Vlees betekenis & definitie

Alle vlees is als gras, de mens is vergankelijk.

Vlees wordt in bijbelse zin gebruikt voor de mens als wereldlijk, sterfelijk wezen, ook voor het (sterfelijke) menselijk lichaam. Het staat vaak tegenover geest (zie dat artikel). Alle vlees in alle vlees is als gras is dan zoveel als ‘alle mensen, al het volk’: ‘Hoor, iemand zegt: Roep. En de vraag klinkt: Wat zal ik roepen? -- Alle vlees is gras, en al zijn schoonheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de adem des HEREN daarover waait. Voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand’ (Jesaja 40:6-8, NBG-vertaling; de NBV heeft ‘mens’ in plaats van ‘vlees’). De vergelijking van mensen (of, zoals nog in de NBG-vertaling, vlees) met gras komt vaker voor in de bijbel en wordt in het moderne Nederlands nog maar zelden gebruikt. W.F. Hermans gebruikte deze gedachte in de volgende passage: ‘In de Bijbel kon je hier en daar trouwens ook al lezen dat we grassprietjes waren. Precies. Zo was het en alles wat er nog meer in de Bijbel stond en daar niet mee rijmde, stond er alleen maar in voor de domoren’ (Uit talloos veel miljoenen, 1989 (1981), p. 85).

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Jesaja 40:6. Alle vleesch is gras, ende alle sijne goedertierenheyt als een bloeme des velts.

Gebruiksvoorbeeld: Winkler kiest het gewone gras, dat per traditie staat voor ons leven (‘alle vlees is als gras’) en in dat opzicht onder¬scheidt hij zich als dichter dus van niemand. (Trouw, 27-7-1974)

Gebruiksvoorbeeld: [Bij een begrafenis:] De man van het Humanistische Verbond sprak nog enige woorden. Dat alle vlees als gras was, zei hij, maar dat de doden pas dood zijn als ze in niemands hart meer leven. (R. Peper, Een Spaans hondje, 1998, p. 25)

Het gaat hem naar den vleze, het gaat hem financieel zeer goed.

Als het iemand naar den vleze gaat dan is het aan hem te zien dat het hem in materieel opzicht -- financieel -- zeer voor de wind gaat. Deze uitdrukking komt niet rechtstreeks uit de bijbel, maar sluit aan bij het bijbelse gebruik van vlees. Een van de bijbelplaatsen die hier een rol heeft gespeeld is Romeinen 8:3-4, ‘God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest’ (NBG-vertaling; de NBV spreekt niet meer van ‘vlees’, maar van ‘mens’ en ‘natuur’). Naar het vlees betekent hier: ‘op wereldlijke wijze’.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Romeinen 8:3-4. [...] op dat die gherechticheyt vander wet geheischt, in ons veruult soude werden wi die nv niet na den vleesch en wandelen, maer na den geest.

Gebruiksvoorbeeld: En in Ieder pondje gaat door het mondje komt heel duidelijk tot uitdrukking dat het de Nederlander van nu naar den vleze gaat. (Onze Taal, 1991, nr. 5)

Gebruiksvoorbeeld: Het gaat Neways de laatste jaren naar den vleze. In 1993 verviervoudigde de winst tot 2,3 miljoen. Vorig jaar klom het bedrijfsresultaat scherp omhoog van 4,6 miljoen tot 7,2 miljoen gulden. (NRC, feb. 1995)

Vlees van iemands vlees, iemands eigen vlees, iemands naaste bloedverwant.

Vlees van mijn vlees komt uit Genesis 2:23, waar de eerste mens, als uit hem de eerste vrouw is gevormd, over haar zegt: ‘Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal “mannin” heten, omdat zij uit de man genomen is’ (NBG-vertaling; de NBV heeft ‘mijn eigen vlees’ in plaats van ‘vlees van mijn vlees’). Nu is de uitdrukking vooral nog van toepassing op de ouder-kind-relatie.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Genesis 2:23. Dat was een been van minen beenen, ende vleesch van minen vleesche.

Gebruiksvoorbeeld: Bauke slikt moeilijk, staart naar het stilleven van die handen op het geblokte kleedje voor hem. Deze jonge vrouw is vlees van zijn vlees. Zijn dochter... (J. Burgers-Drost, Als de liefde een kans krijgt, 1988, p. 160)

Gebruiksvoorbeeld: O dit vlees van mijn vlees, geest van mijn geest [de geliefde], / mijn vijanden, die met hun radar van kultuur / de onbevlekte elementen als met een vloek aanraken. (J.B. Charles, De gedichten tot 1963, 1963, p. 67)

Vlees worden, een lichaam krijgen, geboren worden, ontstaan; uit een idee tot realiteit worden. Bijna altijd als voltooid deelwoord.

Vleeswording, geboorte, vooral van Jezus gezegd.

Vleesgeworden, verpersoonlijkt; gerealiseerd.

Aan het begin van het Evangelie naar Johannes lezen we over Jezus, de Zoon van God (het Woord): ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid’ (Johannes 1:14, (NBG-vertaling; de NBV heeft ‘mijn eigen vlees’ in plaats van ‘vlees van mijn vlees’). Ook hier is vlees weer de aanduiding van het sterfelijke menselijke lichaam. Hierbij sluit vleesgeworden in de betekenis ‘verpersoonlijkt’ aan.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Johannes 1:14. Ende dat woort wert vleesch, ende woonde onder ons, ende wi sagen zijn heerlicheit als des eengeborenen soons vanden vader, vol genaden ende waerheit. (Statenvertaling (1637): Ende het Woort is vleesch geworden.)

Gebruiksvoorbeeld: Van Teylingen -- ‘niets is onwerkelijker dan het lichaam’ -- stierf op de dag van de vleeswording Gods, Kerstmis 1998. (Trouw, 31-12-1999, p.16)

Gebruiksvoorbeeld: Karine was het vleesgeworden besef van overbodigheid. (A.F.Th. van der Heijden, De sandwich. Een requiem, 1989, p. 74-75)

Gebruiksvoorbeeld: Maar zij zal zich van de domme houden. Ze zal zeggen: ‘Moet je zien! Ben ik niet je vleesgeworden droom, voddenraper Alex?’, net alsof ze nog altijd niet begrijpt dat hij vroeger alleen maar zo graag met oude lorren omzeulde om hun vader te ergeren. (R. Dorrestein, Een nacht om te vliegeren, 1987, p. 130)