Koning betekenis & definitie

De drie koningen, de geleerden die Jezus kort na zijn geboorte bezochten, voorgesteld als koningen, genoemd in verband met hun feestdag en de folklore daarbij, en als figuren in het kerstverhaal of in verwijzingen daarnaar.

De Wijzen uit het Oosten, de drie Perzische geleerden uit het kerstverhaal, werden in de loop van de Middeleeuwen als koningen voorgesteld. Waarschijnlijk is dat mede gebeurd op basis van Psalmen 72:9-11, eigenlijk een gebed voor de koning: ‘Laten de woestijnbewoners voor hem buigen, / zijn vijanden het stof van zijn voeten likken. / De koningen van Tarsis en de kustlanden, / laten zij hem een geschenk brengen. / Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem, / alle volken hem dienstbaar zijn’ (NBV). Als drie koningen zijn deze bijbelse figuren, genaamd Caspar, Melchior en Baltasar, bekend geworden door hun feestdag op 6 januari en de folklore daaromheen. Zie ook Wijze.

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 21352-58. Matheus seghet sonder saghe. / Dat in den .xiii.den daghe. / Van orienten .iii. coninghe quamen. / Te iherusalem te samen. / Ende vragheden openbare. / Waer der iueden coninc ware. / Die niewinghe ware gheboren. (Matteüs vertelt naar waarheid dat op de dertiende dag drie koningen gezamenlijk uit het oosten naar Jeruzalem kwamen, en openlijk vroegen waar de koning der joden was, die kort geleden was geboren.)

Gebruiksvoorbeeld: Haar vervoermiddel is een bezemsteel. Daarmee vliegt ze door de lucht met een grote zak vol lekkers en vol speelgoed, om net als de drie koningen haar geschenken naar het kindje Jezus te brengen. (NRC, jan. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: Wanneer op een kerstavond drie Amerikanen (de drie koningen?) bij de kapelaan binnenstappen. (Leeuwarder Courant, 10-2-1973)

Gebruiksvoorbeeld: Op de feestdag van Drie Koningen was degene die de boon in het eten had aangetroffen, de baas. (De Limburger, 24-12-1986)

Gepubliceerd op 11-05-2017