Verlosser betekenis & definitie

Verlosser, redder, bevrijder, aanduiding van God en (in hedendaagse opvatting vooral) van Jezus; (fig.) helper, redder van goddelijke allure.

Jezus wordt in het Nieuwe Testament (NBG- en andere vertalingen) gewoonlijk Heiland (zie aldaar) genoemd, maar een enkele maal ook de Verlosser. Vgl. Filippensen 3:20, 'Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten'. In het moderne Nederlands is het woord heel sterk met Jezus geassocieerd, en dan met die associatie van ‘goddelijke redder’ op mensen toegepast. Zie ook Jezus. De NBV gebruikt ‘redder’ in plaats van ‘verlosser’.

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 11969-71. Dit houd waent men ende ghen el. / Waest dar hi selue ane hinc. / Onse verlosere onse coninc. (Men is van mening dat het dit stuk hout, en geen ander, is waaraan Hij heeft gehangen, onze Verlosser, onze Koning.)

Gebruiksvoorbeeld: In een kokertje van stilte schreed ik het water in. Een kleine Johannes de Doper, al liet de verlosser zich nog lang niet zien. (H.M. van den Brink, Over het water, 1999 (1998), p. 19)

Gebruiksvoorbeeld: Cruijff zou tegen Engeland eerder hebben ingegrepen, veronderstel ik. Hij zou de naar succes hongerende Kluivert niet zo lang op de bank hebben gehouden. Daar staat tegenover dat de Verlosser de afgelopen jaren bij Barcelona enorme bokken heeft geschoten. (B. de Graaf, Daar sta je dan als koffiedikkijker, 1996, p. 102)

Gepubliceerd op 11-05-2017