Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Goed

betekenis & definitie

Heel ruwweg de eigenschap of karakterisering van een zaak die haar aanbevelens- of prijzenswaardig maakt. Sinds Aristoteles en zijn middeleeuwse volgelingen ‘goed’ niet in het schema der categorieËN opnamen behalve door het in alle categorieën toepasselijk te verklaren (zie zijn over transcendentalia), heeft het door zijn vele betekenissen vele filosofen in verlegenheid gebracht.

Wat hebben de volgende uitdrukkingen gemeen? ‘Goed ding’, ‘goed mens’ (zoals gebruikt door predikanten en politici), ‘het goede nastreven’, ‘goed burger’, ‘goede dief, ‘goed mes’, ‘goed schilderij’, ‘goed tennisser’, ‘goed in tennis’, ‘goed idee’, ‘goed argument’, ‘goede student’, ‘goed volk’, ‘heel goed van u’, ‘goed met kinderen kunnen omgaan’, ‘bier is goed voor je’, ‘goed eetbaar’, ‘het onderscheid tussen goed en kwaad’, ‘goed in de oorlog’, ‘liefde en vriendschap zijn goed’, ‘een groot goed’, ‘een goed pak slaag’. Het is duidelijk dat zowel het adjectief als het substantief problemen opleveren. We kunnen verder komen door in elk van de gevallen het meest natuurlijke tegengestelde te bekijken (als het bestaat), zoals ‘slecht’, ‘kwaad’, ‘zwak’, ‘gebrekkig’, evenals de verbanden tussen ‘goed’ en andere positieve termen, zoals ‘waardevol’, ‘groots’, enzovoort.

Men heeft altijd verschillende soorten ‘goedheid’ onderscheiden. Sommige dingen zijn goed op zichzelf, als doel; ze zijn intrinsiek goed. Andere zijn goed als middel tot een doel (instrumenteel goed), of door deel van een geheel te zijn en aan de voortreffelijkheid daarvan bij te dragen, zoals een kleurvlakje, op zichzelf zonder waarde, een schilderij kan verfraaien (contributief goed). Als iets instrumenteel, en soms ook als het contributief goed is, dan noemen we het extrinsiek goed, het ontleent zijn voortreffelijkheid aan iets dat erbuiten ligt. Maar veel van de genoemde voorbeelden zijn niet duidelijk bij extrinsiek of intrinsiek onder te brengen. C.I. Lewis beschouwt alleen ervaringen als intrinsiek goed, en noemt die zaken inherent goed waarvan het intrinsiek goed is ze te ervaren. Zowel aspecten van een zaak als de zaak zelf kunnen goed worden genoemd. Men kan genot schenkende ervaringen goed noemen, maar ook het genot dat er een aspect van is en dat natuurlijk niet op zichzelf kan bestaan. Het hoogste goed, summum bonum, kan hetzij dat ding of aspect zijn dat op zichzelf beschouwd beter is dan ieder ander ding of aspect, hetzij die totale situatie die meer goeds omvat dan enige andere situatie. (Kant gebruikte ‘supremum bonum’ voor het eerste en ‘summum bonum’ voor het laatste.) Beide verschillen van wat slechts in doorsnee goed is, waarbij andere dingen beter kunnen zijn. Nog een ander soort goed is moreel goed, waarvan de toepassing beperkt is tot mensen, handelingen, bedoelingen en misschien emoties, verlangens en instituties (vgl. moreel).

Het begrip goed is zo complex o.a. omdat het een superveniËrende karakteristiek is.Men noemt ‘goed’ soms ook logisch attributief.Een goede dief hoeft geen goed mens te zijn, en een mes dat goed is om boter te snijden hoeft niet goed te zijn om leer te snijden. Maar is ‘goed’ attributief in ‘vriendschap en trouw zijn goed’? Deze overwegingen brengen ons ertoe onderscheid te maken tussen de betekenis van ‘goed’ en de criteria (in de losse zin) voor de toepassing ervan (d.w.z. de trekken waardoor iets goed is). Een goede auto voldoet aan heel andere criteria dan een goede appel, maar betekent ‘goed’ verschillende dingen in deze twee gevallen? De vraag rijst hier of sommige soorten dingen als het ware ingebouwde criteria voor voortreffelijkheid hebben, zodat het een tegenspraak zou zijn om te zeggen dat een object niet aan de criteria voldoet maar toch goed is, of er wel aan voldoet maar niet goed is. Sommige dingen hebben functies, de functie van een scheermes is bijvoorbeeld om je ermee te scheren. Stel men kan zich alleen scheren met een scherp scheermes. Is het dan contradictoir om te zeggen ‘dit scheermes is onherstelbaar bot, maar het is een goed scheermes’? (Een bot scheermes is misschien een goed wapen voor een moordenaar, maar is het dan een goed scheermes?) Of beschouw ‘dit scheermes is scherp, veilig enzovoort, maar het is geen goed scheermes’. Kunnen we dit ‘enzovoort’ zo invullen dat de uitspraak contradictoir wordt? Hoe is het gesteld wanneer de functie niet zo duidelijk is (appels), of wanneer er vele functies zijn (benen kunnen beoordeeld worden op hun schoonheid, op hoe ze rennen, dansen enzovoort)? Is het mogelijk betekenis te hechten aan uitdrukkingen als ‘goede molecule’ of ‘goede druppel water’? Kan iedere willekeurige zaak goed zijn? (Misschien kan iedere zaak een ‘goed voorbeeld van een...’ zijn?)

Eigenschappen als scherpte worden soms goedmakende eigenschappen genoemd, en kunnen logisch of causaal goedmakend zijn. Als scherpte logisch noodzakelijk is voor een goed scheermes, zodat het contradictoir is om een bot scheermes goed te noemen, dan is scherpte in dit geval logisch goedmakend. Maar als bijvoorbeeld het vermogen om recht af te snijden logisch relevant is, en het slechts feitelijk het geval (en niet logisch noodzakelijk) is dat scherpe scheermessen rechter afsnijden dan botte, dan is scherpte hier een causaal goedmakende eigenschap (Von Wright, p. 26, noot).
Volgens sommige theorieën over de betekenis van ‘goed’ is goed een kwaliteit (misschien ondefinieerbaar en slechts door de intuitie te vatten) of een relationele eigenschap, die bijvoorbeeld daarin bestaat dat bepaalde gevoelens of reacties bij mensen teweeg worden gebracht. Men heeft wel definities van ‘goed’ gegeven in termen van begrippen als genot teweeg brengen, bepaalde verlangens bevredigen of bepaalde belangen dienen.

Een andere opvatting over de betekenis van ‘goed’ gaat uit van de gedachte dat ‘goed’ vooral wordt gebruikt om aan te bevelen of goedkeuring uit te drukken of soortgelijke taalhandeungente verrichten. Een moeilijkheid met deze opvatting is dat er heel vaak geen relevante taalhandeling in het spel is. Wanneer ik zeg ‘als het goed was dan zou het duur zijn’, dan beveel ik niets aan, met name zeg ik niet ‘als ik het zou aanbevelen dan zou het duur zijn’.

Van recente datum is de belangstelling voor het taalkundige gedrag van ‘goed’. Wat betekent het bijvoorbeeld dat ‘een goede zware bruine tafel’ natuurlijker klinkt dan ‘een zware goede bruine tafel’? Men hoopt dat dit licht zal werpen op betekenisvragen in verband met ‘goed’. Naast deze vragen naar de betekenis van ‘goed’ en de aard van het goede is er de vraag welke zaken goed zijn, en in het bijzonder de vraag of het goede één is dan wel meervoudig. Het ligt echter voor de hand dat het antwoord op deze vragen afhangt van de antwoorden op de eerder genoemde vragen (al wordt dit verband tussen de twee soorten vragen ontkend door verschillende recente scholen als het logisch positivisme en een groot deel van de linguïstische filosofie (zie filosofie en analyse); vgl. naturalisme, ethiek). Zie ook beter, naturalisme.

G.H. von Wright, The Varieties of Goodness, 1963. (Uitgebreide bespreking van de verschillende betekenissen van ‘goed’.)
Aristoteles, Ethica Nicomachaea, boek i. (Het goede voor de mens.)
G.E. Moore, Principia Ethica, 1903. (Goed als enkelvoudige, ondefinieerbare eigenschap. Het laatste hoofdstuk bespreekt welke zaken goed zijn.)
P. Ziff, Semantic Analysis, 1960. (Het laatste hoofdstuk verdedigt de analyse van ‘goed’ in termen van belangen.)
P.T. Geach, ‘Good and evil’, Analysis, vol. 17, 1956, herdrukt in Ph. Foot (red.), Theories ofEthics, 1967. (Betoogt dat ‘goed’ attributief en descriptief is (zie naturalisme). Zie de in de herdruk toegevoegde korte literatuuropgave voor onderzoeken naar het taalkundige gedrag van ‘goed’.) R.M. Hare, The Language ofMorals, 1952. (Taalhandeling-analyse. Betekenis en criteria. Kan ieder ding goed zijn? Zie over dit laatste ook Ph. Foot, ‘Moral beliefs’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1958-59, herdrukt in Ph. Foot (red.), Theories ofEthics, 1967.)
J.R. Searle, ‘Meaning and speech acts’, Philosophical Review, 1962, met discussie en toevoegingen herdrukt in C.D. Rollins (red.), Knowledge and Experience, 1962. (Bestrijdt taalhandeling-analyses van ‘goed’.)
A. Montefiore, ‘The meaning of “good” and the act of commendation’, Philosophical Quarterly, 1967. (Op welke wijze kunnen voorstanders van de taalhandeling-analyse van ‘goed’ zich tegen Searle’s aanval verweren?)
A. Gewirth, ‘Meanings and criteria in ethics’, Philosophy, 1963. (Eveneens bespreking van taalhandeling-analyses.)
D.R.P. Wiggings, Truth, Invention and the Meaning of Life (brochure), Proceedings of the British Academy, 1976. (Bespreekt o.a. de vraag of het uiteindelijk goede kan bestaan in gevoelstoestanden of in de bevrediging van verlangens. Moeilijk.)