Wat is de betekenis van eens?

2019
2021-06-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

eens

ééns - Bijvoeglijk naamwoord 1. alleen predicatief: het ~ zijn/worden over tot een vergelijk komen Zij konden het er niet over eens worden. Zij waren het met elkaar eens geworden over de prijs van de auto. ééns - Bijwoord...

Lees verder
2018
2021-06-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

eens

eens - bijwoord, bijvoeglijk naamwoord 1. op een keer ♢ eens komt er een eind aan 2. nog één keer ♢ deze ruimte is eens zo groot als de vorige 3. dezelfde mening hebben...

Lees verder
1955
2021-06-24
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Eens

(Barg.) vermoeden, achterdocht.

1952
2021-06-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Eens

adv.; (één keer), ienris, -kear -mel(s); (van tijd), ienris, iens, ris; het met elkaarzijn, it meiinoar halde, ien line lûke, op ien tromme slaen; hetzijn met, it lyk fine mei, kontint wêze mei; het met iem.zijn, immen meifalle, meistimme; ...

Lees verder
1950
2021-06-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Eens

I. bw., 1. éénmaal, één keer: ik zeg het maar eens; eens voor altijd of voor al. zonder het te herhalen (bij een vermaning); — dat is eens en nooit weer, van de eerste keer hebben we meer dan genoeg; — meer dan eens, herhaaldelijk; — ik krijg nu eens van u (bij het spe...

Lees verder
1949
2021-06-24
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

eens

achterdocht; vermoeden. De grandigers hebben eens op je.

1898
2021-06-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Eens

EENS, bw. éénmaal, één keer: ik zeg het maar eens; eens voor altijd (bij eene vermaning); — dat is eens, nu niet weer; — meer dan eens, dikwijls; — ik krijg nu eens van u (bij het spel), eenmaal den inzet zijt ge mij schuldig — ik heb [houd) eens op hem, hij heeft mijne wraak te duchten; &mdas...

Lees verder
1898
2021-06-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Eens

zie Eendrachtig.