Jozef betekenis & definitie

Jozef, op één na jongste zoon van Jakob, de latere onderkoning van Egypte; man van Maria, de moeder van Jezus.

Jozef, de dromer, iemand met veel fantasie, dromerig persoon.

Jozef, de zoon van Jakob en zijn lieveling, vertelde zijn broers vaak over zijn dromen. Hij legde die zo uit, dat zijn superioriteit duidelijk naar voren kwam: ‘Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. “Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd,” zei hij. “We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor”’ (Genesis 37:5-7, NBV). Hij maakte zich er duidelijk niet geliefd door en zijn broers verkochten hem aan handelaars die hem naar Egypte voerden. Later werd Jozef onderkoning van Egypte en kon hij als weldoener voor zijn broers optreden.

Bijbelcitaat:Rijmbijbel (1271), v. 2770-2776, 2783-84. Tvalef iaer eer ysaac starf. / Ende eer rachel verdarf. / So waest dat men ioseph vercochte. / Nv hord hoe ment dar toe brochte. / Sine broedre hatene allegader. / Om dat hi van den vader. / Lieuer was dan haer ne gheen. [...] / Maer daer die meeste nijt af spranc. / Dat was van dromen die hi sach. (Twaalf jaar voordat Isaak stierf, en eer Rachel het leven liet, verkocht men Jozef. Luister, hoe het zover kwam. Zijn broeders haatten hem allemaal, omdat hij zijn vader liever was dan een van hen. [...] Maar waar de meeste haat uit voortkwam, waren de dromen die hij had.)

Gebruiksvoorbeeld: Zelfs Thomas zwoer bij het landbouwersbestaan. Hij was zo’n beetje de Joseph van de zeven, de dromer. Die maakte versjes in een groot dik schrift. (T. Kortooms, Het zwarte goud, z.j. (1962), p. 26)

Een kuise Jozef, een puriteins persoon.

Aan deze uitdrukking ligt een verleidingsgeschiedenis ten grondslag die zich afspeelt na Jozefs vertrek naar Egypte. Eenmaal in dat land verwerft Jozef zich een behoorlijke positie en hij komt te wonen in het huis van de hoveling Potifar. Hij draagt volledig de zorg voor diens bezittingen en bedrijf. ‘Jozef was knap en aantrekkelijk. Na verloop van tijd liet de vrouw van zijn meester haar oog op hem vallen. “Kom bij me liggen,” zei ze. Maar dat weigerde hij. “Sinds ik hier ben,” zei hij, “maakt mijn meester zich geen zorgen meer over wat dan ook hier in huis, en hij heeft mij het beheer gegeven over al zijn bezittingen. Ik heb hier evenveel gezag als hij, en hij heeft mij niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?” Dag in dag uit probeerde ze Jozef over te halen, maar hij gaf niet toe, hij wilde niet bij haar gaan liggen’ (Genesis 39:6-10, NBV). Uit woede beschuldigt Potifars vrouw Jozef bij haar man van ongepaste toenaderingen en deze gelooft haar. Jozefs kuisheid komt hem op gevangenisstraf te staan.

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 2910-21. Futifer daer na beval. / Joseph sine rikeit al. / Hine at anders niet dane broet. / Sine sconeit was so groet. / Dattene verminde sijns heren wijf. / Dat hadde hem na ghecost sijn lijf. / Al soene gheurien niet ne conde. / Trac so hem of teere stonde. / Sinen mantel dar hi bi hare was. / Ende claghede haren manne das. / Dat hi hare wilde doen ghewelt. (Potifar gaf Jozef daarna al zijn bezittingen in beheer. Hij at niets anders dan brood. Hij was zo knap van uiterlijk, dat de vrouw van zijn heer verliefd op hem werd. Dat had hem bijna het leven gekost: toen zij hem niet kon verleiden, trok zij hem op een keer, toe hij bij haar was, zijn mantel af, en klaagde er bij haar man over dat Jozef haar aan wilde randen.)

Gebruiksvoorbeeld: Tòch al een weinig van de kook, nam ik mijn toevlucht tot de ruwheid, die mijn afwezige meester mij had aanbevolen. Ruw? Gemeen en liederlijk. Ik, de noodhelper van A, de kuise Josef in dat gezin. (S. Vestdijk, De dokter en het lichte meisje, 1980 (1951), p. 18)

Gebruiksvoorbeeld: De Kuise Josef is voor alle zogenaamd rechtgeaarde mannen een ietwat belachelijke figuur, maar ik begreep zijn reactie volkomen, al stond mijn betrekking niet op het spel; en, had ik toegegeven, dan zou mijn Pharaoh Laureys van niets hebben geweten. (M. Gijsen, Lucinda en de lotoseter, 1968 (1958), p. 78)

De ware Jozef, de ideale en uiteindelijk enig gewenste geliefde.

In deze uitdrukking is Jozef de man van Maria, en zij is mogelijk ontleend aan een Marialegende waarin een bloeiende tak de man aanwijst die voor Maria bestemd is. De uitdrukking is nu minder bekend dan de variant met Jakob (zie aldaar). Overigens vermeldt het WNT ook een ware Adam en een ware Daniël in dezelfde betekenis.

Bijbelcitaat:Rijmbijbel (1271), v. 21150-55. Als maria in nazareth./ Comen was van elizabeth. / Quam haer brudegoem daer. / Joseph ende vernam voer waer. / Dat die maghet was met kinde. / Het was hem leet want hise minde. (Toen Maria uit Nazaret, van Elisabet, teruggekomen was, kwam haar bruidegom Jozef daar, en hij hoorde dat zij, de maagd, zwanger was. Dat deed hem verdriet, want hij hield van haar.)

Gebruiksvoorbeeld: Dit meisje krijgt eveneens te maken met een liefde die ze niet kan beantwoorden en aan het eind, ze is dan al weer thuis, komt bij de dood van haar vader de ware Jozef opdagen. (NRC, 20-7-1973)

Gebruiksvoorbeeld: Maar zij waren zo lomp. En ze stonken naar zweet. En zij wilden allemaal hetzelfde...Dat wilde Hermien ook wel, als de ware Jozef zou komen, maar zij droomde daarbij van een echte `meneer', die witte boorden droeg en een hoed op zijn hoofd. (A. van der Lugt, De afrekening, 1991, p. 29)

Gepubliceerd op 11-05-2017