Vlees
o. (vlezen), 1. spierweefsel, bep. van gewervelde dieren en van de mens, als samenhangende massa of als stof: vlees en beenderen ; het vlees van bijna alle hoefdieren is eetbaar; de kogel is in het vlees blijven steken; de nagel is in 't vlees gegroeid ; in ’t vlees snijden, door de huid heen ; dat p...