Henoch betekenis & definitie

Als Henoch wandelen met God, vroom zijn, vertrouwelijk met God omgaan.

Henoch is een van de stamvaders van voor de zondvloed. Hij werd zeer oud, zij het niet zo oud als zijn zoon Metuselach (zie Metusalem), en leefde in nauwe omgang met God (zie ook Wandelen). ‘Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen’ (Genesis 5:23-24, NGB-vertaling; de NBV kent dit gebruik van wandelen niet meer). Henoch wordt in literaire taal nog genoemd als de man die met God wandelde, maar ook de bijzondere dood van Henoch speelt in enkele citaten een rol.

Bijbelcitaat: Leuvense Bijbel (1548), Genesis 5:23. Ende alle die dagen van Henoch sijn gheworden drijhondert vijf ende tsestich iaren, ende hi heeft met gode ghewandelt ende hy en es niet meer gesien gheweest, want Godt heeft hem ghehaelt.

Gebruiksvoorbeeld: Wat houd ik eigenlijk van die man, denkt hij. En hij heeft het altijd onmogelijk voor me gemaakt om het te laten merken. Misschien zal hij als Henoch wandelen met God en er ineens niet meer zijn. (J. Wolkers, Een roos van vlees, 1981 (1963), p. 61)

Gebruiksvoorbeeld: [Een verhaal waarin de kleine Maarten] helemaal naar zijn vader in de verre polder wandelt, bevreesd dat God net als Henoch met hem mee zal wandelen en hem zal nemen. (Haagse Post, 29-9-1979)

Gebruiksvoorbeeld: Quinten vertoont gelijkenis met nog meer joodse en bijbelse figuren. Zo vergelijkt in Rome een bibliotekaresse Quinten met Johannes de Doper. Iemand anders vergelijkt hem met Henoch, de man die wandelde met God. (De Standaard, nov. 1995)

Gepubliceerd op 11-05-2017