Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

pijp

betekenis & definitie

pijp - zelfstandig naamwoord

1. langwerpige ronde koker
♢ de pijp van de kachel is verstopt
2. deel van de broek waar je been in moet
♢ de pijpen van die broek zijn te kort
3. voorwerp met steel en kop waar je tabak uit rookt
♢ hij stak zijn pijp aan
1. een zware pijp roken
[het zwaar te verduren hebben]
2. de pijp aan Maarten geven
[ermee ophouden]

Algemene uitdrukkingen:
1. naar zijn pijpen dansen
[doen wat hij zegt]
2. de pijp uit gaan
[sterven]
Zelfstandig naamwoord: pijp
de pijp
de pijpen
het pijpje

Synoniemen
buis