Serafijn betekenis & definitie

Serafijn, engel van de hoogste rang, die in Gods nabijheid lofliederen zingt; (fig.) persoon die op een engel lijkt.

De profeet Jesaja zag God op zijn troon zitten; hij schrijft daarover: ‘Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen’ (Jesaja 6:2, NBV). Naast seraf komt ook serafijn voor; gewoonlijk gebruikt men serafijn. Deze vorm komt uit het Middeleeuws-Latijnse seraphinus, uit Hebreeuws serâphîm, de meervoudsvorm. Zie ook Cherubijn.

Op afbeeldingen uit de religieuze kunst is de serafijn te herkennen aan zijn zes vleugels; een cherubijn had er vier en een ‘gewone’ engel twee.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Jesaja 6:2. Seraphim stonden bouen hem. (Ook de andere oude drukken hebben seraphim of seraphims; de moderne vertalingen hebben gewoonlijk serafs.)

Gebruiksvoorbeeld: Daar zat ze te lachen en te stralen en intens gelukkig te zijn. Zo’n communicantje is als een kleine serafijn in uw huiskamer. (T. Kortooms, Mijn kinderen eten turf, 1967 (1959), p. 32)

Gebruiksvoorbeeld: [In een boekbespreking:] Naar de rust van de hemel, zoals een van hen zegt, met het zachte geritsel van cherubijnen en serafijnen. (NRC, apr. 1995)

Gepubliceerd op 11-05-2017