Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Godsdienst, filosofie van de

betekenis & definitie

De studie van algemene filosofische problemen in het denken over God en godsdienst. Religieuze doctrines vallen onder de dogmatische theologie of de vergelijkende godsdienstwetenschap, terwijl de logische, metafysische e.d. implicaties ervan tot de filosofie van de godsdienst behoren.

Een eerste vraag is wat als godsdienst beschouwd kan worden. Moeten er een of meer góden bij betrokken zijn? Wat geldt als god, en in het bijzonder als de God van het monotheisme?
De natuurlijke theologie is een onderdeel van de filosofie van de godsdienst. Zonder zich op openbaring te beroepen onderzoekt zij het bestaan, de aard, de eigenschappen en vermogens van God, en Zijn relaties met de wereld. Zijn er grenzen aan Zijn macht? Kan Hij het logisch onmogelijke verrichten, of voor Zichzelf problemen scheppen die Hij niet kan oplossen {paradox van de almacht)? Kan Hij alwetend zijn zonder dat dit in strijd is met de menselijke, of zelfs Zijn eigen, vrije wil {paradoxen der alwetendheid)! Kan Hij tegelijk almachtig en algoed zijn, de wereld zoals zij is in aanmerking genomen {probleem van het kwaad)! Met betrekking tot Zijn aard kan men zich afvragen of Hij noodzakelijk bestaat, hoe Zijn essentie verband houdt met Zijn existentie, en of Zijn predikaten op de gewone of op een analoge manier (Thomas van Aquino) op Hem van toepassing zijn. Als dit laatste het geval is komen predikaten als ‘alwetend’, ‘algoed’, enzovoort, niet letterlijk aan God toe, zowel omdat Hij zo ver boven de schepping staat dat Hij geen eigenschappen met het geschapene kan delen, als omdat al dergelijke predikaten een tegengestelde hebben terwijl God geen tegengestelde heeft.

Enkele argumenten voor het bestaan van God zijn het ontologische godsbewijs, het kosmologische godsbewijs, het godsbewijs naar het goddelijk plan, en het godsbewijs naar de religieuze ervaring. Volgens dit laatste is er een speciaal soort religieuze ervaring die het bestaan van God als object daarvan garandeert of impliceert. Over God en de wereld kan men vragen stellen als: schiep Hij de wereld, en zo ja, in welke zin? Bepaalt Hij de natuurwetten, de wetten van de logica, van de moraal? Komt hij door wonderen in de wereld tussenbeide, en wanneer geldt iets als een wonder?

De filosofie van de godsdienst is niet onberoerd gebleven door de sterk toegenomen betekenis van de logica en de semantiek. Op welke wijze hebben religieuze termen en religieuze taal betekenis? Moeten religieuze uitspraken letterlijk of op een andere manier worden geduid (de moderne versie van het middeleeuwse probleem van de analoge predikaten, zie boven)?

Het gebied van de religieuze ervaring inspireert tot vragen inzake mystiek, de ‘vreze des Heeren’, het bovennatuurlijke, en ook inzake geloof: wat is geloof, hoe verhoudt het zich tot rationeel bewijsmateriaal en bijgeloof, en kan het gerechtvaardigd worden? Kan er een plicht zijn om te geloven? Godsdiensten die onsterfelijkheid beloven roepen vragen op die ook in de filosofie van de geest voorkomen. In het bijzonder eigen aan het christendom zijn problemen rond begrippen als incarnatie, transsubstantiatie, verlossing, genade en gebed, en het verband daarvan met substantie, causaliteit en, alweer, vrije wil.

Thomas van Aquino, Summa contra gentiles, boek i, met name hoofdstuk 34. (Analoge predicering. Vgl. ook zijn Summa theologica, deel 1, vraag 13, met name artikel x.)
J. Huxley, Religion without Revelation, 1927, herziene editie 1957 (Religie zonder openbaring, 1968). (Visie van een evolutiebioloog.)
S. Vestdijk, De toekomst der religie, 1947. (Bestrijdt metafysische projectie, pleit voor een mystiek-introspectieve vorm van religiositeit.)
H. Fries, Glauben-Wissen, 1960 (Geloven als persoonlijke daad, 1962). (Wetenschap en geloof zijn niet met elkaar in strijd.)
J. Hick, Philosophy of Religion, 1963. (Algemene inleiding.)
A.Kenny, TheFive Ways, 1969. (De vijf godsbewijzen van Thomas van Aquino.)
J.L. Mackie, ‘Evil and omnipotence’, Mind, 1955. (Het probleem van het kwaad en de paradox van de goddelijke almacht. Vgl. de discussies in volgende jaargangen van Mind en in Schlesinger, z.o.)
N. Smart, Philosophers and Religious Truth, 1964. (De eerste hoofdstukken zijn verhelderend over wonderen, vrijheid en het bestaan van God. In hoofdstuk 5 worden het mystieke en het goddelijke tegenover elkaar gesteld.)
G. Schlesinger, Religion and Scientific Method, 1977.
(Stelt een nieuwe oplossing voor het probleem van het kwaad voor en meent dat het theisme wetenschappelijk geconfirmeerd kan worden.)