Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Betekenis

betekenis & definitie

Betekenisproblemen vallen uiteen in drie samenhangende hoofdgroepen: welke zaken kunnen onderwerp zijn van het werkwoord ‘betekenen’? Wat is betekenis, wat bedoelen we wanneer we zeggen dat woorden en zinnen betekenis hebben? En welke soorten betekenis zijn er, en hoe zijn die verbonden met verscheidene andere begrippen?

Het werkwoord ‘betekenen’ kan als onderwerp hebben: woorden en andere symbolen, zinnen, proposities (indien opgevat als indicatieve zinnen), handelingen, kunstwerken en natuurlijke gebeurtenissen, toestanden en processen. ‘Betekenen’ kan natuurlijke objecten of gebeurtenissen tot onderwerp hebben wanneer het symptomen (‘die vlekken betekenen mazelen’), oorzaken (‘wolken betekenen regen’) of zaken van waarde of belang zijn (‘die armband betekent veel voor me’). ‘Zijn leven heeft geen betekenis’ lijkt in te staan tussen betekenis in deze laatste zin en de zin waarin kunstwerken betekenis hebben: die van patroon, orde, idee. Handelingen hebben betekenis op een van de al genoemde manieren of op dezelfde manier als zinnen. In de Engelstalige analytische filosofie wordt bij dit alles ook nog ‘to mean’ in de zin van ‘bedoelen’ betrokken: wat een spreker bedoelt, een verwijzing (‘I mean you’) of een intentie (‘I meant to come yesterday’). Zo bespreekt Wittgen- stein wat het inhoudt ‘to mean what one says’.

Van woorden en zinnen kan men zich afvragen welke betekenis ze in het algemeen hebben, en wat ze bij een bepaalde gelegenheid betekenen, d.w.z. wat de spreker of schrijver ermee bedoelt. Woorden en zinnen verschillen daarin van elkaar dat we zinnen construeren, en zinnen kunnen begrijpen die we nooit eerder hebben gehoord. Zinnen hebben betekenis door de woorden die erin voorkomen, terwijl woorden slechts betekenis hebben doordat ze geschikt zijn om een rol te spelen in zinnen. Verschillende woorden kunnen op verschillende manieren betekenis hebben, maar of alle woorden betekenis hebben is omstreden. Hebben eigennamen betekenis?(Z.o.) En ‘te’ in ‘ik besloot te blijven’?

Grice verdeelt de verschillende soorten betekenis in twee hoofdgroepen: natuurlijke betekenissen (van natuurlijke gebeurtenissen e.d.), en niet-na- tuurlijke (die van symbolen, woorden, zinnen e.d.). Discussies over wat betekenis is hebben meestal betrekking op woorden en zinnen, en werden tot voor kort gedomineerd door begrippen als benoemen, verwijzen naar of staan voor. Referentiële (verwijzings-, denotatieve) betekenistheorieën houden in dat de betekenis van een woord datgene is wat het noemt of waar het voor staat, of ook wel de relatie die het ermee heeft. Vgl. de middeleeuwse leus unum nomen unum nominatum: bij elke naam hoort precies één benoemde zaak. Eigennamen worden beschouwd als het primaire geval. Vandaar de spotnaam ‘Fido’-Fido-theorie: het woord ‘Fido’ heeft als betekenis de hond Fido die erdoor wordt benoemd. Volgens deze theorie zou een algemeen woord als ‘hond’ staan voor het universale hondheid (Russell), of voor de klasse der honden, of voor verschillende honden bij verschillende gelegenheden (ook Russell). ‘Rood’ zou dan staan voor de kleur rood, ‘loopt’ en ‘lopen’ voor de handeling van het lopen, en misschien zelfs ‘als’ voor begrippen als twijfel en voorwaardelijkheid. Volgens ideeën-theorieën staan woorden voor ideeën, gedachten, enzovoort (Aristoteles, Locke). Deze theorieën laten zeer verschillende soorten

woorden staan voor één enkel soort zaken (ideeën), maar expliceren gewoonlijk niet het begrip staan voor. Al deze theorieën zijn relationele of correspondentietheorieën. Ze houden in dat de betekenis van een woord een (fysisch, mentaal of abstract) iets is waarmee het woord is verbonden. Ze zijn in de recente filosofie nogal aangevallen. Deze aanval op relationele theorieën hield in dat betekenissen geen ‘dingen’ zijn, en men bediende zich erbij van de leus ‘vraag niet naar de betekenis, vraag naar het gebruik’. Gebruikstheorieën expliceren betekenis in termen van gebruik. Ze roepen verschillende vragen op: is het verband tussen betekenis en gebruik hetzelfde voor woorden en voor zinnen? Is betekenis een even ruim begrip als gebruik (zie hieronder over taalhandelingen)? En gaat het vooral om feitelijk gebruik of om gebruiksregels? Dit laatste onderscheid is een van de versies van het onderscheid tussen defacto- en de iure-theorie- en. De facto-theorieën expliceren betekenis in termen van wat er gebeurt of wat het geval is, bijvoorbeeld hoe mensen in feite woorden gebruiken. De iu- re-theorieën expliceren betekenis in termen van normen, regels, conventies, standaarden, of in het algemeen in termen van wat behoort; volgens dergelijke theorieën kan ‘ik heb niks niet gedaan’ eigenlijk niet betekenen ‘ik heb niets gedaan’, ondanks het gebruik in de volkstaal.

Causale of stimulus/respons-theorieën expliceren de betekenis van een woord of zin in termen van het effect ervan op de toehoorder of van wat het uiten ervan door de spreker veroorzaakte. Het zijn voorbeelden van de facto-theorieën. Ze hebben hun oorsprong in het behaviourisme en maken er aanspraak op de wetenschappelijke benadering te vertegenwoordigen. Ook deze theorieën worden tot referentiële theorieën wanneer zij inhouden dat het benoemde object de betekenis is terwijl de effecten van het object het tot de betekenis maken. Zo is volgens zulke theorieën in ‘Piet loenst’ de persoon Piet de betekenis van ‘Piet’, en is dit betekenisverband tot stand gekomen door de causale werkingen die Piet op mij had terwijl ik deze naam leerde kennen. Een causale theorie over namen en termen die natuurlijke soorten aanduiden (zoals ‘leeuw’, ‘water’), is recentelijk naar voren gebracht door S. Kripke en H. Putnam. Zij staat tegenover beschrijvingstheorieën als die van Russell (z.o.).

Een eveneens op de wetenschap geïnspireerde theorie over de betekenis van zinnen is de verificatietheorie, volgens welke de betekenis van een zin gelegen is in de methode om hem te verifiëren; vgl. hiervoor en voor de opera- tionalistische theorie van woordbetekenis positivisme. Beeldtheorieën zijn voor zinnen wat referentiële theorieën voor woorden zijn, en behoren evenals deze laatste tot de correspondentietheorieën. Ze zijn vooral met het logisch atomisme en met de correspondentietheorie van de waarheid verbonden. Volgens beeldtheorieën hebben zinnen, ware zowel als onware, betekenis doordat ze mogelijkheden afbeelden; ware zinnen beelden die mogelijkheden af die feiten zijn. Maar kunnen beeldtheorieën recht doen aan het element van constateren in het constateren van feiten? Een veel aangehangen moderne theorie houdt in dat men de betekenis van een normale indicatieve zin geeft door de waarheidsvoorwaarden ervan aan te geven. Deze worden echter niet voor individuele zinnen gegeven maar ‘holistisch', door een ‘waarheidstheorie’ voor een hele taal te construeren. Deze bestaat uit axioma’s die vastleggen wat de zinnen betekenen. Ieder theorema zegt van een bepaalde zin dat hij waar is dan en slechts dan als zus-of-zo het geval is, waarbij ‘zus-of-zo’ voorstelt wat de zin, intuïtief gesproken, betekent. Een dergelijk theorema wordt een W-zin genoemd, en luidt bijvoorbeeld ‘ “sneeuw is wit” is waar dan en slechts dan als sneeuw wit is’. Wanneer zoals hier dat wat volgt op ‘dan en slechts dan als’ hetzelfde is, afgezien van de aanhalingstekens, als wat eraan voorafgaat, dan wordt de W-zin homofoon (letterlijk: hetzelfde klinkend) genoemd. Van een waarheidstheorie waarvan de axioma’s de intuitief juiste W-zinnen opleveren zegt men dat zij voldoet aan conventie (of criterium) W. Zie ook vertaling (voor ‘radicale interpretatie’).

Onder de algemene vraag wat betekenis is ressorteert ook het probleem van de synonymie: wanneer hebben woorden of zinnen dezelfde betekenis? We wenden ons nu tot de derde van de in het begin genoemde vragen, over soorten betekenis en over verwante begrippen. Voor woorden die zich daartoe lenen kunnen we onderscheiden tussen intensie (globaal: wat een woord betekent) en extensie (globaal: waar het op van toepassing is). Vgl. intensionaliteit. Zo onderscheidt Mill connotatie en denotatie. Een woord de- noteert de zaken waarop het van toepassing is, en connoteert de attributen waarvan het woord impliceert dat ze aan deze zaken toekomen. ‘Mens’ connoteert wellicht het attribuut een rationeel dier zijn, en denoteert alle mensen. ‘Connotatie’ en ‘denotatie’ kunnen zowel naar de relatie verwijzen als naar wat geconnoteerd (gedenoteerd) wordt.

Frege onderscheidt Sinn en Bedeutung, gewoonlijk vertaald met betekenis respectievelijk verwijzing. (Er bestaan andere vertalingen, zo verkiezen sommige auteurs ‘denotatie’ boven ‘verwijzing’. Een voorbeeld is Russell, zie theorie der beschrijvingen voor zijn opvattingen over denoteren.) De uitdrukkingen ‘avondster’ en ‘ochtendster’ hebben dezelfde verwijzing, nl. Ve- nus, maar verschillende betekenissen. Frege gebruikt dit om uit te leggen waarom ‘de avondster is de ochtendster’ niet, zoals ‘Venus is Venus’, triviaal is.

De verbanden tussen deze termen zijn complex. Globaal gesproken denoteert een term, onafhankelijk van de gelegenheid, al die zaken waar we bij een gegeven gelegenheid naar kunnen verwijzen door bepaalde uitdrukkingen te gebruiken waarin de term voorkomt. ‘Katten’ denoteert katten in het algemeen, en we kunnen een uitdrukking als ‘die kat’ gebruiken om bij een bepaalde gelegenheid naar bijvoorbeeld poes Mies te verwijzen. Strikt genomen zijn wij het die, door ‘die kat’ te zeggen, naar Mies verwijzen, maar men kan ook van de uitdrukking ‘die kat’ zelf zeggen dat zij bij deze gelegenheid naar Mies verwijst. Een term heeft een gedeelde verwijzing Quine) indien hij, zoals ‘schoen’, maar in tegenstelling tot ‘water’ of ‘rood’, zonder toevoegingen als ‘een hoeveelheid’, ‘een stuk’ e.d., kan worden gebruikt om naar verschillende objecten te verwijzen.

Het onderscheid connotatie/betekenis is moeilijk te omschrijven, maar een voorbeeld kan het verduidelijken. Is het contradictoir om te zeggen ‘de koningin van Engeland is helemaal geen koningin, ze is illegitiem’? Ja, als ‘de koningin van Engeland’ wordt opgevat als een connotatie hebbend, omdat de uitspraak dan impliceert dat de persoon waar de uitdrukking naar verwijst de eigenschap heeft te regeren. Maar de betekenis van de uitdrukking kan worden gebruikt om, zonder deze implicatie, duidelijk te maken om welke persoon het gaat, bijvoorbeeld voor een toehoorder die gelooft dat Eliza- beth II legitiem is. Als de uitdrukking op deze manier wordt opgevat als een die geen connotatie, maar nog wel betekenis heeft, dan is de uitspraak niet contradictoir. Als Elizabeth 11 niet legitiem was zou de zin kunnen worden gebruikt om dat zonder contradictie te zeggen, en om er zeker van te zijn dat de veronderstelde toehoorder weet over wie het gaat. Betekenis en verwijzing zijn van toepassing op subject-uitdrukkingen en soms op zinnen (Frege meende dat de verwijzing van een zin samenviel met zijn waarheidswaarde), maar niet (voor Frege) op predikaat-uitdrukkingen. Connotatie en denotatie kunnen van toepassing zijn op subject- en op predikaat-uitdrukkingen, maar niet op zinnen. Betekenis in Frege’s zin staat dicht bij het niet-tech- nische begrip betekenis.

Bij eigennamen, die voor referentiële theorieën bij uitstek illustreren wat betekenis is, rijst het probleem of ze connotatie dan wel betekenis dan wel beide hebben. ‘Die man daar’ selecteert iemand die man is en zich op een bepaalde plaats bevindt, maar ‘Jan’ verwijst niet expliciet naar enige eigenschap van zijn drager. In welke zin zijn eigennamen woorden? Maken ze deel uit van de taal? Betekenisloos kan men ze nauwelijks noemen, maar in woordenboeken vindt men ze meestal niet. Russell meende in navolging van Mill dat ze geen connotatie hebben, maar dat gold volgens hem alleen voor logische eigennamen, d.w.z. voor namen die geen verkorte beschrijvingen waren, maar dat waren gewone eigennamen in zijn opvatting nu juist wél. Hij meende dat ‘Socrates’ eigenlijk helemaal geen naam is maar een afkorting voor bijvoorbeeld ‘de filosoof die dollekervel dronk’. Dit is de door Kripke en Put- nam bekritiseerde opvatting (z.b.). Een logisch subject is hetzij het subject van een zin in een logisch ideale taal, d.w.z. een taal waarin het werkelijke en het schijnbare subject van een zin samenvallen, hetzij datgene waar zo’n subject naar verwijst.

Onder de invloed van het logisch positivisme heeft men cognitieve, descriptieve of feitelijke betekenis onderscheiden van andere soorten, i.h.b. emotieve, evaluatieve en prescriptieve betekenis: zie naturalisme. Door dergelijke vormen van onderscheid te generaliseren kwam Austin tot zijn theorie der taalhandelingen, waarin hij onderscheidt tussen de betekenis van wat er wordt gezegd en wat hij noemt de ‘illocutionaire betekenis’ (il- locutionaryforce) van de uiting. Er zijn pogingen ondernomen om de betekenissen van bepaalde woorden, o.a. ‘goed’, ‘waar’, ‘waarschijnlijk’, te analyseren in termen van de taalhandelingen die men bij het gebruik van deze woorden verricht, en om het begrip betekenis zelf te baseren op illocutionaire betekenis (een soort gebruikstheorie, z.b.). Een ander probleem is betekenisloosheid: hoeveel soorten daarvan zijn er, en wat is het verband van betekenisloosheid met contradictie en onwaarheid (vgl. categorieën)? Zie ook definitie, meerduidigheid, open weefsel, realisme, verwijzing.
H.P. Grice, ‘Meaning’, Philosophical Review, 1957, herdrukt in P.F.
Strawson (red.), Philosophical Logic, 1967. (Bekritiseert de causale theorie en ontwikkelt een theorie die gebruik maakt van intentie (maar die zelf een causale theorie zou kunnen worden genoemd).)
B.Russell, An Inquiry into Meaning and Truth, 1940, i.h.b. de hoofdstukken 1-7, 13-15. (Een complexe theorie over de betekenis van woorden en de significantie (zoals hij het noemt) van zinnen. Vgl. zijn My Philosophical Development, 1959, hoofdstukken 13 en 14.)
Plato, Cratylus. (De oudste overgeleverde samenhangende bespreking van betekenis.)
Aristoteles, De interpretatione, i.h.b. de hoofdstukken 1-4, vertaling met commentaar in J.L. Ackrill, Aristotle’s Categories and De interpretatione, 1963. (De elementaire grondslag van Aristoteles’ betekenistheorie.)
J. Locke, An Essay concerning Human Understanding, 1689, boek 3.
L. Wittgenstein, Philosophische Untersuchungenjphilosophical Investiga- tions, 1953 (Filosofische onderzoekingen, 1976), i.h.b. §§1-43. (Klassieke kritiek op referentiële theorieën ten gunste van de gebruikstheorie.)
L.J. Cohen, The Diversity of Meaning, 1962 (herzien 1966). (In hoofdstuk 2 wordt het onderscheid de facto/de iure ingevoerd.)
S.Kripke, Naming andNecessity, 1980 (oorspr. versie 1972). (Causale theorie over namen en woorden die natuurlijke soorten aanduiden. Vgl. ook
S.P. Schwartz (red.), Naming, Necessity, and Natural Kinds, 1977, waarin artikelen van o.a. H. Putnam en G. Evans.)
E. Daitz, ‘The picture theory of meaning’, Mind, 1953, herdrukt in A. Flew (red.), Essays in Conceptual Analysis, 1956.
D. Davidson, ‘Truth and meaning’, Synthese, 1967, herzien in ‘Radical inter- pretation’, Dialectica, 1973, beide herdrukt, samen met ander relevant materiaal in zijn Inquiries into Truth andInterpretation, 1984. (Vooraanstaande vertegenwoordiger van de waarheidsvoorwaardentheorie. Zie ook de belangrijke maar moeilijke bijdragen in G. Evans en J. McDowell (red.), Truth and Meaning, 1976, i.h.b. die van Dummett, die als de belangrijkste tegenstander van Davidson optreedt.)
J.L. Keynes, Formal Logic, 1884, 4de (herziene) ed. 1906. (Gedetailleerde uitleg van de traditionele termen ‘intensie’ en ‘extensie’. Vgl. voor latere terminologie ook R. Carnap, Meaning and Necessity, 1947, hoofdstuk 3.)
N.Goodman, ‘On likeness of meaning’, Analysis, vol. 10,1949, herdrukt in M. Macdonald (red.), Philosophy and Analysis, 1954. (Problemen rond synonymie.)
J.S. Mill, A System of Logic, 1843, boek 1, hoofdstuk 2. (Onderscheid connotatie/denotatie. Klassiek betoog over namen.)
G. Frege, ‘Uber Sinn und Bedeutung’, 1892, herdrukt in G. Frege, Funktion, Begriff, Bedeutung, bezorgd door G. Patzig, 1962. (Locus classicus voor Frege’s betekenistheorie.)
C.Kirwan, ‘On the connotation and sense of proper names’, Mind, 1968. (Duidelijk over connotatie, beknopt over betekenis, legt het onderscheid niet uit.)
L.J. Cohen, ‘Do illocutionary forces exist?’, Philosophical Quarterly, 1964, herdrukt in K.T. Fann (red.), Symposium on J.L. Austin, 1969. (Valt Aus- tins onderscheid tussen betekenis en illocutionaire betekenis aan.)
J.P. Searle, zie bibliografie bij goed.
W.P. Alston, ‘Meaning and use’, Philosophical Quarterly, 1963, herdrukt in G.H.R. Parkinson (red.), The Theory of Meaning, 1968. (Ontwikkelt een gebruikstheorie in termen van illocutionaire handelingen.)
A..C. Ewing, ‘Meaninglessness’, Mind, 1937.
C. Coope e.a. (red.), A Wittgenstein Workbook, 1970, hoofdstuk 5. (De begrippen onzin en betekenisloosheid bij Wittgenstein.)
W.V. Quine, Word and Object, 1960, §19. (Gedeelde verwijzing.)
L.T.F. Gamut, Logica, taal en betekenis, 2 delen, 1982. (Behandelt de belangrijkste hedendaagse betekenistheorieën.)