Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 21-03-2021

pijp

betekenis & definitie

1) (17e eeuw) (mar.) (meestal verkleinwoord) klein bierflesje: 'een kouwe pijp drinken'.

• Pijp. Eigenlijk een pijp bier of, zooals het tegenwoordig gezegd wordt: een koud pijpje. In het dagboek van Gerrit de Veer, die deel uitmaakte van de groep manschappen, die met Heemskerck en Barents op Nova Zembla (in 1596—'97) overwinterde, staat a.m. „Doen ordonneerde ende maeckte onse surgijn een bat om te stoven van een wijnpijp, daer ghingen wij d'eene voor d'ander nae altemet in ende vonden ons daer gantsch wel bij dattet grootelijckx streckte tot onse ghesontheyt". Een pijp was Coen (en enkele honderd jaren daarna nag) een vat. Wijn echter werd als scheepsdrank reeds in de 17e eeuw door bier vervangen. In den Franschen tijd schijnt de verstrekking van bier gestaakt te zijn en werd alleen water verstrekt. De waterstandaard, zij het in volmaakter vorm, is ook nu nog in gebruik. Koffie en (of) thee werd eerst omstreeks 1850 officieel aan tafel verstrekt. Het vat bier bleef een pijp bier, al was er aan boord dan ook moeilijk aan te komen. De invoering van de toko's aan boord en de, tegen kostprijs te verkrijgen flesschen export-bier, deed de naam „pijp - herleven, nu echter voor een fleschje bier. Het is dubbel lekker nu, omdat het „zoo uit de ijskast" te. verkrijgen is, althans zeker in Indie. Daar spreekt men aan boord dan ook altijd van „een kouwe pijp" drinken. Uit het citaat van Gerrit de Veer blijkt wel hoe oud deze, zij het dan ook overgenomen uitdrukking is. De oorsprong ligt bij de Portugeesche zeevaarders; de vaten waarin zij hun portwijn leverden heetten „pijp" en hadden een inhoud van 520 liter. (Albert Chambron: Marinetermen. 1941)
• Een pijp wijn, 300 fl. wijn (1860). (J.J.M. van Dam: 'Jantje Kaas en zijn jongens,' Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, 1942-1948)
• Ja, nou kan er weer es een koud pijpie pils af. (Piet Bakker: De slag in de Javazee. 1951)
• En toch kom jij hier niet voor een rustig pijpie pils.... (Piet Bakker: Kidnap. 1953)
• Pijp (mar) fles; een pijpje bier: flesje bier. (Elseviers Nederlands Woordenboek en Vreemde woordentolk. 1974)
• De andere marinier lag maar om een pijppie te zaniken. Nachten lang. Bier wilde die hebben en koud! (Jan Cremer: De Hunnen. 1983)
• Elke avond neemt hij drie pijpjes pils. (Wim Kayzer: Geen dag, geen nacht, maar ook geen schemering. 1986)
• Pijp. Koud glas bier. (Fré Harmsen: Van baroe tot branie. Termen en zegswijzen bij de Koninklijke marine. 1991)
• Pa Houtman spreidde zijn armen, pijpje Amstel in de linkerhand. (Joost Zwagerman: De buitenvrouw. 1994)
• Twee pijpjes Tripel, vooruit. (Tijl Rood: De dwaze vader. 2002)
• Met een smeulende Javaanse Jongen in de ene hand en een pijpje Heineken in de andere gaf hij schoppen tegen de tv die het nu wel had begeven, godverdomme. (Robert Anker: Hajar en Daan. 2004)
• Hij droeg twee pijpjes bier voor ons in één hand en in de andere een glas water voor zichzelf. (Bert Natter: Begeerte heeft ons aangeraakt. 2008)
• Beiden roken zware Van Nelle en hebben een pijpje Heineken onder handbereik. (Martin Bril: Overal wonen mensen. 2009)
• De ober zet vier pijpjes Heineken op tafel en maakt zich uit de voeten. (Martin Bril: Overal wonen mensen. 2009)
• Natuurlijk mag je best op een warme dag een koud biertje wegklokken, en we kennen ook meisjes die uiterst koket en bepaald erotisch aan een pijpje pils kunnen lurken. (Jan Heemskerk & Marcel Langedijk: Handboek voor de liefdespartner. 2012)
• In hun bouwvakkerstenue komen de mannen binnen. Pijpje bier in de hand, potlood achter het oor, hamer in de kontzak. (Astrid Harrewijn: Drie vrienden, een huis (en een klusjesman). 2016)
• Op tafel stonden drie kopjes koffie en voor pa een pijpje pils. (Joost Zwagerman: Grote groet uit Zwagerland. Samengesteld door Maria Vlaar. 2018)
• Jaloers was ik op mijn oom Jan die een pijpje met zijn tanden kon openmaken. (Harold Hamersma: Onder de rook van de Heineken. Een jeugd in de Pijp. 2020)

2) (16e eeuw) (inf.) mannelijk lid. Zie ook: aan de pijp lurken.

• Als je onverwachts je hotelkamer binnenkwam keek je recht in de kut van een vreemde vrouw, terwijl een halfdronken kerel naast je bed gehaast zijn pijp uit zijn gulp stond te wringen. (Jan Wolkers: Turks fruit.1969)
• (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980)
• (Piet van Sterkenburg: Rot zelf lekker op. Over politiek incorrect en ander ongepast taalgebruik. 2019)

3) (begin 20e eeuw) (sold. Ned. Indië) de kantine.

• De pijp, de cantine. (Koenen vermeldt wel een buurt in Amsterdam!) (J.J.M. Van Dam: 'Jantje Kaas en zijn jongens,' in: Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, 1942-1948)
• De kantines, altijd ‘de ketien’ of ‘de Pijp’ genoemd, waren direct een groot succes. (Fred Lanzing: Soldaten van smaragd. Mannen, vrouwen en kinderen van het KNIL 1890-1914. 2005)

4) (1981) (Leiden) band van een rijwiel of voertuig: 'een lekke pijp hebben'.

• Er begon een lelijke eend te slingeren met 'n lekke pijp. (Ben Borgart: Troost. Verhalen. 1981)
• (Hans Heestermans: Leidens mooiste woord. 2007)

5) (1991) (muz.) klarinet.

• Hoe haatte ik mijn klarinet. Rock 'n' roll klonk er op als dixieland en om die saaie stukkies van dooie mensen was het me niet begonnen. Na twee jaar sprak Ad de verlossende woorden: 'Als we nog langer met die pijp doorgaan, raak je nooit meer een instrument aan.' (Nieuwe Revu, 14/02/1991)

6) (19e eeuw) (Vlaanderen, sch.) bed. 'In zijn pijp kruipen'. 'Hij is deze morgen lang in zijn pijp gebleven". Syn.: koffer*, mergpijp*, tram*.

• (Leonard Lodewijk de Bo: Westvlaamsch Idioticon. 1870-73)
• (Amaat Joos: Waas Idioticon. 1900)
• Gaat men 's avonds naar bed? Zeker, maar 't meest naar zijnen bak, citroenbak, coucher (Fr.), convent, doderido, kastriedo, ketel, koefer, koker, koetse, neetzak, nest, piere, pijpe, rijkoker, steekbak, tambeau, vlooibak, wipbak. (Oostvlaamsche Zanten, april-mei-juni 1944)
• (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)
• (Herman J. Claeys: Vlaams Dialecten Woordenboek. 2001)
• (Drs. H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol: De Brabantse spreekwoorden. 6e druk. 2003)

7) (1978) (sold.) loop van een kanon.

• (Henk Salleveldt: Het woordenboek van Jan Soldaat. 1978)
• (Leen Verhoeff: Soldatenwoordenboek. 1995)