Herder betekenis & definitie

Herder, leider in geestelijke zaken, vooral in toepassing op predikanten in de protestants-christelijke kerk.

Zielenherder, geestelijk leider, pastoor of predikant.

Het beeld van God als herder van de gelovigen als kudde schapen is in het Oude Testament wel het bekendst uit het eerste vers van Psalmen 23: ‘De HEER is mijn herder, / het ontbreekt mij aan niets’ (NBV). Ook Jezus noemt zich graag de herder van zijn schapen, zie bijvoorbeeld zijn woorden in het evangelie van Johannes: ‘Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen’ (Johannes 10:11, NBV). In protestantse kringen wordt wel over de predikant gesproken als over de herder en leraar, waarmee respectievelijk de zorgende en de onderrichtende kant van de functie worden benadrukt. Zie ook Pastoor, pastor.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 23:1. Die HERE es mijn heerder, my en sal niet gebreken. (Statenvertaling (1637): herder.)

Gebruiksvoorbeeld: De zendingspredikanten worden tot de bediening van het Evangelie toegelaten op gelijke wijze, als is bepaald voor de herders en leraars der Kerk in Nederland. (Kerkorde N.H.K., Orde 4, 1956, a.13; WNT, Aanvullingen)

Gebruiksvoorbeeld: Dominee Rietveld, die een ware herder voor zijn gemeente was, was zeer duidelijk in zijn prediking tegen de Duitsers. (Erf Goed Nieuws 7, dec. 1999, p. 13.)

Gebruiksvoorbeeld: Pastoor Pander, een korte, stevige, grof gebouwde zielenherder. (T. Kortooms, Het zwarte goud, z.j. (1962), p. 17)

Gepubliceerd op 11-05-2017