Prediker betekenis & definitie

Prediker, auteur van het oudtestamentische bijbelboek met dezelfde naam; (fig.) iemand die zijn overtuiging verkondigt.

Prediker van, pleitbezorger, propagandist van.

Het boek Prediker is het bijbelboek dat in oudere vertalingen begon met de overbekende woorden ‘IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid!’ (Prediker 1:2, NBG-vertaling). Zie ook IJdelheid. De auteur ervan is vaak (waarschijnlijk onterecht) gelijkgesteld met koning Salomo. ‘In oudere vertalingen van het Nieuwe Testament (in de NBV komt het woord daar niet meer voor)’ is een prediker een verkondiger van het evangelie. In het hedendaags Nederlands is die betekenis nog zeer gangbaar, maar daarbij wordt het woord gebruikt voor niet-geestelijken die een bepaalde mening op gedreven wijze verkondigen. Voor het werkwoord prediken of preken geldt hetzelfde.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Prediker 1:1. Dit sijn die woirden des predikers des soons Dauids des conincs te Jerusalem.

Gebruiksvoorbeeld: ‘De maalsters zullen stilstaan,’ mompelt Hubèrt. ‘Wat zeg je nou weer?’ ‘Vergeef me, lieve José, de Prediker welt me naar de mond, ik kan het niet laten.’ (J. Terlouw, De derde kamer, 1978, p. 67)

Gebruiksvoorbeeld: Ik ken hem als een ijverige ondernemer, niet als prediker van matigheid. (NRC, juli 1994)

Gebruiksvoorbeeld: Hij is prediker van de ‘digitale revolutie’. (NRC, sept. 1994)

Gepubliceerd op 11-05-2017