Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 19-02-2021

de pijp uit zijn

betekenis & definitie

v(1927) (inf.) weg zijn. Eigenlijk: (van een konijn) uit een konijnenhol gekropen zijn.

Mietje was de pijp uit, recht naar huis. (Edward Vermeulen: Mietje Mandemakers & Cie. 1927)
• Maar reinaert had ondertussen nauwlettend toegekeken hoe generaal isengrimus – die van verre de oorlogsgebeurtenissen had gevolgd – haastig het spek had opgenomen en ermee de pijp uit was. (Louis Paul Boon: Wapenbroeders. 1955)
• Voordat ze het door mij opgegeven nummer draaiden maakte ik me natuurlijk uit de voeten, zeggende dat ik nu toch weg moest want dat anders m’n trein de pijp uit was. (Herman Brusselmans: Prachtige ogen. 1984)