Geloof betekenis & definitie

Geloof, hoop en liefde, de drie christelijke of goddelijke deugden; ook genoemd als cruciale deugden buiten de christelijke context.

In de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs komt zijn bekende lyrische lofrede op de liefde voor. Deze eindigt met de woorden: ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde’ (1 Korintiërs 13:13, NBV). Op deze trits wordt gevarieerd in bijvoorbeeld Geloof, dood en liefde. Titel van een reeks interviews over deze thema’s door Frenk van der Linden in NRC Handelsblad (eind jaren ’90). De deugden worden wel gesymboliseerd door resp. een kruis, anker en hart; deze symbolen zijn niet aan de bijbel ontleend.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), 1 Korintiërs 13:13. Nu blijft gelooue, hope, liefde, dese drie, maer die liefde is de grootste onder desen.

Gebruiksvoorbeeld: In deze geest wil dan dit boek iets als een venster openen op Maerlants wereld. Het is vervaardigd in de werkplaats van de wetenschap, maar heeft als achterliggende drijfveer een liefde die au fond niet zoveel afwijkt van die van de bevlogen negen¬tiende-eeuwse gravers naar Jacob van Maerlants resten -- een liefde die hier hand in hand gaat met geloof en hoop om zoal niet de schoonheid, dan toch in elk geval de rijkdom van Maerlants werk en wereld tot hun recht te laten komen. (F. van Oostrom, Maerlants wereld, 1996, p. 15-16)

Gebruiksvoorbeeld: De opmerkingen die ik vanmiddag te maken heb, liggen op drie terreinen: de omroep, het HOOP en de cultuur. Als ik dat zo zeg, realiseer ik mij dat het lijkt op een andere, nog bekendere trits: geloof, hoop en liefde. En de meeste van deze -- dat is de conclusie -- is de

cultuur en daar wil ik mee beginnen. (Tweede Kamer, nov. 1995)

Gepubliceerd op 11-05-2017