze niet waren.
L. XVIII broeder van Lodewijk XVI, geb. te Versailles 17 Nov. 1775, droeg tot 1795 den titel van graaf van Provence. Hij voerde eerst oppositie tegen de regeering zijns broeders, zoo in de vergadering der Notabelen, als in de Staten-Generaal, en stemde er vóór, dat de derde stand evenveel leden ter Staten-Generaal zoude afvaardigen als de twee andere standen te zamen; maar toen hij zagtot welke buitensporigheden de revolutie leidde, besloot hij Frankrijk te verlaten, en vertrok20 Juni 1791, eenige oogenbiikken na het vertrek van Lodewijk XVI naar Montmédy. Gelukkiger dan zijn broeder, bereikte hij Brussel, waar hij de declaratie van het congres van Pilnitz uitlokte. In het volgende jaar (1792) kwam hij aan het hoofd van 6000 man zich aansluiten bij het pruisische leger, dat op Frankrijk aanrukte; maar de nederlaag van Valmy sloeg aan al zijne verwachtingen den bodem in. Den 8 Juni 1795, na den dood van Lodewijk XVII, nam de hertog van Provenco den titel van koning aan onder den naam van Lodewijk XVIII, en werd als zoodanig door de vreemde mogendheden erkend. Het leger van Condé, in welks gelederen hij zijne toevlucht genomen had, door Moreau teruggedreven zijnde, nam L. XVIII de wijk naar Blankenburg, daarna naar Mitan (1798); hij wilde niets hooren van de voorstellen, die hem door Bonaparte gedaan werden, om hem er toe te brengen van zijne aanspraken afstand tedoen (1803); zelfs protesteerde hij 1804 tegen de verheffing van Napoleon op den troon. In 1807 begaf hij zich naar Engeland; hij hield verblijf te Harlweil van 1811 af tot do gebeurtenissen van 1814. Na den val van Napoleon keerde hij naar Frankrijk terug (3 Mei 1814), en werd door de verbondene mogendheden op den troon geplaatst. Bij zijne aanvaarding van hetbewind gaf hij eene constitutioneels charte (4 Juni), die den grondslag werd van het fransche staatsrecht. De terugkomst van Napoleon (Maart 1815) noodzaakte hem, zich overhaast tc verwijderen, en te Gent eene schuilplaats te gaan zoeken; maar hij keerde na den slag van Waterloo naar Frankrijk terug (Juli 1815) en sedert dat tijdstip bleef hij tot aan zijn dood (1824) op den troon. Hij verlichtte zooveel mogelijk de lasten, door de vreemde bezetting veroorzaakt, en verkreeg, door den invloed van zijn eersten minister, den hertog van Richelien, dat het grondgebied van Frankrijk ontruimd werd door de vreemde troepen nog vóór het bepaalde tijdstip. De eenige militaire gebeurtenis, die onder zijne regeering plaats greep, is de veldtocht naar Spanje 1823, ten doel hebbende om er Ferdinand VII op den troon te herstellen. Hij was een vrij verlicht vorst, die niet afkeerig was van de liberale denkbeelden ; maar hij had aanhoudend te worstelen tegen de partij der uitgewekenen, aan welker hoofd zijn eigen broeder stond. Hij had vernuft, en beoefende de letterkunde. Hij liet geen kinderen na, en had tot opvolger zijn broeder Karel X.

Lodewijk Filips, koning der Franschen sedert de Juli-omwcnteling 1830 tot de Febrnariomwenteling 1848, geb. 6 Oct. 1773 te Parijs, oudste zoon van hertog Lodewijk Filips Jozef van Orleans, heette eerst hertog van Valois, sedert 1785 hertog van Chartres, en na den dood zijns vaders hertog van Orleans. Even als zijn 'vader (die den bijnaam Philippe Egalité ontving) sloot L.-F. zich aan de omwenteling aan, ging in dienst bij de Nationale garde, nam zitting in den club der Jacobijnen, vocht als generaal bij Valmy en Jemappes, doch vluchtte 4 April 1793 met Dumouriez over de fransche grenzen, zwierf rond in Zwitserland, waar hij zijne zuster Adelaide in veiligheid gebracht had, hield gedurende acht maanden te Reichenau bij Chur verblijf als leeraar der aardrijks- en wiskunde onder den naam van Chabot-Latour, bereisde vervolgens de Scandinavische landen, en woonde daarna in bekrompene omstandigheden te Hamburg. Toen het Directoire, alvorens L.-F.’s moeder en jongsten broeder in vrijheid te stellen, als voorwaarde eischte, dat L.-F. Europa verlaten moest, begaf hij zich 1796 naar Amerika. Van 1800 tot 1808 hield hij verblijf in Engeland, en ging 1809 naar Palermo, waar hij in den echt trad met Amalia, dochter van koning Ferdinand IV der Beide Siciliën. Bij den opstand der Spanjaarden tegen Napoleon, deed L.-F. vergeefs aanzoek om een kommando in de armee der opstandelingen; na Napoleons val keerde hij naar Parijs terug, deed 1815 eene vruchtelooze poging om tegen Napoleon eenen tegenstand te organiseeren, en bleef tot 1816 in Engeland, dewijl Lodewijk XVIII hem niet vertrouwde. In het begin van 1817 verscheen bij weder te Parijs, vestigde zich in het Palais Royél, werd nu het middelpunt der liberale oppositie, en (ofschoon de waarheid van dit beweren onbewezen is) de hoofdpersoon in de intrige, waardoor Karel X van den troon geslooten werd. Na de Juli-omwenteling werd L.-F. 30 Juli 1830 tot luitenant-generaal des rijks, en 9 Aug. lot koiiing der Franscheu verheven, en legde den eed af op de herziene Charte. Door de europ. mogendheden erkend, hield hij zich rustig tegenover het buitenland; binnenslands zocht hij aan zijnen troon steun te verschaffen, door de middelklasse te begunstigen en tegenover de andere partijen den gulden middelweg (jaste milieu) te bewandelen. Zijn aanzien in Frankrijk leed echter een gevocligen schok door zijne zwakke staatkunde in het Oosten (1840), en werd ondermijnd door de als oogluikend toegelatene misbruiken, die in alle takken van openbaar bestuur plaats grepen; terwijl de dood van den kroonprins, den hertog van Orleans (13 Juli 1842), den troon van L.-F. in eenen wankelenden staat bracht. In de Kamers wist het gouvernement zich slechts op kunstmatige wijze eene meerderheid te verschaffen, hetgeen eindelijk aan de opposiiie-voerende partijen aanleiding gaf, om met kracht op eene herziening van de kieswet aan te dringen; en daar L.-F. zich hardnekkig daartegen verzette, brak 1848 de Februariomwenteling uit, tengevolge waarvan L.-F. 24 Febr. ten behoeve van zijnen kleinzoon, Lodewijk Filips, graaf van Parijs, afstand van den troon deed en Parijs verliet. Hij hield zich schuil op do normandische kust, waar het hem gelukte 3 Maart aan boord te komen van eene opzettelijk tot dat einde derwaarts gezondene brilsche stoomboot, die hem in veiligheid bracht naar Engeland. Hier hield hij onder den naani van graaf van Neuilly met zijn gezin verblijf op Claremout (zijnde een landgoed van zijnen schoonzoon Leopoid, koning der Belgen), en stierf aldaar 26 Aug. 1850. Zijne weduwe stierf daar in Maart 1866.

Lodewijk Napoleo, president der Fransche republiek. Zie NAPOLEON lil.

Lodewijk, dauphijn, gemeenlijk Monseigneur of de Groote Dauphijn genaamd, zoon van Lodewijk XIV en Maria Theresia van Oostenrijk, gei). 1661, gest. 1711. Hij had tot gouverneur den hertog van Montausier, en tot leermeester Bossuet. In 1688 onderscheidde hij zich als bevelhebber van de Rijnarmee, en in 1694 in Vlaanderen. Daarna leefde hij in eene soort van afzondering te Meudon, zonder eenigen staatkundigen invloed. Hij had drie zonen: Lodewijk, hertog van Burgundie; Filips, hertog van Anjou (koning van Spanje), en Karel, hertog van Berri. Voor hem werd de schoone verzameling van latijnsche schrijvers gedrukt, die bekend is onder de benaming van ad usum Delphme.

Lodewijk, hertog van Burgundië, zoon van den vorige. Zie BOURGOGNE (Lodewijk van).

Lodewijk, dauphijn, zoon van Lodewijk XV en Maria Leczinska, geb. 1729, gest. 1765, heeft nooit eene belangrijke rol gespeeld. Hij wordt hier slechts vermeld, omdat hij de vader was van Lodewijk XVI, Lodewijk XVIII en Karel X.

Lodewijk, hertog van Bourbon. Zie BOURBON.

Lodewijk, hertog van Orleans. Zie ORLEANS. lil. Nederlandsche en andere vorsten en prinsen.

Lodewijk, koning van Holland, broeder van keizer Napoleon I en vader van keizer Napoleon Hl, geb. 2 Sept. 1778 te Ajaecio, ontving zijne opleiding in de artillerie-school te Chalons', vergezelde Napoleon naar Italië en Egypte, werd met verscheidene zendingen belast, en achtereenvolgend benoemd tot brigade-generaal, 1804 connetable en generaal-enchef der karabiniers, 1805 gouverneur-generaal van Piéniont. In 1806 (5 Juni) verheven tot koning van Holland (wegens zijnen moeilijken gang door de anti-Franschgezinden bijgenaamd de Lamme koning) wist hij zich hij het nederlandsche volk bemind te maken door eene welwillende en verstandige regeering; doch juist doordien hij zich te veel toelegde op de bevordering der nederlandsche belangen, geraakte hij met zijnen broeder, den keizer, op zulk een gespannen voet, dat hij zich eindelijk genoodzaakt zag zijne kroon ais koning van Holland neder te leggen (1 Juli 1810), waarop hij zich onderden naam van graaf van St.-Leu naar Gratz begaf. Eerst in 1814 ,ging hij naar Parijs, later naar Rome, waar hij (vreemd blijvende aan Napoleons terugkeer van liiba) ook in 1815 bleef. In 1826 begaf hij zich naar Florence, later naar Livorno, waar hij 25 Juli 1846 stierf. Hij beoefende de letterkunde, en schreef o. a. een roman, getiteld: Marie ou les peines de l'amour (gedrukt 1800, en herdrukt 1814 onder den titel van: Marie ou les Hollandaises); deze roman schijnt L.’s eigene geschiedenis te bevatten. Belangrijker echter zijn L.’s geschiedkundige werken, waaronder vooral Documenls historiques et réflexions sur le gouvernement de la Hollande (3 dln. Londen 1821). Fn 1802 werd hij bijna tegen zijnen zin door den wil zijns broeders in den echt vereenigd met Hortense Eugenie de Beauharnais (zie HORTENSE), welk huwelijk echler later door echtscheiding ontbonden werd; er waren drie kinderen uit geboren, van welke de oudste zeer jong stierf; de tweede voerde den titel van kroonprins van Holland (zie ’t volgende art.).

Lodewijk, kroonprins van Holland, geb. 1804, tvwede zoon van koning Lodewijk, ontving 1809 den titel van groothertog van Cleve en Berg, trouwde met zijne nicht Charlotte, dochter van koning Jozef, nam 1831 deel aan den opstand in de roomscho stalen, en stierf op de vlucht te Forli 17 Maart 1831.

Lodewijk, graaf van Loon, gehuwd met gravin Ada van Holland (zie ADA). Terwijl Ada voor de in opstand gekomene edellieden de wijk nam naar den burg te Leiden, vluchtte L. met zijne schoonmoeder naar Utrecht, van waar hij reeds spoedig (1204) met een talrijk leger terugkwam, en geheel Zuid-Holland onderwierp. Hij was echter niet opgewassen tegen zijn behuwdoom Willem, die aan het hoofd zijner tegenstanders stond, en zag zich na vele nederlagen genoodzaakt afstand van zijne bezittingen in Holland te doen, keerde terug naar zijn graafschap Loon in Lotharingen, en stierf 1218.

Lodewijk, twee graven van Nassau:

1) geh. 1538, was een broeder van prins Willem 1, en een der ijverigste en moedigste kampvechters voor de staalkundige en godsdienstige vrijheid der Nederlanden. De eerste geregelde veldslag, die aan de Spanjaarden geleverd werd (25 Mei 1568 bij Heiligcrlee), verschafte aan de Staatschen, aangevoerd door L., de overwinning; en reeds was L. op het punt zich van Groningen meester le maken, toen zijne kleine armee door dc overmacht van Alba’s leger verpletterd werd bij Jemmingen.ln 1572 maakte L. zich bij verrassing meester van Bergen (Mons) in Henegouwen, welke stad hij zoo dapper en hardnekkig verdedigde, dat zelfs zijn vijand hem bewonderen moest, ofschoon hij zich ten laatste genoodzaakt zag voor Alba’s overmacht te zwichten en Bergen over te geven. Nn rukte hij op naar Gelderland, om daar den Spanjaard te bestoken, doch sneuvelde, even als zijn broeder Hendrik, in het gevecht bij Mook. Zijn lijk is nooit teruggevonden.
2) zoon van Jan van Nassau en gravin Elizabeth van Leuchtenberg, was een neef van den vorige. In 1596, aan liet hoofd van 400 Engelschen, nam bij deel aan de bemachtiging van Cadix. Sedert 1599 diende bij in de Staatsche armee, onder prins Maurits, en gelukte het hem bij Meppel den graaf van Bucquoi (Charles de Longueval) gevangen te nemen, die, naar de gevangenis te Woerden gebracht, slechts tegen betaling van 20,000 guldens losgeld weder in vrijheid kwam. In 1600 werd Wachtendonk bij verrassing ingenomen door L., die ook met zijne ruiterij veel bijdroeg tot de overwinning in den slag bij Nieuwpoort. In 1602 tuchtigde L. de Luxemburgers, die hem brandschatting hadden geweigerd; en 1604 stierf hij voor Sluis in Vlaanderen.