Synoniemen van eens

2019-10-19

eens

ééns - Bijvoeglijk naamwoord 1. alleen predicatief: het ~ zijn/worden over tot een vergelijk komen Zij konden het er niet over eens worden. Zij waren het met elkaar eens geworden over de prijs van de auto. ééns - Bijwoord 1. op enigerlei tijd in het verleden. Eens was dat een rijke stad. ♢...

2019-10-19

eens

eens - bijwoord, bijvoeglijk naamwoord 1. op een keer ♢ eens komt er een eind aan 2. nog één keer ♢ deze ruimte is eens zo groot als de vorige 3. dezelfde mening hebben ♢ we zijn het weer eens met elkaar 4. het goed vinden, ermee akkoord gaan

2019-10-19

Eens

EENS, bw. éénmaal, één keer: ik zeg het maar eens; eens voor altijd (bij eene vermaning); — dat is eens, nu niet weer; — meer dan eens, dikwijls; — ik krijg nu eens van u (bij het spel), eenmaal den inzet zijt ge mij schuldig — ik heb [houd) eens op hem, hij heeft mijne wraak te duchten; — doe het eens waag het niet; — hij deed het examen in tweemaal, doch zijn broer deed het in eens; — de belasting in eens betalen; ik heb hem eens gezien; — op zekeren tijd, eene reis (in he...

2019-10-19

Eens

zie Eendrachtig.

2019-10-19

eens

eens, - (argot), vermoeden, achterdocht.

2019-10-19

eens

achterdocht; vermoeden. De grandigers hebben eens op je.