Zijn betekenis & definitie

Men heeft verschillende soorten zijn onderscheiden. Existentie of bestaan wordt soms onderscheiden van subsistentie of zijn en andere begrippen. Zo meende Meinong dat materiële objecten, evenals andere dingen in ruimte en tijd zoals schaduwen of zwaartekrachtvelden, bestaan (existieren), terwijl zaken als universalia, getallen en het verschil tussen rood en groen subsisteren (besteken).

Verzonnen of denkbeeldige objecten, die concreet (eenhoorns) of abstract (het priemgetal tussen 8 en 10) kunnen zijn, worden soms geacht te subsisteren, maar voor Meinong existeren noch subsisteren ze; hij zegt ervan dat ze slechts ‘objecten zijn’ en dat ze Sosein hebben: letterlijk zozijn of essentie. Maar ‘existeren’ (‘existent’) en ‘subsisteren’ (‘subsis- tent’) worden vaak door elkaar gebruikt, met name wanneer men zegt dat bepaalde zaken, zoals universalia, in een of andere zin zijn, en niet, zoals het nominalisme wil, analyseerbaar zijn in termen van slechts woorden.
Existentie, subsistentie, enzovoort, kunnen hier worden beschouwd als verschillende trappen of soorten van zijn. Een stroming in het idealisme behandelt het zijn veeleer als onderhevig aan verschillende gradaties. De werkelijkheid als geheel, ‘het absolute’, bestaat volledig, terwijl delen ervan hun realiteit ontlenen aan hun relaties met het geheel en met elkaar en, minder volledig, bestaan in de mate van hun omvattendheid.

Carnap verdeelde existentievragen in vragen die intern en vragen die extern zijn ten opzichte van een gegeven systeem, bijvoorbeeld de rekenkunde. ‘Is er een priemgetal tussen 6 en 9?’ is een interne vraag uit de rekenkunde. ‘Bestaan getallen?’ is een externe vraag, die tot de filosofie behoort, evenals soortgelijke vragen over universalia, proposities, enzovoort.

Door dergelijke problemen met denkbeeldige en tijdloze objecten ontstaat er een verband tussen de metafysica en de filosofische logica. Er rijzen hier nog twee vragen. In de eerste plaats: hoe kunnen we bepalen welke ontologie (d.w.z. lijst van dingen die zijn) een filosoof onderschrijft? Wanneer gelooft men dat bijvoorbeeld universalia bestaan of niet bestaan? Deze vraag werd door Quine gesteld in plaats van de traditionele vraag ‘wat is er?’. Hij antwoordde met de slogan ‘zijn is de waarde van een variabele zijn’; d.w.z. we onderschrijven de realiteit van een zaak of van een soort zaken als en alleen als we onze opvattingen niet in een formele (logische) taal kunnen uitdrukken zonder bevestigende uitspraken te doen waarin variabelen die lopen over de zaak of zaken in kwestie gebonden worden door een existentiële kwantor (zie kwantificatie). De tweede vraag is wat de wetten der logica ons dwingen te onderschrijven. Kunnen we in het bijzonder met alleen logica bewijzen dat er ten minste één object moet zijn? In de predikaten-calcuLus wordt door de onweerlegbare logische waarheid ‘alles is F of niet F’ geïmpliceerd dat ‘a is F of niet F’ (waarbij ‘F’ staat voor een of ander predikaat en ‘a’ voor een willekeurig individu). Dit impliceert weer ‘ten minste één ding is F of niet F’, en dus dat er op zijn minst één object is. Er zijn verschillende pogingen gedaan om dit te vermijden. Beide vragen houden verband met de interpretatie van ‘is’ in de existentiële kwantor. Betekent het bestaan in substantiële zin, en zo niet, wat dan wel?

Een andere logische vraag, vooral belangrijk in verband met het ontologisch godsbewijs, is of zijn of bestaan eigenlijk wel een predikaat (of eigenschap) is. Wanneer is iets een predikaat of eigenschap? Aristoteles leerde dat zijn, evenals eenheid, geen soortbegrip (‘genus’) kon zijn, en ook dat als men iets één of bestaand noemt men niets aan de beschrijving ervan toevoegt. Hier kwam de middeleeuwse doctrine der transcenden- talia uit voort. Thomas van Aquino beschouwde ‘zijn’, ‘één’, ‘waar’, ‘ding’, ‘iets’ en ‘goed’ als de categorieën transcenderend en als op alles van toepassing. Andere schrijvers, zoals Duns Scotus, gebruiken ‘transcendentalia’ in een ruimere zin, en Aristoteles zei van ‘goed’ niet, met Thomas, dat al het werkelijke in zekere zin goed was, maar dat ‘goed’ in alle categorieën predi- ceerbaar was - een substantie, een kwaliteit, een relatie enzovoort konden goed zijn. Deze transcendentalia worden gewoonlijk gerekend tot de synca- tegorematische termen (zie categorieËN, slot). Men beoogde daarmee de karakteristieken van het zijnde als zijnde te omlijnen, eveneens een begrip dat van Aristoteles stamt, die het tot onderwerp van de metafysica maakte. De interpretaties ervan lopen uiteen. Het kan slaan op alles dat is, slechts opgevat als zijnde, of op iets dat ten grondslag ligt aan het zijn van al het andere. Dit kan substantie in het algemeen zijn of de hoogste soort substantie, zoals God of de bewegers der kosmische sferen. Volgens deze laatste opvatting liggen God en de bewegers ten grondslag aan het zijn van andere substanties, en substantie ligt ten grondslag aan het zijn van kwaliteiten, relaties, enzovoort.

De essentie van een zaak, of wat zij is, kan tegenover haar existentie worden gesteld, maar in het geval van God vallen deze twee volgens Thomas samen. Maar de betekenis van ‘existentie’ (‘esse’) is hier omstreden. In bepaalde vormen van het existentialisme wordt zijn gesteld tegenover bestaan of existentie. Zijn wordt toegeschreven aan dieren en niet levende zaken, existentie alleen aan mensen, die zichzelf kunnen scheppen en niet slechts produkten van hun omgeving zijn.

Een taalkundige is die naar betreft de verschillende betekenissen die vaak aan het werkwoord ‘zijn’ worden toegeschreven. De voornaamste betekenissen zijn: existentieel (‘deze dingen zullen zijn’, ‘er is...’), predikatief of als koppelwerkwoord (‘dit is rood’), classificerend (‘dit is een schoen’; vaak als predikatief beschouwd), identificerend (‘dit is Socrates’, ‘Tullius is Cicero’). In klassiek Grieks schijnt het ook waarheid te hebben uitgedrukt (‘...is waar’). Nog andere, soms tamelijk technische betekenissen zijn geopperd, waaronder constitutief (‘dit huis is bakstenen en specie’) en voorstellend (‘de betekenis van “kaal” is: zonder haar’). Soms staat ‘is’ voor de tegenwoordige tijd, zoals in ‘hij is kwaad’, maar soms is het tijdloos, bijvoorbaald in ‘twee maal twee is vier’ of ‘Chaucer is ouder dan Shakespeare’. Wat deze betekenissen verschillend maakt is dat verschillende dingen kunnen worden afgeleid uit beweringen waarin ze voorkomen. ‘Tullius is Cicero’ impliceert ‘Cicero is Tullius’, maar ‘dit boek is rood’ impliceert niet ‘rood is dit boek’, met ‘rood’ als onderwerp. Maar deze verschillen zijn complex, en de details zijn omstreden, evenals de vraag of er iets is, en zo ja wat, dat de betekenissen met elkaar verbindt. (Aristoteles meende dat op zijn minst sommige betekenissen waren verbonden door ‘focale betekenis’: zie meerduidigheid.) Sommigen menen dat de poging om welbepaalde betekenissen te onderscheiden misplaatst is. Zie ook substantie, verwijzing.
L. Linsky, Referring, 1967. (Bespreekt theorieën van Meinong en latere filosofen.)
Plato, relevante passages zijn o.a. Republiek 476e w., Timaeus 27d.
C. Crittenden, ‘Fictional existence’, American Philosophical Quarierly, 1966. R. Camap, Meaning and Necessity, 2de ed., 1956, supplement, A, §2. Herdrukt in C. Landesman (red.), The Problem of Universals, 1971. (Interne en externe vragen.)
W.V. Quine, ‘On what there is’, ReviewofMetaphysics, 1948. Herdrukt in zijn boek From a Logical Point of View, 1953, in L. Linsky (red.), Semantics and the Philosophy ofLanguage, 1952, in Landesman (zie boven), en (met commentaren en bijdragen van anderen over hetzelfde onderwerp) in Proceedings of the Aristotelian Society, supplementary volume, 1951. (‘Zijn is de waarde van een variabele zijn.’)
G.J. Warnock, ‘Metaphysics in Logic’, in A. Flew (red.), Essays in Conceptual Analysis, 1956. (Bekritiseert Quine’s gebruik van de logica om ontologische problemen op te lossen.)
W. Sellars, ‘Grammar and existence: a preface to ontology’, Mind, 1960, herdrukt in Landesman (zie boven). (Meer technische kritiek op Quine.)
L.J. Cohen, The Diversity of Meaning, 1962, §33. (Bewijst de logica dat het heelal niet leeg kan zijn?)
P.F. Strawson, ‘Is existence never a predicate?’, Critica, 1967. Herdrukt in zijn Freedom and Resentment, 1974.
J. Barnes, The Ontological Argument, 1972, hoofdstuk 3. (Heeft ook een bibliografie, waaraan toe te voegen S. Read, ‘“Exists” is a predicate’, Mind, 1980 (pas op voor de drukfouten), en de reactie hierop van L. Chipman, ‘Existence, reference and definite singular terms’, Mind, 1982.)
I. Kant, Kritiek der reinen Vernunft, 1781, herzien 1787, B 626-629. (Klassieke aanval op existentie als predikaat.)
Aristoteles, Metaphysica 998b22-25 (zijn is geen soortbegrip; vgl. Topica, I44a32-b4); 10031126 (‘één’ en ‘existent’ zijn niet descriptief; vgl. 1045336- b8); boek 4, hoofdstukken 1-3, boek 6, hoofdstuk 1 (zijnde als zijnde). Ethica Nicomachaea 1096319-29 (‘goed’).
J. Owens, The Doctrine ofBeing in the Aristotelian Methaphysics, 1951,2de ed. 1963. (Uitvoerige bespreking van Aristoteles over zijnde als zijnde en over focale betekenis (zij het niet zo genoemd). Veronderstelt Grieks.)
P.T. Geach, ‘Form and existence’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1954-55, herdrukt in A. Kenny (red.), Aquinas, 1969. (Essentie en existentie.)
D. Wiggins, Sameness and Substance, 1980. (Constitutief ‘is’; zie de index.) jj. Valberg, ‘Improper singular terms’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1970-71, p. 132. (Voorstellend (‘presentational’) ‘is’.)
C.H. Kahn, ‘The Greek verb “to be” and the concept of being’, Foundations of Language, 1966. (Valt rigide indeling van betekenissen aan.)