Wat is de betekenis van eens?

2026-06-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Eens

I. bw., 1. éénmaal, één keer: ik zeg het maar eens; eens voor altijd of voor al. zonder het te herhalen (bij een vermaning); — dat is eens en nooit weer, van de eerste keer hebben we meer dan genoeg; — meer dan eens, herhaaldelijk; — ik krijg nu eens van u (bij het spe...