Priester betekenis & definitie

Priester, functionaris die belast is met het opdragen van de eredienst; in de katholieke kerk iemand die tot priester is gewijd.

Priesterlijk, als een priester; (fig.) zorgzaam.

In het Oude Testament worden heel wat priesters genoemd, mannen die onder meer zorgdroegen voor de tempeldienst. Zie bijvoorbeeld Genesis 14:18, ‘En Melchisedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste’ (NBV). Het woord is vanuit het jodendom overgenomen voor de katholieke functie van priester, en wordt in het hedendaags Nederlands ook gebruikt voor vergelijkbare functionarissen in andere religies.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Genesis 14:18. Mer Melchizedec de coninc van Salem bracht broot ende wijn voort. Ende hi was een priester Gods des alderhoochsten.

Gebruiksvoorbeeld:M.B.M. heeft van de politie de bijnaam ‘bandiet’ gekregen: een woordspeling op zijn functie van pandit, hindoestaanse priester. (NRC, mei 1994)

Gebruiksvoorbeeld: De vrouwelijke priester komt er niet, en van die leer wordt niet afgeweken, aldus de paus. (Journaal, juli 1994)

Gebruiksvoorbeeld: Ze loopt nog met d’r gieter rond; een echte plantenpriester. (Gehoord, jaren ’90)

Gepubliceerd op 11-05-2017