Appel betekenis & definitie

Appel, vrucht die Adam en Eva tot zonde verleidde; (fig.) vrucht die genoemd wordt in verband met verleiding en verlies van onschuld.

In het paradijsverhaal speelt de vrucht die Adam en Eva in weerwil van het gebod van God toch eten, een cruciale rol (zie ook Verboden vrucht en Zondeval). Deze vrucht wordt in de bijbelvertalingen niet als appel aangeduid. Toch was dit buiten de bijbelvertalingen vanouds de naam van de paradijsvrucht, immers de oudere betekenis van appel was ruimer, namelijk ‘ronde, vlezige vrucht’. Nog steeds wordt de appel, een van de populairste stukjes fruit, genoemd als de vrucht waardoor ooit de zonde in de wereld kwam.

Gebruiksvoorbeeld: Het aardige is dat Denen dat ook vinden, tenminste het soort dat ik voornamelijk tegenkom in bibliotheken en universiteiten. Ze voelen zich allereerst Scandinaviër, vervallen in Gods toorn omdat zij als enigen in de Europese appel gebeten hebben. (H. Pleij, Het Nederlandse onbehagen, 1991, p. 40)

Gebruiksvoorbeeld: Voor de finale zelf moet Bram Appel [een voetballer] op audiëntie bij de paus. [...] De kans, dat deze het kaartje accepteert, acht ik klein, doch geenszins uitgesloten. De ellende is met een appel begonnen, laten we er ook roemvol mee ten onder gaan. (G. Bomans, Adviezen van een oude rot & ander sportief proza, 1988, p. 73)

Gepubliceerd op 11-05-2017