Dak betekenis & definitie

Van de daken schreeuwen, roepen, ook: prediken, verkondigen, met luide stem, met alle middelen aan iedereen bekend maken; vertellen aan ieder die het horen wil.

Zowel Matteüs als Lucas citeren Jezus als hij de discipelen oproept hun overtuiging niet alleen onder elkaar te bespreken maar aan iedereen te verkondigen: ‘Wat gij aan het oor gezegd hebt, in de binnenkamer, zal van de daken gepredikt worden’ (Lucas 12:3 in de NBG-vertaling; de NBV heeft hier ‘vanaf de daken bekend gemaakt worden’). Hier moeten we denken aan de oosterse platte daken, waar men gemakkelijk op kon staan. Als werkwoord hoort men nog wel prediken en verkondigen in aansluiting op de oorspronkelijke tekst; het gaat dan om een overtuiging. Nu zijn roepen en vooral schreeuwen bekender en kan het object ook een nieuwtje zijn. Het op de daken is in de omgangstaal en in jongere vertalingen als de Canisiusvertaling (1929-1939) en de NBG-vertaling (1951) vervangen door van de daken.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Lucas 12:3. Wat ghi hebt ghesproken int oor in die camer, dat salmen op dye daken prediken.

Gebruiksvoorbeeld: Maar Fons Nijpels wil het van de daken schreeuwen. ‘Uit die fluwelen handschoenen! Oorlog! Er moet oorlog worden gevoerd tegen de tabaksindustrie’. (Trouw, 7-4-1999, p. 15)

Gebruiksvoorbeeld: Na de eerste poging met de Alisun zei ik meteen dat ik ooit nog eens zo’n reis zou maken. Nu ben ik wat voorzichtiger, roep niet van de daken dat ik het nog een keer ga doen [zekere langdurige zeiltocht]. (Waterkampioen, 1993, nr. 12)

Gebruiksvoorbeeld: Ik doel hier op individuelen en spreekbuizen van doelgroepen die het ‘well-done’ vinden om hoog van de daken te verkondigen dat een ieder moet bezuinigen, inkrimpen, inleveren behalve zijzelf. (Liberaal Reveil, 1992, nr. 4)

Gepubliceerd op 11-05-2017