Wat is de betekenis van intrinsiek?

2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

intrinsiek

intrinsiek - Bijvoeglijk naamwoord 1. (medisch) wezenlijk, innerlijk 2. intrinsieke motivatie: motivatie die vanuit de persoon zelf komt en niet vanuit de omgeving wordt opgedrongen 3. intrinsieke waarde van munt geld: de waarde van het metaal waarvan de munt gemaakt is

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

intrinsiek

intrinsiek - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: in-trin-siek 1. heel belangrijk, onmisbaar ♢ een intrinsieke eigenschap van lood is dat het zwaar is 1. intrinsieke motivatie [of je het leuk vindt om...

Lees verder
2007
2022-11-27
logopedie

Logopedisch Lexicon

Intrinsiek

(bn.), van binnen uit komend; zie ook extrinsiek

2007
2022-11-27
Pim van Lommel

Eindeloos bewustzijn

Intrinsiek

Wezenlijk.

1994
2022-11-27
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Intrinsiek

[Lat. intrinsecus = inwendig, van intra, z.a.] tot het wezen behorend; intrinsieke waarde, werkelijke waarde, voortspruitend uit het innerlijk wezen.

1993
2022-11-27
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Intrinsiek

innerlijk

1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

intrinsiek

[→Lat], bn. en bw., 1. wezenlijk, innerlijk: een extrinsieke of intrinsieke lichamelijke oorzaak van de afwijkingen; 2. (zelfst.) dat is het intrinsieke niet, het wezenlijke, de kern van de zaak.

Lees verder
1955
2022-11-27
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Intrinsiek

wezenlijk, werkelijk

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Intrinsiek

(<Fr.-Lat.), bn. bw. 1. wezenlijk, innerlijk ; inz. in de verb. de intrinsieke waarde; van munten : de waarde volgens het gehalte aan edel metaal; 2. (zelfst.) dat is het intrinsieke niet, het wezenlijke, de kern der zaak.

Lees verder
1948
2022-11-27
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

intrinsiek

innerlijk, tot het wezen van iets behorende; ~e waarde, v. innerlijke, werkelijke waarde.

Lees verder
1939
2022-11-27
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Intrinsiek

(< Lat. intrinsecus, oorspr. adv., later ook adj.; < intra = binnen; secus = erlangs). Lett. inwendig. Intrinsieke coördinaten van de punten van een kromme zijn coördinaten, die met de kromme zelf in verband staan, b.v. booglengte en kromtestraal, in tegenstelling tot coördinaten, die de plaats van een punt bepalen t.o.v. iets...

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

intrinsiek

(intrin'sik) bn. en bw. [Fr. < Lat. intrinsecus] innerlijk, wezenlijk : de -e waarde. Tgst. extrinsiek.

1906
2022-11-27
wink

Wink's vreemde woordenboek

Intrinsiek

Lat., innerlijk, wezenlijk.

1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Intrinsiek

INTRINSIEK, bn. bw. de intrinsieke waarde, wezenlijke, innerlijke waarde; (van munten) de waarde volgens het gehalte aan edel metaal; — dat is het intrinsieke niet, het wezenlijke, de kern der zaak.

Lees verder