Jubeljaar betekenis & definitie

Jubeljaar, binnen de joodse wetgeving: elk vijftigste jaar, waarin een algehele verzoening plaatsvond, schuld werd kwijtgescholden en slaven in vrijheid gesteld; in de rooms-katholieke kerk: elk vijfentwintigste of vijftigste jaar waarin men volledige aflaat kan krijgen en waarin bepaalde feestelijkheden plaatsvinden, recentelijk, ook in andere kerken, verzoeningsjaar; in het algemeen: voorspoedig, vreugdevol jaar.

Het joodse jubeljaar werd gevierd na ‘zeven sabbatsjaren, na zeven maal zeven jaar, wanneer er negenenveertig jaren verstreken zijn’ (Leviticus 25:8, NBV), en bedoelde, nog meer dan die sabbatsjaren, de oorspronkelijke staat van economie en maatschappij terug te brengen. ‘Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren’ (Leviticus 25:10, NBV). Al door de Latijnse Vulgaatvertaling werd het Hebreeuwse woord voor ‘(rams)hoorn’ waarmee deze periode afgekondigd wordt, yobêl, in verband gebracht met jubilus en jubilare en werd de term uitgelegd als ‘jaar van vreugde’. Het woord is heel verschillend vertaald. De Liesveldtbijbel heeft gulden iaer, de Deux-Aesbijbel luytiaer, naar het werkwoord luiden ‘klinken’. De Leuvense Bijbel sluit bij het Latijn aan met iubileus iaer.

Sinds de Middeleeuwen wordt naar dit voorbeeld het kerkelijk jubeljaar gevierd. De intervallen zijn enkele keren gewijzigd. Zie ook Jaar, Sabbat, Zeven.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Leviticus 25:11. Dit Jubel-jaer sal u het vijftichste jaer zijn.

Gebruiksvoorbeeld: Protestanten én katholieken hebben het jaar 2000 tot jubeljaar uitgeroepen. Maar in de kerstpreken vanavond wordt ook vermaand. (NRC, 24-12-1999, p. 3)

Gebruiksvoorbeeld: Mijn generatie is nog niet dood, nog niet aan het eind van z’n mogelijkheden. Toen Duitsland in 1990 wereldkampioen voetbal werd, in datzelfde jubeljaar, was ik pas echt somber. Dat was teveel weelde, teveel geluk, teveel overmoedige vreugde. (NRC, juli 1994)

Gepubliceerd op 11-05-2017