Pastoor betekenis & definitie

Pastoor, pastor, zielzorgend priester, geestelijk hoofd van een rooms-katholieke, ook wel protestantse kerkelijke gemeente; zielenherder.

De woorden pastor en pastoor zijn afgeleid uit Latijn pastor, dat ‘herder’ betekent (zie ook Herder). Hierin wordt de geestelijke zorg die de pasto(o)r voor zijn ‘kudde’, de gelovigen uit zijn gemeente, beeldend uitgedrukt. Het beeld van de voor zijn schapen zorgende herder is door de gehele bijbel door te vinden, zie bijvoorbeeld Ezechiël 34:12, ‘Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal ik naar mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken’ (NBV). En in het Nieuwe Testament: ‘Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder’ (Matteüs 9:36, NBV).

Gebruiksvoorbeeld: ‘Weet ge wat,’ zei pastoor Pander, ‘nou ik toch hier ben, zal ik wel voorbidden, als ik dat mag.’ (T. Kortooms, Het zwarte goud, z.j. (1962), p. 169)

Gebruiksvoorbeeld: Paul van Geest, 35 jaar, Nederlands gestudeerd in Leiden, daarna theologie in Rome en in Utrecht (KTU), rooms-katholiek. Is part-time pastor in Rotterdam-Ommoord en tevens verbonden aan de KTU voor colleges spiritualiteit. (Trouw, 30-12-1999, p. 16)

Gebruiksvoorbeeld: De bisschop van Den Bosch verbood nog niet zo lang geleden zijn pastoors om kinderen op openbare scholen voor te bereiden op de communie. (Trouw, 30-12-1999, p. 9)

Gepubliceerd op 11-05-2017