Wat is de betekenis van Pijpen?

2020
2022-05-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

pijpen

1) (1960+) (inf.) fellatio beoefenen; een man een blowjob* geven. Een verouderde vorm is pijpeneren. In het Franse argot: faire une pipe. In Italië: pompare; in Duitsland: blasen. Onder scholieren bestond lange tijd de verwensing 'Ga je vader pijpen', hetgeen zoveel betekent als: ik minacht je. Nederlandse syn. voor fellatio zijn o.a.: afzuige...

Lees verder
2017
2022-05-16
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Pijpen

Pijpen - schieten. Deze nacht werd er op onze post gepijpt.

2000
2022-05-16
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Pijpen

Naar iemands pijpen dansen, alles doen wat iemand anders wil. Het woord pijpen in deze uitdrukking betekent ‘op de fluit spelen’ zodat de uitdrukking letterlijk betekent: ‘dansen op iemands fluitmuziek’. Een bijbelse herkomst is twijfelachtig; in de vorige eeuw werd het bijbels opgevat op basis van Lucas 7:32, ‘Ze lijken op kinderen die op het mark...

Lees verder
1997
2022-05-16
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

pijpen

Alleen onder scholieren vond ik de verwensing ga je vader pijpen! Aan de eigenlijke betekenis van pijpen ‘de penis in de mond nemen en stimuleren, afzuigen, zuigen’ denkt men niet meer. Daarvoor in de plaats gekomen is de emotionele betekenis ‘ik minacht je zo, je bent voor mij zo misvormd, dat je snel uit mijn omgeving moe...

Lees verder
1952
2022-05-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Pijpen

v., piipje.

1950
2022-05-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Pijpen

I. (peep, heeft gepepen), fluiten, op de fluit blazen: naar iemands pijpen dansen, iemands wil in ieder opzicht volgen; II. (pijpte, heeft gepijpt) 1. met een pijpschaar pijpen of plooien maken: kant pijpen; mutsen pijpen; 2. een pijp tabak roken.

Lees verder
1937
2022-05-16
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

pijpen

peep, h. gepepen (op een fluit spelen, blazen), vero.: zegsw. naar iemands pijpen dansen, d.i. dansen op de wijs, die een ander voorfluit, fig. alles moeten doen, wat iemands gril of luim hem ingeeft; Z.-N. een muts pijpen, de plooien leggen.

1916
2022-05-16
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Pijpen

Pijpen - (Goudsche of Hollandsche), de bekende witte steenen tabakspijpen; worden uit een vuurvaste aarde (pijpaarde) vervaardigd, die vooral gevonden werd bij Keulen, Luik en Namen ; nadat zij gevormd zijn, worden zij gebrand en ten laatste ingewreven met een mengsel, uit tragacantgom, was en zeep bestaande. Gouda heeft de grootste pijpenfabrieken...

Lees verder