Geloven betekenis & definitie

Zij die geloven, haasten (zich) niet, wie van iets overtuigd is hoeft geen bijzondere haast te maken of inspanningen te verrichten terwille van die zaak. Vaak ironisch.

Deze uitdrukking is bekend in meervoudige vorm; de bijbeltekst in Jesaja 28:16 die eraan ten grondslag ligt heeft in de bekende vertalingen een enkelvoudig onderwerp: ‘Hij die gelooft’, of ‘Wie gelooft’. De NBV heeft ook voor ‘haast niet’ een heel andere formulering Deze uitspraak wordt gedaan door de God van Israël uit de mond van de profeet Jesaja, ten besluite van een profetie van de stichting van Gods rijk, waarvoor deze een vast fundament zal leggen. Zij wil waarschijnlijk zoveel zeggen als: ‘Al duurt het lang, men kan erop vertrouwen dat dit rijk werkelijkheid zal worden’. Haasten moet hier namelijk in de verouderde betekenis ‘ongeduldig zijn’ worden opgevat. De omkering in het volgende citaat komt geheel voor rekening van de ‘onthaasters’, kardinaal Simonis en filosoof Derkse, sprekend over de 24-uurseconomie: ‘Zij die haasten, geloven niet’ (Kop in NRC, 11-4-1998, p. 18).

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Jesaja 28:16. Die ghelooft en sal niet haesten.

Gebruiksvoorbeeld: ‘Morgen meneertje!’ Welk een balsem! Men is hier jenseits von Gut und Böse, in de nephemel voor hen die geloven, maar tóch haasten. (S. Carmiggelt, Kroeglopen, 1962, p. 41)

Gebruiksvoorbeeld: [Tijdens een bergwandeling:] ‘Als je aan euthanasie denkt, zou ik je hier zo van het randje kunnen duwen.’ ‘Ik zal eraan denken.’ ‘Maar het hoeft niet meteen hoor, want je weet: zij die geloven haasten zich niet.’ (Gehoord, jaren ’90)

Gepubliceerd op 11-05-2017