Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

eens

betekenis & definitie

eens - bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

1. op een keer
♢ eens komt er een eind aan
2. nog één keer
deze ruimte is eens zo groot als de vorige
3. dezelfde mening hebben
♢ we zijn het weer eens met elkaar
4. het goed vinden, ermee akkoord gaan
♢ ik ben het er niet mee eens

Algemene uitdrukkingen:
1. dat zou best eens kunnen
[dat kan wel zo zijn]
2. wacht eens
[laat me even nadenken]
Bijwoord: eens
Bijvoeglijk naamwoord: eens

Synoniemen
ooit

Tegenstellingen
nooit, oneens