Heiland betekenis & definitie

Heiland, een van de benamingen van Jezus; (fig.) iemand die zich als redder opwerpt.

Letterlijk betekent heiland ‘genezer’; het is waarschijnlijk onder Duitse invloed door de Statenvertalers ingevoerd als benaming voor de verhoopte verlosser genoemd in het bijbelboek Psalmen en in de profetische boeken. Hoewel nu bekend als naam voor Jezus, komt het woord in de Statenvertaling (1637) aanvankelijk in het Nieuwe Testament, dat Zaligmaker gebruikt, niet voor; het is daar door latere vertalingen geïntroduceerd. Het figuurlijke gebruik vinden we nu vooral in literaire teksten. Zie ook Jezus.

Bijbelcitaat: Deux-Aesbijbel (1562), Jesaja 60:16. Op dat du onderuindest, dat ick de Heere ben, dijn Heylandt, ende ick de Machtighe in Jacob, ben dijn Verlosser.

Gebruiksvoorbeeld: Hun heiland heet Judas Iskariot. (G. Komrij, Alle gedichten tot gisteren, 1994 (Helena’s stopwatch, 1981), p. 296)

Gebruiksvoorbeeld: Ik geloof dat 1 op de 2000 Nederlandser MS krijgt. Het is natuurlijk pech als je die ene bent, maar ik vond meteen al dat de andere 1999 mij dankbaar moesten zijn dat zij het niet waren. Statistisch was ik goed beschouwd hun Heiland, ik nam voor 1999 mensen de rol van MS-patiënt op mij. (R. Rubinstein, Nee heb je, 1986 (1985), p. 24)

Gepubliceerd op 11-05-2017