Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 20-04-2017

2017-04-20

Positivisme

betekenis & definitie

Comte koos de term ‘positief om zes kenmerken van dingen aan te geven: werkelijk, bruikbaar, zeker, precies, organisch, relatief Hij gebruikte de term voorts ter aanduiding van zijn filosofie, waarin hij streefde naar toepassing van de wetenschappelijke methode niet alleen op de wetenschappen maar ook op menselijke verhoudingen. Hij zag de wetenschappen als een natuurlijke reeks die begint met de wiskunde en die zich, logisch zowel als historisch, via de fysische en biologische wetenschappen ontwikkelt tot de sociologie (een term die Comte heeft ingevoerd) en de moraal.

Het denken, meende hij, ontwikkelt zich uit de theologische instelling, waarbij men de natuur verklaart door góden enzovoort te veronderstellen, via de metafysische instelling, die een zoeken naar dingen-op-zichzelf en oorzaken met zich meebrengt, naar de wetenschappelijke instelling waarbij de nadruk ligt op het waarneembare. Hij bepleitte een synthese, zowel van rede, gevoel en handelen, die in het theologische en het metafysische stadium niet met elkaar in evenwicht zijn, als van de verschillende wetenschappen, als zelfs van de drie genoemde instellingen, omdat ook de twee achterhaalde nog hun verdiensten hadden. Dit is de reden dat zijn lijst van kenmerken ‘relatief en ‘organisch’ omvat. Het positivisme is altijd de eenheid der wetenschappen blijven benadrukken en de wetenschap blijven beperken tot het waarneembare en beheersbare. De evolutionaire benadering paste goed bij de negentiende- eeuwse biologische ontwikkelingen en bij systemen waarin deze werden doorgetrokken naar het vlak van de menselijke verhoudingen, zoals in dat van Herbert Spencer (1820-1903).

Comte was er echter meer op gericht de wetenschappelijke methode uiteen te zetten en toe te passen dan haar te onderzoeken en zich af te vragen wat zij vooronderstelt. Kritischer was mach, die wees op de grenzen van wat de wetenschap vermag. Volgens hem streeft de wetenschap naar de meest economische beschrijving van de verschijnselen, d.w.z. uiteindelijk van onze zintuiglijke ervaring of gewaarwordingen. De verschijnselen worden in die zin verklaard dat ze in vertrouwde termen worden beschreven, maar er worden geen verborgen entiteiten of oorzaken aangenomen. Aangezien atomen niet waarneembaar zijn worden ze opgevat als niet meer dan een wijze van spreken (vgl. fenomenalisme). Dit gaat verder dan het eerdere positivisme omdat nu begrippen worden bekritiseerd die tot de wetenschap zelf lijken te behoren (bijvoorbeeld fysisch object, atoom), niet meer alleen metafysische begrippen. Het standpunt van Mach en de verwante zienswijze van R. Avenarius (1843-1896) worden soms empiriocriticisme genoemd.

Het logisch positivisme is vooral verbonden met de Wiener Kreis (Weense kring), ontstaan in de jaren ’2o. De bekendste leden waren M. Schlick (1882- 1936), carnap, O. Neurath (1882-1945) en F. Waismann (1896-1959). wittgenstein en popper waren geen lid van de kring maar onderhielden er wel contacten mee. C. Hempel (1905-) en H. Reichenbach (1891 -1953) in Berlijn, en later ayer in Engeland, waren bondgenoten. Het logisch positivisme beïnvloedde ook de filosofie in Amerika, Nederland en Scandinavië. Schlick gaf de voorkeur aan de naam consistent empirisme, en ook logisch empirisme wordt gebruikt. ‘Logisch’ duidt in dit verband zowel aan dat men zich bezighoudt met het onderzoek van betekenissen, als dat de leer als op logische gronden waar wordt beschouwd. Onder invloed van Mach, en ook van Hume, concentreerde de Wiener Kreis zich op het algemene probleem van betekenis, in welk verband men het verificatie- of verifieerbaarheids-principe ontwikkelde. Dit houdt in dat iets dan en slechts dan betekenis heeft als het ofwel empirisch verifieerbaar is, d.w.z. uiteindelijk (niet noodzakelijk rechtstreeks) verifieerbaar door zintuiglijke waarneming, ofwel een logische of wiskundige tautologie is. De verificatietheoriehoudt ofwel in dat betekenis identiek is met de methode van verificatie, ofwel eenvoudig dat het verificatieprincipe dient te worden aanvaard.

Positivisten hebben altijd getracht dat wat men onderzoekt en dat wat men gelooft te beperken tot wat met zekerheid kan worden vastgesteld. In de geest van de empiristische traditie hebben ze gewoonlijk deze zekerheid vooral gezien in wat we rechtstreeks van onze zintuigen leren. Metafysica en theologie wezen ze af. De ethiek en esthetica trachtten ze gewoonlijk voor zover mogelijk onder te brengen bij wetenschappen als de (empirische) psychologie, terwijl ze later wat er nog van over was behandelden door verschillende soorten betekenis te onderscheiden: emotieve, evaluatieve, prescriptieve betekenis, enzovoort (zie naturalisme). Maar het bleek moeilijk te zijn om de wetenschap en het grootste deel van de alledaagse taal (bijvoorbeeld over materiële objecten, andere mensen, of het verleden) te verantwoorden zonder metafysica en andere ‘onzin’ óók binnen te laten. De positivisten eisten soms slechts verifieerbaarheid in principe, niet in de praktijk. Maar dan kan betekenis nauwelijks worden geïdentificeerd met de ‘methode’ van verificatie, vooral wanneer ten slotte een uitspraak al verifieerbaar is als we ‘weten hoe het zou zijn’ als zij waar was. En dient verificatie beslissend te zijn (‘sterke verificatie’), of is het al voldoende om enig bewijsmateriaal te verschaffen (‘zwakke verificatie’)? Aangezien slechts weinige, misschien wel helemaal geen uitspraken in sterke zin verifieerbaar zijn werd veel energie gestoken in de ontwikkeling van ‘zwakke’ vormen van het principe en het ontwerpen van een confirmatie theorie, vooral door Ayer en Carnap.

‘Verifiëren’ kan zowel betekenen ‘concluderen dat iets waar is’ als ‘onderzoeken of iets waar is’. Carnap koos voor het laatste. Popper daarentegen vatte ‘verifiëren’ in de eerste betekenis op, en betoogde dat in het geval van universele bevestigende uitspraken zoals ‘alle zwanen zijn wit’, die hij in de wetenschap belangrijk achtte, het in principe gemakkelijker is onware te falsifiëren dan ware te verifiëren. Hij legde daarom de nadruk op falsifieerbaarheid, niet echter als criterium voor zinvolheid maar als middel om wetenschappelijke en metafysische uitspraken van elkaar af te grenzen. Hij aanvaardde beide als zinvol. Metafysische uitspraken hebben heuristische waarde. Neurath en anderen meenden dat het slechts rechtmatig was zinnen met zinnen te vergelijken, niet met de wereld. Daarom sympathiseerden zij met de coherentietheorie van de waarheid. Deze sympathie werd nog versterkt door de moeilijkheid algemene wetten te verifiëren. Carnap benadrukte de eenheid der wetenschappen. Volgens zijn fysicalisme konden alle wetenschappelijke uitspraken (over elektronen, verlangens, sociale systemen enzovoort) worden vertaald in uitspraken over fysische objecten of ruimte-tijdpunten. Hij eiste ook dat zinvolle uitspraken intersubjectief, en niet slechts door één persoon, verifieerbaar waren. De term ‘fysicalisme’ wordt ook gebruikt voor de opvatting dat alle betekenisvolle uitspraken in de taal van de natuurkunde kunnen worden vertaald, en voor de identiteitstheorie van de geest (een enkele maal ook voor het behaviourisme).

Een van de vragen die het verificatieprincipe oproept is of het zelf een tautologie, een empirische uitspraak of een zinloze uitspraak is. Eén mogelijk antwoord is dat men het moet opvatten als een aanbeveling. Ook in verband met noodzakelijke uitspraken (zie modaliteiten) rijzen problemen: als zij, zoals de logisch positivisten menen, niets beweren, wat is dan hun functie? Het operationalisme of operationisme stamt van P.W. Bridgman (1882- 1962). Het vat begrippen ongeveer op zoals het logisch positivisme uitspraken opvat: begrippen dienen gedefinieerd te worden in termen van de operaties die men bij de toepassing ervan gebruikt. Lengte kan bijvoorbeeld slechts worden gedefinieerd in termen van meetmethoden, zodat de lengte van een voetbalveld een ander begrip kan zijn dan de lengte van het melkwegstelsel.

Rechtspositivisme staat voor een complexe verscheidenheid van opvattingen, die slechts ten dele verband houden met het positivisme zoals hierboven beschouwd. Kenmerkend zijn vooral nadruk op de wet als dat wat bevolen of ‘geponeerd’ wordt, en nadruk op de wet zoals zij is (positief recht) veeleer dan zoals zij zou moeten zijn (bijvoorbeeld natuurrecht). Zie ook analytisch, basisuitspraken, betekenis, confirmatie, pragmatisme, reductionisme.

L. Kolakowski, Positivist Philosophy. From Hume to the Vienna Circle, 1968 (oorspr. Pools, 1966). (Elementaire inleiding, voornamelijk tot de vroegere vormen van positivisme en verwante opvattingen.)
A. Comte, Discours sur l’espritpositif, 1844 {Hetpositieve denken, 1980). (Populaire uiteenzetting.)
E. Mach, Popular-wissenschaftliche Vorlesungen, 1896 (gedeeltelijk vertaald in Natuurkunde, wetenschap en filosofie, 1980). (Populaire uiteenzetting.) D.Hume, Enquiry concerning Human Understanding, 1748 {Het menselijk inzicht, 1978). (De laatste alinea wordt beschouwd als een eerste formulering van het verificatiebeginsel.)
M. Schlick, ‘Meaning and verification’, Philosophical Review, 1936, herdrukt in H. Feigl en W. Sellars (red.), Readings in Philosophical Analysis, 1949. (Uiteenzetting van de verificatietheorie, met toepassingen.)
A J. Ayer, Language, Truth and Logic, 1936,2de editie, met belangrijke inleiding, 1946. (Klassieke uiteenzetting, de eerste in Engeland, van het logisch positivisme.)
D. Makinson, ‘Nidditch’s definition of verifiability’, Mind, 1965. (Moeilijkheden bij het formuleren van het verifieerbaarheidsprincipe. Enigszins technisch.)
J.L. Evans, ‘Meaning and verification’, Mind, 1953. (Kritische bespreking van de ontwikkeling en van de vooronderstellingen van het logisch positivisme.)
A.J. Ayer (red.), Logical Positivism, 1959. (Artikelen van enkele grondleggers van het logisch positivisme. Uitvoerige bibliografie.)
C.G. Hempel, ‘On the Logical Positivists’ theory of truth’, Analysis, vol. 2, 1935-
R. Carnap, The Unity of Science, 1934 (oorspr. ‘Die physikalische Sprache als Universalsprache der Wissenschaft’, Erkenntnis, 1932; de Engelse vertaling is herdrukt in W.P. Alston en S. Nakhnikian (red.), Readings in Twentieth Century Philosophy, 1963). (Klassieke formulering van het fysicalisme.)
K.R. Popper, The Logic of Scientific Discovery, 1959 (oorspr. Logik der Forschung, 1934). (Klassieke uiteenzetting van Poppers falsificationisme.) P.W. Bridgman, The Logic of Modem Physics, 1927. (Operationalisme.)
A.C. Benjamin, Operationism, 1955. (Algemene uiteenzetting.)
C.G. Hempel, ‘A logical appraisal of operationism’, Scientific Monthly, 1954, herdrukt in zijn Aspects of Scientific Explanation, 1965. (Welwillende bespreking. Popper (zie boven, p. 440) levert kort kritiek op het operationalisme. Vgl. ook Ch. Taylor, The Explanation of Behaviour, 1964, hoofdstuk 4, en voor verdere verwijzingen D.H. Mellor, The Matter of Chance, 1971, p. 76.)
H.L.A. Hart, The Concept of Law, 1961, i.h.b. p. 253. (Rechtspositivisme.) A. Soeteman, Machtig recht, 1986. (Rechtspositivisme in verschillende vormen.)