Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Eenvoudigheid

betekenis & definitie

In artikel 1 der Gereformeerde Confessie wordt beleden dat het eeuwige Wezen, hetwelk wij God noemen, eenvoudig is. Het is niet gemakkelijk van die eenvoudigheid Gods zich een rechte voorstelling te maken.

Zij mag niet gedacht worden hetzelfde te zijn als enkelvoud, want als dit gedaan wordt staan wij voor de grootste verwarring. Als men van enkelvoud spreekt, dan bedoelt men dat een zeker iets slechts éénmaal gedacht of gevonden wordt, maar datzelfde kan ook tienvoudig of honderdvoudig gesteld worden.

Reeds in de taalkunde leert men dat het enkelvoud tegenover het meervoud staat. Maar eenvoud is iets anders dan enkelvoud.Eenvoudig vormt zeer bepaaldelijk de tegenstelling met saamgesteld. Men spreekt van een eenvoudig of samengesteld werktuig, van een kwestie die eenvoudig of samengesteld (gecompliceerd) is. Zoo nu houdt de belijdenis dat God eenvoudig is dit in, dat alle gedachte van eenige samenstelling, verbinding, bijeenvoeging, of hoe ge het noemen wilt, bij God ten eenenmale is buitengesloten. Maresius, die een verklaring van de Confessie in het licht gaf, schrijft bij artikel I ter toelichting van de eenvoudigheid: „onafscheidelijk van de eenheid Gods is Zijn eenvoudigheid, waardoor wordt uitgedrukt dat er in het Goddelijk Wezen niets saamgesteld is, want daar alle saamstelling een oorzaak onderstelt, die deze saamstelling tot stand bracht, zoo kan er geen saamstelling in God zijn, die geen oorzaak boven zich hebben kan. Hij kan niet saamgesteld zijn, noch uit geslacht en soort, noch uit zijn en wezen, noch uit vorm en stof, noch uit wezen en eigenschappen; want bij het volmaakte kan niets bijkomen, en al wat in God is, is God zelf.” Het ligt voor de hand dat de Kerk van meet af groote beteekenis gehecht heeft aan de belijdenis van de eenvoudigheid Gods. Elke saamstelling of verbinding wijst noodwendig heen naar iemand die deze saamstelling heeft tot stand gebracht.

Bij God den Heere, omdat Hij het Hoogste Wezen is, is niet een nog hooger Wezen denkbaar, dat eerder geweest is en in God die samenstelling zou hebben bewerkt, want daaruit zou moeten volgen dat die nog hoogere God de ware God is. Reeds de gedachte dat God de Eerste, de Eeuwige, de Almachtige is, laat zelfs de idee niet toe dat er een macht buiten of boven God zou zijn om in God eenige saamstelling aan te brengen. God als in niets saamgesteld, als den Eenvoudige te erkennen is de Godsgedachte in het Goddelijk Wezen te belijden, dit niet te doen vernietigt de Godsgedachte in God zelf.

Allereerst houdt deze belijdenis in dat God een geestelijk Wezen is, zoodat bij den wortel afgesneden wordt elke gedachte alsof er in God eenige lichamelijkheid zou gevonden worden. De mensch is saamgesteld uit ziel en lichaam maar God is louter Geest. En in de tweede plaats wordt hiermede de Goddelijke bestaanswijs van het geestelijk Wezen uitgedrukt, want God heeft niet maar is al wat van Hem geopenbaard wordt. God is Licht, is Leven, is Liefde (1 Joh. 1:5; 4:8; 5 : 20). En in de derde plaats hebben we dit stuk zoo te verstaan dat er niet alleen geen saamstelling is tusschen het Wezen Gods en Zijn deugden omdat Hij is wat Zijn deugden openbaren, maar dat er ook geen saamstelling in God van Zijn deugden is. Er mag niet gezegd worden dat God voor een deel Leven is, voor een deel Licht en voor een deel Liefde.

Geheel het Goddelijk Wezen is zonder eenige samenstelling van deelen èn Leven, èn Licht èn Liefde. Ten volle wordt de eenvoudigheid Gods verstaan als wij bedenken, dat in God het Leven de Liefde, de Liefde het Licht, en het Licht het Leven is. Augustinus zeide: „Hoewel het Eeuwige Wezen met velerlei namen als groot, goed, wijs, volzalig en waarachtig genoemd wordt, zoo is Hij toch eenvoudig, d. w. z. ofschoon Hij al deze namen draagt, zoo is er toch geen veelvuldigheid, want Zijn grootheid is Zijn wijsheid, en het is één en hetzelfde of ik zeg dat God groot is of dat Hij wijs is, ja zelfs al zeg ik slechts dat Hij is.

Bij God valt dus het zijn en het sterk-zijn saam; en ligt in het zijn zelf het wijs-zijn, het goed-zijn enz. reeds besloten. Denk u het Goddelijk Wezen in, zoo veel doenlijk, als goed zonder een eigenschap te bezitten, groot zonder hoeveelheid te bezitten, en ge zult bevinden dat al deze onderscheidingen eigenlijk wegvallen in het Goddelijk Wezen.” Dit gaat onze menschelijke bevatting zeer verre te boven en daarom kunnen wij het ook niet volkomen verstaan. Maar God openbaart Zich in Zijn Woord naar de mate van onze bevatting en dies openbaart Hij de eenvoudige volheid van Zijn Wezen in de veelheid Zijner deugden.

In zijn geschrift Ex ungue leonem, pag. 64, schrijft Dr. A. Kuyper ter historische orienteering van dit leerstuk: „De belijdenis namelijk van de eenvoudigheid van het eeuwige Wezen is herkomstig uit den strijd, dien de eerste Christen-godgeleerden te voeren hadden tegen de overblijfselen van het veelgodendom. Immers de heidensche wijsgeeren, die zelf de afgoderij in haar lageren vorm hadden laten varen, verdedigden toch de voorstelling, dat de Goddelijke krachten en eigenschappen van de eeuwige Oorzakelijkheid konden afgescheiden worden, en dat nu het veelgodendom niets anders bedoelde, dan naast en onder den Oorsprong aller dingen ook die Goddelijke krachten en eigenschappen te personifieeren of als góden te vereeren. En tegen die voorstelling nu hebben de oudste Christengodgeleerden toen met beslisten ernst de belijdenis gesteld dat de Goddelijke eigenschappen niet van het Eeuwige Wezen onderscheiden, maar er één mede waren; dat God niet saamgesteld was uit een Wezen èn eenige eigenschappen, maar dat er in God van geen saamstelling hoegenaamd sprake viel, dat Hij niet was saamgesteld, maar eenvoudig dat Hij niet was een God, en die God rechtvaardig, maar dat Hij was God en die God de Rechtvaardigheid, zoodat God en de Rechtvaardigheid één en hetzelfde waren”.

Slechts zeer in de verte is er in het geestelijk leven van den mensch iets dat hiervan een enkele gedachte doet opvangen. In Matth. 6:22 staat: „indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen”, hetwelk beteekent dat als het oog enkel licht is, niet saamgesteld met duisternis, alsdan het gansche lichaam verlicht is. In Psalm 116 : 6 lezen we: „de Heere bewaart de eenvoudigen”, en onder die „eenvoudigen” worden verstaan zij die hun gansche hart, geheel en al, ongedeeld den Heere hebben overgegeven. De eenvoudige ziel dient niet twee heeren: God en den Mammon, maar alleen den Heere. Deze eenvoudigheid kent niet de saamstelling van goed en kwaad, noch die van heiligheid en zonde.