Wat is de betekenis van eenvoudig?

2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

eenvoudig

eenvoudig - Bijvoeglijk naamwoord 1. niet ingewikkeld De oefeningen die je moet maken zijn eenvoudig. 2. zonder overdaad of vertoon Hij draagt een eenvoudige uitrusting. Woordherkomst Afkomstig van het Middelnederlandse eenvoudich, eenv...

Lees verder
2018
2021-06-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

eenvoudig

eenvoudig - bijwoord uitspraak: een-vou-dig 1. zonder meer ♢ dat is eenvoudig belachelijk! Bijwoord: een-vou-dig

Lees verder
1980
2021-06-18
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Eenvoudig

Het woord eenvoudig heeft tal van betekenissen: niet ingewikkeld, afkerig van weelde, op bescheiden voet levend, argeloos, zonder meer, kort en goed enz. Wanneer men oude teksten leest, komt men daar ook de vormen eenvouwdig en zelfs eenvouwig tegen. Die brengen ons op het spoor van de afleiding. Er is blijkbaar verwantschap met het werkwoord vouwe...

Lees verder
1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

eenvoudig

bn. en bw. (-er, -st), I. bn., 1. niet samengesteld of ingewikkeld: dat is toch heel —; een — toestel; om de eenvoudige reden dat het er niet is; dat is het eenvoudigste, het gemakkelijkste, het minst omslachtige; een eenvoudige breuk, waarvan teller en noemer uit hele getallen bestaan; 2. zonder overdaad, weelde, pronk of vertoon; ni...

Lees verder
1952
2021-06-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Eenvoudig

adj. & adv., ienfâldich, sljocht plat, simpel; (adv.), sljochtwei(hinne), sljochthinne, sljocht hinne en wer, bleat.

1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Eenvoudig

bn. bw. (-er, -st), I. bn., 1. niet samengesteld of ingewikkeld: dat is toch heel eenvoudig; eenvoudige vraagstukken; om de eenvoudige reden dat het er niet is; — dat is het eenvoudigste, het gemakkelijkste, het minst omslachtige; — een eenvoudige breuk, waarvan teller en noemer uit hele getallen best...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Eenvoudig

EENVOUDIG, bn. bw. (-er, -st), niet samengesteld: (w. g.) (spraakk.) een eenvoudige of enkelvoudige. volzin; — eene eenvoudige breuk, waarvan teller en noemer uit heele getallen bestaan; — ongekunsteld, natuurlijk: het eenvoudige is het kenmerk van het ware; — gewoon een eenvoudige boerenjongen: — eene eenvoudige familie,...

Lees verder
1870
2021-06-18
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Eenvoudig

Eenvoudig noemt men datgene, hetwelk weinig of in het geheel geene bestanddeelen heeft of zich tot het volstrekt noodzakelijke bepaalt. Eenvoudigheid des verstands staat ongeveer gelijk met onnoozelheid, doch eenvoudigheid van zeden is eene hoogst loffelijke eigenschap. Wie deze bezit, houdt zich verwijderd van de ijdelheden en dwaze vormen der wer...

Lees verder