Geographisch

Geographisch-woordenboek

Gepubliceerd op 29-11-2021

Saksen

betekenis & definitie

lat. Saxones, een duilscb volk, waarvan het eerst melding wordt gemaakt door Ptolemeüs als van eenen germaonschen volksstam, die aan den benedenloop van de Elve woonde.

In de 3e eeuw echter worden de S. vermeld aW eenen volkeren-bond, die zich uitstrekte van den BenedenRijn tot Holstein, en waarin de namen Cherusken, Angrivariërs, Chauken, Bructeren, enz. verdwenen zijn. Even als hunne naburen (de Denen) geduchte zeeschuimers, maakten zij zich op hunne lichte roofschepen gevreesd langs de kusten van Gallië en Britanniê ; en met de hulp der S. maakte Carausius zich in 287 van het gezag in Britannia meester. Vier Saksische aanvoerders stichtten daar vier rijken der Heplarcliie (zie dat art.); en ook in Duitschland breidde hunne macht zich uit; met de Franken in bondgenootschap, vernietigden zij in 531 het rijk der Thtiringers, en verlegden de zuidergrens van hun grondgebied tot aan de Unstrul. Te rekenen van Clotarius II af, waren de S. schatplichtig aan de Franken, tegen wie ze echter herhaalde malen in opstand kwamen. Heidenen zijnde, aanbidders van Odin, van Irmensul, enz., noemden ze zich rechtslreeksche afstammelingen van de Asen, waren in de hoogste mate afkeerig van het Christendom, en vooral onder hunnen aanvoerder (dux) Wittekind toonden ze zich even bittere als gevaarlijke vijanden der Franken. In negen beroemde krijgstochten echter (771—795) bracht Karel de Groote ben tot onderwerping, noodzaakte hen zich te laten doopen (785), gaf hun strenge wetten (de Saksische Wet), stichtte in hun land acht bisdommen (o. a. die van Osnabruck, Bremen, Paderborn, Munster) en wees hun de Eider als grenslijn aan. Hun grondgebied was toen ingedeeld in Westfalen, Engerland, Oostfalen (het oostgedeelte van dit laatste was het land der Noord-AIbingers). Deze staat van zaken duurde voort tot het verdrag van Verdun (843).Eerste Hertogdom Saksen (843—1180).

Reeds Wittekind was in den onafhankelijkheidsoorlog hertog (dux) der Saksen genoemd; maar onder keizer Bodewijk den Duitscher ontving graaf Ludolf formeel de hertogelijke waardigheid, en werd zijn grondgebied erkend als een der zes hertogdommen van het keizerrijk: zoo ontstond het Hertogdom Saksen. Ludolfs kleinzoon Hendrik werd duilscb koning ; Otlo de Doorluchtige, die ook Thuringen verwierf, werd als Otlo de Groote duitsch keizer, en stond omstreeks 960 het hertogdom af aan Herman Billung, in wiens geslacht bet bleef tot 1106. Onder hem stonden de tegen Slawen en Denen opgerichte markgraafschappen, zooals Meissen, Oost-Saksen, Noord-Saksen, Sleeswijk. Na het uitsterven van het Saksische keizershuis (1024) waren d; Saksische heeren de hardnekkigste vijanden der frankische en zwabische keizers, zooals dit vooral onder de keizers Hendrik IV en Frederik I duidelijk bleek. Toen het geslacht Billung uitgestorven was (1106) met hertog Magnus, werd Lotharius, graaf van Supplinburg, hertog van S.; en 1125 duitsch keizer geworden, schonk hij 1127 het hertogdom aan zijn schoonzoon, den weilischen hertog in Beieren, Hendrik den Trolsche, aan wien het in 1138 ontnomen werd door keizer Koenraad III, die het aan den ascaniscben Albrecht den Beer gaT; deze bezat reeds de Noordmark, waaraan de mark Brandenburg werd loegevoegd, toen hem in 1139 het hertogdom S. weder ontnomen werd, ten behoeve van Hendrik den Leeuw, die nu S. en Beieren vereenigde en het eerstgenoemde aan de noord- en oostzijde aanmerkelijk vergrootte door zijne overwinningen op de Slawen. Na zijnen afval in den veldtocht van Legnano (1177) werd Hendrik door keizer Frederik in den rijksban gedaan (1180), en ’t groote hertogdom S. werd in een aantal kleine leenen verbrokkeld.

Tweede Hertogdom Saksen.

Uit de verbrokkeling van het eerste hertogdom S. ontstonden de twee aartsbisdommen Maagdenburg en Breinen, de acht bisdommen Minden, Verden, Paderborn, Munster, Hildesheim, Halberstadt, Merseburg, Naumburg, het paltsgraafschap Saksen, Meissen, Thuringen, het land van Mecklenburg (dat Hendrik de Leeuw nogtans als zijn particuiiercigendom beschouwde), het hertogdom Pommeren, het hertogdom Westfalen (dat aan den aartsbisschop van Keulen overging), Eichsfeld (waarvan de aartsbisschop van Maintz zich meester maakten; en Lubeck, de voormalige hoofdstad van S., werd rijksstad. Hendrik de Leeuw behield niets anders dan de landen, die later het hertogdom Brunswijk vormden. Doch er werd ten behoeve van Bernhard van Ascanië of Anhalt een nieuw hertogdom Saksen gevormd, bestaande uit het grondgebied van Wittenberg en van Lauenburg, benevens de suzereiniteit over Holstein. Dit 2e hertogdom S., toch reeds zoo klein, kromp nog aanmerkelijk in, toen hel Ascanische huis zich in 1260 in twee liniën splitste: de oudste linie S.-Lauenburg, de jongste S.-Willenberg. Laatstgen. linie verwieif het burggraafschap Maagdenburg, ’t graafschap Brehna, enz., terwijll 355 door keizer Karel IV de waardigheid van keurvorst verleend werd aan den hertog van S.-Wittenbcrg.

Keurvorstendom Saksen.

Toen de linie S.-Wittenberg uitgestorven was (1423) kwam dat kleine hertogdom, benevens de keurvorstelijke waardigheid, aan het huis Wettin in Meissen en Thuringen, en het hertogdom S., daardoor met verscheidene landen vergroot, grensde nu aan Hessen, aan Brandenburg, aan de Saksische hertogdommen. Het had tot hoofdplaats Dresden, en was ingedeeld als volgt:

I. Electorale kreis hoofdpl. Wittenberg.

II. Saks.-Thuringer kreis » Langensaltza.

III. Markgraafschap Meissen

weder ingedeeld in:

1. De 4 baljuwschappen van Meissen ■ Meissen.
2. ’t grootbaljuwschap Dresden * Dresden.
3. tien andere baljuwschappen • Torgau.
4. de kreis van Leipzig * Leipzig.
5. de kreis van 't Ertsgebergte » Freiberg.
6. de kreis van 't Voigtland • Platten.

en

IV. Hertogdom Saksen-Lauenburg

een oud duitsch hertogdom tusschen de hertogdommen Mccklenburg, Luneburg, Ratzeburg, Holstein, enz. De hoofdpl. was Lauenburg; andere steden Ratzeburg en Mollen, doch overigens was dit (zie hierboven) in 1260 gevormde hertogdom zeer klein. Tot 1689 behoorde hel aan de oudste linie van 't Ascanische huis, kwam na verschillende lotswisselingen aan Hanover, 1815 aan Denemarken, 1865 aan Pruisen (zie Lauenburg).

Inmiddels had 1485 tusschen de zonen van keurvorst Frederik den Zachtmoedige (Ernst en Albrecht) eene deeling plaats gehad (zie ALBERTINISCHE en EBNESTINISCHE LINIE), waarbij aan Ernst de keurvorstelijke waardigheid en slechts de Electorale kreis benevens het Thuringsche land verbleef, zoodat hel keurvorstendom toen aanmerkelijk ingekrompen was. Zijn zoon en (1486) opvolger Fredederik de Wijze oefende niettemin eenen grooten invloed uit op de zaken van Duitschland, was bij afwezigheid des keizers in diens plaats rijksbestuurder, stichtte 1502 de universiteit van Wittenberg, begunstigde met alle kracht de Kerkhervorming, en had in groote mate aandeel aan de vorming van den Schmalkaldischen Bond. Zijn opvolger lohan de Bestendige (1525—32) was almede een krachtig voorstander van de Luthersche beweging; doch aan diens zoon en opvolger, Johan Frederik de Grootmoedige, werd na den slag bij Mühlberg (24 April 1547) benevens het hertogdom Saksen tevens de keurvorstelijke waardigheid ontnomen, die nu door Karel V aan een afstammeling der Alberlinische linie geschonken werd, namelijk aan Mauritsvan Sakseil, zoon van hertog Hendrik den Vrome. Ofschoon hij aan Karel V zijne verheffing had te danken, bleef Maurils lulhersch, en handhaafde bestendig de protestantsche vrijheden. In den Dertigjarigen oorlog stonden de keurvorsten van S. nu eens aan de zijde van Zweden, dan weder aan die van Oostenrijk. In 1697 ging keurvorst Frederik August I tot de Roomsche Kerk over, om als koning August II de kroon van Polen te aanvaarden, hetgeen hem in aanhoudende oorlogen wikkelde met Zweden; om daaraan het hoofd te kunnen bieden nam hij Rusland en Denemarken lot bondgenooten, hetgeen niet belette dat de Zweden ouder Karel XII een inval in Saksen deden en hem gevoelige nadeelen toebrachten. Onder zijnen zoon Frederik August II (August III als koning van Polen), die hem 1733 opvolgde, werd Saksen door graaf Brühl in den Oostenrijkschen successie-oorlog, in den Silezischen oorlog en eindelijk nog in de rampen van den Zevenjarigen oorlog gewikkeld, in welken laatsten oorlog S. door de Pruisen bezet werd. Het zwaar geteisterde S. had groote behoefte aan den tijd van rust, die nu volgde onder den waardigen keurvorst Frederik Christiaan (6 Ocl. tot 17 Dec. 1763), den regeut Xaverius (1763— 68), en keurvorst Frederik August (zie dl. I blz. HOI), die, in Pruisen's oorlog tegen Napoleon meegesleept, 11 Dec. 1806 den vrede van Posen moest koopen door toe te treden tot den Rijnbond, waarvoor hij door Napoleon verheven werd tot koning van Saksen. Ziehier de naamlijst der Keurvorsten van Saksen.

I. Vóór de deeling.

Frederik I, de Strijdbare 1422

Frederik II, de Goede 1428

Ernst en Albrecht 1464

II. Ernestinische linie.

Ernst, alleen 1484

Frederik III, de Wijze 1486

Johan I, de Bestendige 1525

Johan Frederik Grootmoedige 1532

III. Albertinische linie.

Maurits 1548

August 1553

Christiaan I 1586

Christiaan II 1591

Johan Georg I 1650

Johan Georg II 1656

Johan Georg III 1680

Johan Georg IV 1691

Frederik August I (August II) 1695

Frederik August II de (August III) 1733

Frederik Christiaan 1763

Frederik August III keurvorst 1763—1806

Koninkrijk Saksen.

Het koninkrijk S., naar zijne grootte de zesde, doch naar het zielental der bevolking en naar zijnen rang de vierde der staten van den Dnitscben Bond (zie dat art.), die door den oorlog van 1866 (zie PBUISEN) werd vernietigd, is circa 272 vierk. mijlen groot en bevolkt met ongeveer derdhalf millioen zielen; slechts de kleinste helft van S. is bergachtig (Ertsgebergte en Lausitzer bergen); de voornaamste rivier is de Elve, waarin zich ontlasten de Spree de Zwarte en de Witte Elster, de Mulde, de Pleisse. De hoofdstad is Dresden. Begrensd wordt S. door Pruisen van het N. W. naar het N. O., door Bohemen ten 0. en ten Z„ door Beieren ten Z. W., door het prinsdom Reuss-Greitzen het hertogdom SaksenAltenburg ten W.

Bij de stichting van het koninkrijk (1806) was S. veel grooter; doch wegens de houding van koning Frederik August in den strijd van Napoleon tegen Uuitschland, werd hem bij het Weener congres een groot deel van zijne landen (de Lausitz, Thuringen, een gedeelte van Meissen, Mansfeid, Querfurt, enz.) 'afgenomen, waarmede Pruisen vergroot werd. In 1866 was ook S. een korten tijd door de Pruisen bezet, doch het behield na afloop van den oorlog, zijne onafhankelijkheid. Ziehier de naamlijst der

Koningen van Saksen.

Frederik August I (de laatste keurvorst) 1806—27

Anton I (zijn broeder) 1827—36

Frederik August II (ook IV genoemd) 1836—54

Johan 1854