Verzoendag betekenis & definitie

Verzoendag (Groote), in het Hebreeuwsch jom-ha-kippoerim, ook wel de sabbath der sabbathen geheeten, het heiligste feest der Israëlieten, wordt op den 10den der maand Tischri in gestrenge sabbathsrust onder kastijding en een volkomen vasten gevierd. Dat feest dient tot verzoening van den berouwhebbenden, beterschap belovenden Israëliet met God en wordt voorafgegaan door eene voorbereiding door gebeden en goede werken (verzoening met vijanden, aalmoezen enz.) en vooral door de tien boetedagen vóór den Grooten Verzoendag. In vroegere dagen werd dat feest anders gevierd dan in den tegenwoordigen tijd. Zoolang de offerdienst in zwang was, nam de hoogepriester, die ten teeken van onschuld zich in een linnen gewaad hulde, zelf de dienst waar, voegde bij de dagelijksche offeranden nog het zond-offer voor zich en de zijnen en zorgde voor de besprenging met bloed.

Dan werd van twee bokken één, door het lot aangewezen, geslacht en met zijn bloed de Ark des verbonds besproeid, terwijl de andere (asasel), nadat de hoogepriester de handen op hem gelegd en zijne zonden en die des volks beleden had (vandaar zondebok), naar de woestijn gebragt en dáár losgelaten, doch in lateren tijd in een afgrond geworpen werd. Daarop offerde de hoogepriester twee rammen en zeven lammeren als brandoffer voor zich zelven en het volk en verzoende daardoor het heiligdom, de tent der zamenkomst, het altaar en het geheele volk. Ook gedurende het bestaan van den Tweeden Tempel werd dat feest op dergelijke wijze gevierd; na de belijdenis van zonden sprak de hoogepriester den uit vier letters bestaanden naam van Jahveh uit, waarop het volk zich biddend neêrboog en de verzekering des priesters: „Gij zult rein wezen” ontving. Het feest eindigde met een gebed. Telkens na verloop van 49 jaar werd op den Grooten Verzoendag het jubeljaar met bazuingeschal aan het geheele land verkondigd.