Wat is de betekenis van pijp?

2022
2023-02-05
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

pijp

1) (17e eeuw) (mar.) (meestal verkleinwoord) klein bierflesje: 'een kouwe pijp drinken'. • Pijp. Eigenlijk een pijp bier of, zooals het tegenwoordig gezegd wordt: een koud pijpje. In het dagboek van Gerrit de Veer, die deel uitmaakte van de groep manschappen, die met Heemskerck en Barents op Nova Zembla (in 1596—'97) overwinterde, staat...

Lees verder
2018
2023-02-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

pijp

pijp - zelfstandig naamwoord 1. langwerpige ronde koker ♢ de pijp van de kachel is verstopt 2. deel van de broek waar je been in moet ♢ de pijpen van die broek zijn te kort 3. ...

Lees verder
2017
2023-02-05
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Pijp

Pijp - (mar.) fles: een pijpje bier. Thans ruimer en buiten zeemanskringen verspreid.

1981
2023-02-05
Zuidnederlands Woordenboek

Schrijver op Ensie

pijp

In enkele uitdr. die in de standaardt. niet voorkomen: geen pijp tabak waard zijn, geen knip voor de neus waard zijn; ook in toep. op iemands lichamelijke toestand: niet gezond zijn; - de pijp uit zijn, weg, op stap, verdwenen zijn; ook: dood, gestorven zijn; - naar iemands...

Lees verder
1981
2023-02-05
Geschiedenis Lexicon

H.W.J. Volmuller (1981)

PIJP

→ Parti pour la Liberté et le Progrès.

1979
2023-02-05
drank

Wijn & drank encyclopedie

Pijp

Een groot ovaal vat met wisselende inhoudsmaat al naar gelang het land, de streek of de inhoud. Het wordt vooral gebruikt voor Port. Hier volgen de meest gangbare inhoudsmaten van de pijpen:Madera: 4181. Marsala: 4231. Wijn: 477 1. Port en Tarragona: 523 1. Lissabon: 532 1. Douro-pijp: 600 1.; Lodge-pijp: 5501.

Lees verder
1977
2023-02-05
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

pijp

pijp - mann. lid; eig. ‘buisvormig voorwerp’ (ygl.fluit). Elc kappaert (= monnik. V.) een kapproentgen (= voorhuid. H.) heeft vooraen zijn pijp, Of t most hem afgecapt zyn naer de jootsche wet, J. van hout in Tijdschr. 35, 302 [1599]. Op de Ton-kruipery geschreven, ’t Was Leonora van (der) M(eyden) Die om de Pyp niet langer konde...

Lees verder
1973
2023-02-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

pijp

v./m. (-en), 1. (vero.) fluit, uit riet gemaakte herdersfluit; metalen of houten fluit; 2. (orgel) elk van de buizen waardoor de tonen worden voortgebracht; 3. holle ronde buis, m.n. bestemd om er vloeistoffen of gassen door te laten gaan: de pijp van een goot, waardoor het water afgevoerd wordt; schoorsteen: een schip met drie pijpen; 4. wat op ee...

Lees verder
1958
2023-02-05
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

PIJP

Gewone naam voor stenen boogbrug over vaarwater en stadsbinnengrachten; zo de Nijehuister-P. over de Peasens N. van Dokkum, de Amelands-P. te Lwd. zie Brug.

1952
2023-02-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Pijp

s., piip, pipe; Goudse —, lange piip, kalken piip; Duitse —, poeperoer (it); — met slap mondstuk, sloppe piip, slophier (it), slopke (it); korte aarden —, kalkeneintsje (it), smeugeltsje (it), stommeltsje (it), burdbaernderke (it); eenstoppen, piipstopje; een &...

Lees verder
1950
2023-02-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Pijp

v. (-en), 1. rietfluit, herdersfluit uit riet gemaakt; — metalen of houten fluit; (spr.) naar iemands pijpen dansen (oorspr. is dit het ww. pijpen), alles doen wat hij begeert; 2. als deel van een orgel: elk der buizen waardoor de tonen worden voortgebracht; 3. holle ronde buis, inz. bestemd om er vloeistoffen of gassen door t...

Lees verder
1949
2023-02-05
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Pijp

(buis), hol lichaam, gebruikt voor transport van vloeistoffen, gassen en dampen. Afhankelijk van haar bestemming worden P. vervaardigd van gietijzer, smeedijzer of staal, koper, brons, messing, lood, aluminium, asbestcement, enz.

1939
2023-02-05
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Pijp

Speen voor mannen. — Heethoofd.

Lees verder
1937
2023-02-05
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

pijp

v. pijpen (Lat. pipare = piepen: 1 muziekinstrument, dat door het blazen van lucht door een holle buis met openingen, tonen voortbrengt; fluit, vero. of gew.; orgelpijp; 2 holle, ronde buis inz. bestemd om vloeistoffen of gassen door te laten; 3 buisvormig voorwerp; 4 doorgang of gat, dat op een buis gelijkt; 5 bij verg. met een buis in verschillen...

Lees verder
1930
2023-02-05
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Pijp

v. (-en; -je) [Mlat. pipa < pipare, piepen] I. Eig. 1. Veroud. fluit: met - en trom; naar iemands -(en) dansen, alles doen wat de ander begeert. 2. Uitbr. fluitvormige buis, waardoor de tonen bij een orgel worden voortgebracht : door middel van blaasbalgen wordt de saamgeperste lucht langs houden kanalen gevoerd en tot de -en van het orgel toege...

Lees verder
1916
2023-02-05
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Pijp

Langwerpig smal vat voor wijn en olie, vooral in Spanje en Portugal. In Engeland : 1 pipe = 126 gallons = 572 L. In Spanje : 1 pijp = van 433 tot 482 L. In Portugal: 1 pijp = van 468 tot 532 L.

Lees verder
1916
2023-02-05
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Pijp

Pijp, - 1) lang smal vat, waarin vooral uit Spanje en Portugal wijn en olie verzonden wordt, zie ook PIPE. 2) zie DIATREMA.

Lees verder
1864
2023-02-05
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Pijp

Pijp, v. (-en), buis (van hout, aarde, metaal enz.), cylinder; fluit; staaf; been; steel met kop (tot tabak rooken); eene - (langwerpig stuk) lak; de - eener broek (dat gedeelte waarin het been zit); de - van een orgel; - eener goot; - eener brandspuit; eene - stoppen (vullen met tabak); (fig.) naar iemands -en (fluit) dansen, alles doen wat hij be...

Lees verder