Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 20-04-2017

2017-04-20

Naturalisme

betekenis & definitie

Oorspronkelijk een algemene filosofische opvatting die verwant was met het pragmatisme en het positivisme en die een tijd lang veelverbreid was in Amerika. Kernpunt ervan is de overtuiging dat het heelal eenvormig is in die zin dat alle objecten erin en alle aspecten ervan gelijkelijk toegankelijk zijn voor wetenschappelijke bestudering.

‘Naturalisme’ heeft ook nog een aantal andere betekenissen, bijvoorbeeld in de kunst, maar duidt tegenwoordig vooral een met het oorspronkelijke naturalisme verwante ethische doctrine aan met als algemene strekking dat er geen onoverbrugbare kloof is tussen de ethiek en andere gebieden. De twee voornaamste varianten zijn de opvatting dat ethische termen geanalyseerd kunnen worden in niet-ethische termen, en de opvatting dat ethische conclusies logisch kunnen worden afgeleid uit niet-ethische premissen.

Hedendaagse discussies gaan uit van twee beroemde aanvallen op deze twee varianten door respectievelijk Moore en Hume. Moore betoogde dat ‘goed’ ondefinieerbaar is, en dat men scherp moet onderscheiden tussen de vraag wat ‘goed’ betekent en de vraag welke zaken goed zijn. Zo is bijvoorbeeld genot goed, en misschien zelfs de enige goede zaak, maar ‘goed’ betekent. ‘genot teweegbrengend’ of iets dergelijks. Verwaarlozing van dit onderscheid noemde hij de naturalistische dwaling, en hij meende dat goed een niet-natuurlijke kwaliteit is. (Hij is er nooit goed in geslaagd ‘niet-natuurlijk’ te expliceren, een term die nu niet meer voor kwaliteiten wordt gebruikt. Zie over ‘niet-natuurlijk’ ook betekenis (Grice).) Een van Moore’s argumenten was dat van de open vraag: welke definitie men ook van ‘goed’ geeft, het blijft altijd een open vraag of wat aan de definitie voldoet wel goed is. Het is echter niet duidelijk of de naturalistische dwaling bestaat in het definiëren van ‘goed’, in het definiëren van ‘goed’ in niet-ethische termen, in het definiëren van een willekeurig ethisch begrip in niet-ethische termen, in het definiëren van een willekeurig begrip in termen van begrippen uit een ander gebied, of misschien slechts in het verwarren van twee begrippen met elkaar. In deze laatste vorm wordt de dwaling vaak de definitiefout genoemd. Maar het is moeilijk de verschillende gevallen of begrippen tegen elkaar af te grenzen, en de dwalingen, als ze dat al zijn, zijn geen drogredenen in strikte zin - er zijn geen foutieve gevolgtrekkingen in het spel.

Zoals we Hume meestal interpreteren viel hij het naturalisme aan door te ontkennen dat conclusies waarin het hoofdwerkwoord ‘behoren’ (‘ought’) of een equivalent daarvan is, logisch kunnen worden afgeleid uit premissen die een dergelijk begrip niet bevatten. Het ging Hume vooral om het morele behoren, maar men kan zich afvragen of zijn zienswijze ook opgaat voor andere soorten behoren (bijvoorbeeld ‘doktersbevel’).

Het beweerde onderscheid dat aan deze aanvallen ten grondslag ligt wordt vaak het onderscheidfeit/waarde genoemd, hoewel ‘behoren’ strikt genomen geen waardeterm is. Moore maakte zijn onderscheid tussen verschillende kwaliteiten, die alle objectief aan hun subjecten toekwamen: of een zaak goed is hangt evenmin van de waarnemer af als of zij rond is. Verscheidene latere auteurs hebben echter getracht hetzelfde onderscheid op andere manieren te maken, door zich af te vragen hoe woorden betekenis hebben, en welke rol de houdingen van de spreker zelf spelen. Zo ontstond een onderscheid tussen pure beschrijvingen, waarmee men beoogt feiten vast te stellen en kennis over te dragen, en uitingen die ten doel hebben emoties of houdingen uit te drukken of te laten blijken, voorschriften te geven of aanbevelingen te doen, of waardeoordelen uit te spreken. Uitingen van de eerste soort hadden, evenals de erin voorkomende woorden, beschrijvende, feitelijke of cognitieve betekenis-, die van de tweede soort hadden emotieve, evaluatieve, prescriptieve of in het algemeen niet-cognitieve betekenis. De termen in de eerste lijst zijn grotendeels synoniem (zie echter feit voor de meerduidigheid van ‘feitelijk’).

De termen van de tweede lijst zijn niet alle equivalent - een emotie uitdrukken is niet hetzelfde als een handeling of houding voorschrijven -, maar wat ze gemeen hebben is hun contrast met die van de eerste lijst. Vele uitingen, in het bijzonder ethische, hebben echter beide soorten betekenis. ‘Hij is moedig’ kan betekenen ‘hij neemt bewust grote risico’s’ (feitelijk), ‘ik druk hierbij mijn goedkeuring uit voor wat hij doet’ (emotief) of ‘ik raadje hierbij aan hem na te volgen’ (prescriptief). ‘Hij is onbezonnen’ kan dezelfde feitelijke maar de tegengestelde nietvcognitieve betekenis hebben, dus als boven met ‘afkeuring’ in plaats van ‘goedkeuring’ en ‘afraden’ in plaats van ‘aanraden’. Emotivisten en prescriptivisten analyseren ethische uitspraken op deze manier, met nadruk op respectievelijk emotieve en prescriptieve betekenis, maar descriptivisten menen dat ethische uitspraken op dezelfde manier betekenis hebben als feitelijke uitspraken, d.w.z. feiten weergeven, zij het dan feiten van ethische aard. Hoewel descriptivisme en naturalisme in de praktijk nauw verwant zijn was Moore een descriptivist maar geen naturalist.

De naturalistische controverse heeft raakvlakken gemeen met een andere strijdvraag, nl. of er objectieve, algemeen aanvaardbare procedures bestaan om in zaken van waarde of plicht conclusies te bereiken. Descriptivisten en de meeste naturalisten menen dat die er zijn, ook al zijn ze moeilijk te specificeren. In hun opvatting zeggen de uitspraken in kwestie iets waars of onwaars over de objectieve werkelijkheid, en geven ze dus feiten weer. Hun tegenstanders zullen ontkennen dat er zulke procedures zijn. Vandaar de bij deposinvisten enlinguistischefilosofen(zieFiLosoFiE en analyse)gebruikelijke pogingen om de ethiek tot bepaalde vragen te beperken: zie Ethiek. Soms ook laten ze de mogelijkheid van zulke procedures toe, maar ondervinden dan grote moeilijkheden bij het specificeren ervan, aangezien er speciale vormen van redeneren nodig lijken om conclusies te ondersteunen die meer dan louter feitelijk zijn.

In het recente verleden heeft men het onderscheid feit/waarde nogal aangevochten. Er lijkt weinig eenheid te zijn aan de waarde-kant, die uitdrukkingen van emotie, aanbevelingen, voorschriften enzovoort omvat, in al die gevallen soms moreel, soms niet-moreel. Voor zover een dergelijk onderscheid houdbaar lijkt is het wellicht nog altijd relatief (Anscombe). Emotivisten en prescriptivisten krijgen te maken met bezwaren die verband houden met universaliseerbaarheid. Ook de theorie dat woorden als ‘goed’ of ‘behoren’ hun betekenis krijgen door contexten waarin iets wordt aanbevolen of voorgeschreven, d.w.z. door het gebruik van die woorden in taalhandelingen, is niet zonder problemen (zie goed).

De opvatting dat morele conclusies niet logisch kunnen worden afgeleid uit niet-morele premissen wordt zwak niet-naturalisme of zwak anti-naturalisme genoemd als in die opvatting erkend wordt dat er grenzen zijn aan de mogelijke inhoud van ethische uitspraken, d.w.z. aan datgene waarvan op gebruikelijke wijze, kan worden gezegd dat we het aanbevelen of als plicht voorschrijven. Zouden we bijvoorbeeld iemand begrijpen die het serieus zijn plicht achtte om, ongeacht de omstandigheden, om de vijf seconden met zijn ogen te knipperen? Genoemde opvatting is sterk non-naturalistisch als zij ontkent dat er zulke grenzen zijn. (Vgl. de vraag of iedere willekeurige zaak goed kan zijn.) De uitdrukking autonomie van de moraal of van de ethiek kan op deze beide versies van het non-naturalisme worden toegepast, en eveneens op de opvatting dat praktische morele kwesties kunnen worden gescheiden van theoretisch-ethische analyses omdat ieder standpunt met betrekking tot de eerste combineerbaar is met ieder standpunt ten aanzien van de laatste. Ook deze laatste opvatting is aangevallen, o.a. in verband met universaliseerbaarheid.

Wellicht de meest centrale vraag is of ethische conclusies of waardeoordelen op enigerlei wijze gerechtvaardigd kunnen worden. Als dat kan lijkt er weinig bezwaar tegen te zijn om in verband met zulke conclusies termen als ‘waar’ en ‘feit’ te gebruiken, d.w.z. het descriptivisme aan te hangen. Zie ook
behoren, betekenis, ethiek, feit, goed.

A. E. Murphy, recensie van Y.H. Krikorian (red.), Naturalism and the Human Spirit, 1944, Journal of Philosophy, 1945, pp. 400-417. (Bespreking van een bundel artikelen die het naturalisme in algemene zin belichten.) W.D. Hudson (red.), The Is/Ought Question, 1969. (Beschouwingen over Hume’s aanval op het naturalisme naast enkele artikelen over waardeoordelen.)
Ph. Foot (red.), Theories ofEthics, 1967. (Bevat verscheidene opmerkelijke beschouwingen over het naturalisme.)
G.E. Moore, Principia Ethica, 1903, hoofdstuk 1, i.h.b. § B. (Locus classicus voor de naturalistische dwaling.)
A.N. Prior, Logic and the Basis ofEthics, 1949. (De naturalistische dwaling in historisch perspectief.)
D.P. Gauthier, ‘Moore’s naturalistic fallacy’, American Philosophical Quarterly, 1967. (Bespreekt Moore en Prior en biedt een eigen opvatting over de naturalistische dwaling.)
B. H. Baumrin, ‘Is there a naturalistic fallacy?’, American Philosophical Quarterly, 1968. (Gedetailleerde analyse van Moore en van verschillende vormen van de dwaling.)
G.C. Kerner, The Revolution in Ethical Theory, 1966. (Kritisch overzicht van de reacties op Moore, tevens bespreking van de voornaamste emotivist (C.L. Stevenson) en de voornaamste prescriptivist (R.M. Hare). Vgl. J.O. Urmson, The Emotive Theory of Ethics, 1968.)
A. van Haersolte, Overreden, 1988. (Verdedigt het emotivisme.)
W.D. Hudson, Modern Moral Philosphy, 1970. (Algemene inleiding. Bespreekt het prescriptivisme enzovoort, daaronder ook de latere opvattingen van Hare. Zie ook p. 171 over terminologie.)
R. F. Atkinson, ‘The autonomy of morals’, Analysis, vol. 18,1958. (V erdedigt het onderscheid feit/waarde tegen bepaalde aanvallen van logische aard.)
G.E.M. Anscombe, ‘On brute facts’, Analysis, vol. 18,1958. (Betoogt dat het onderscheid tussen ‘naakte’ en ‘institutionele’ feiten relatief is.)
A.K. Sen, ‘Hume’s law and Hare’s rule’, Philosophy, 1966. (Maakt gebruik van universaliseerbaarheid om het naturalisme te verdedigen.)
A. Gewirth, ‘Positive “ethics” and normative “science” ’, Philosophical Review, 1960. (Vergelijkt de ethiek en de wetenschap als onderzoeksgebieden.)
C. Beek, ‘Utterances which incorporate a value statement’, American Philosophical Quarterly, 1967. R.W. Newell, ‘Ethics and description’, Philosophy, 1968. (Twee aanvallen op het onderscheid feit/waarde.)