Vaillant betekenis & definitie

Vaillant. Onder dezen naam vermelden wij:

Wallerant Vaillant, een verdienstelijk schilder en graveur, geboren te Rijssel in 1625. Hij ontving onderwijs van Quellinus te Antwerpen, teekende in 1658 te Frankfort ter gelegenheid der krooning van keizer Leopold I onderscheidene portretten, begaf zich met den hertog de Grammont naar Parijs, waar hij afbeeldsels vervaardigde van de beide koninginnen, van den hertog van Orleans en van onderscheidene personen van het Hof, stond vervolgens als graveur prins Robert van de Pfalz ter zijde en toefde in het laatst van zijn leven te Amsterdam, waar hij in 1677 overleed. Hij heeft 153 portretten, voorts Bijbelsche tafereelen en genrestukken gegraveerd. — Ook zijne drie broeders waren uitstekende graveurs.

Jean Roi Vaillant, een verdienstelijk munten penningkundige, geboren te Beauvais den 24sten Mei 1632. Hij studeerde eerst in de regten en daarna in de geneeskunde, verzamelde op eene reis door Italië, Sicilië en Griekenland talrijke zeldzaamheden voor het Kabinet des Konings, vertrok vervolgens naar de Levant, viel in handen van een Algerijnschen kaper, die hem vier maanden gevangen hield, liep bij zijn terugkeer wederom gevaar van roovers, zoodat hij een twintigtal gouden penningen inslikte, waarvan hij eerst te Marseille bevrijd werd, deed later nog een togt naar Egypte en Perzië, werd lid van de Académie des incriptions, en overleed den 23sten October 1706. Hij schreef: „Epistola ad totius Europaeantiquarios, utrum laurea Eumenio pacato concedenda (1662)”, — „Numismata imperatorum Romanorum etc. (1674; 2de druk, 1694)”, — „Seleucidarum imperium etc. (1681; 2de druk, 1732)”, — „Numismata aerea imperatorum augustorum et caesarum incoloniis(1688; 2de druk, 1697)”, — „Numismata imperatorum augustorum et caesarum etc. (1701)”, — „Historia Ptolemaeorum etc. (1701)”, — „Nummi antiqui familiarum romanarum (1703)”, — en „Arsaeidarum imperium sive regnum Parthorum (1725, 2 dln)”.

François le Vaillant, een vermaard reiziger, geboren te Paramaribo in 1753. Op 10-jarigen leeftijd vertrok hij met zijne ouders naar Nederland, vervolgens naar Frankrijk en toefde 9 jaar in Duitschland en Lotharingen. In 1777 was hij te Parijs en begaf zich vandaar naar Holland, waar eenige directeuren der OostIndische Compagnie hem in staat stelden, eene reis te doen tot het onderzoeken der landen ten noorden van de Kaap de Goede Hoop. Den 11den, December 1780 verliet hij Tessel en bereikte den 29sten Maart daaraanvolgende de Kaap. Terwijl hij hier aan land was, werd het schip door de Engelschen aangevallen en vloog in de lucht, waarna hij niets over had dan zijne kleederen, zijn geweer en 10 ducaten. Een paar Kapenaars voorzagen hem echter van het noodige, en hij trok oostwaarts, steeds digt bij de kust blijvende, overschreed de sneeuwbergen en keerde na eene afwezigheid van 16 maanden in de Kaapstad terug.

Toen vormde hij het plan, van het zuiden naar het noorden door geheel Afrika te trekken en aanvaardde den 15de Julij 1783 met slechts weinig reismakkers dezen togt. Zijne trek-ossen bezweken echter door de hitte, zoodat hij zijne wagens bij de Oranje-rivier moest achterlaten; hij reisde daarop met eenige getrouwe Hottentotten nog verder noordwaarts tot aan den Steenbokskeerkring, maar moest toen de terugreis aannemen. Na het verduren van tallooze moeijelijkheden en gevaren bereikte hij de Kaap, scheepte den 14den Julij 1784 zich in naar Europa, zette te Vlissingen voet aan wal, maar trok weldra naar Parijs, waar hij zich wijdde aan de wetenschap. Gedurende het Schrikbewind werd hij in de gevangenis geworpen, maar herkreeg na den dood van Robespierre zijne vrijheid. Hij overleed op zijn buitengoed te Noue bij Sézanne den 22sten November 1824. Hij schreef de door Pasteur vertaalde „Reizen in de binnenlanden van Afrika (1791— 1798, 5 dln)’,’ voorts: „Histoire naturelle des oiseaux d’Afrique (1796— 1812, 6 dln)”, — „Histoire naturelle des perroquets (1801—1805, 2 dln)” — „Histoire naturelle des oiseaux de paradis (1801—1806)’1, — „Histoire naturelle des Cotingas et des Todiers (1804)”, — en „Histoire naturelle des Calaos (1804)”.

Jean Baptiste Philibert Vaillant, een Fransch maarschalk, geboren den 6den December 1780 te Dijon. In 1809 nam hij dienst bij de genie, vergezelde in 1812 als adjudant generaal Haxo op den veldtogt naar Rusland, werd in 1813 bij Kulm krijgsgevangen, nam gedurende de Honderd Dagen deel aan de versterking van Parijs en streed bij Ligny en Waterloo. Hij onderscheidde zich in 1830 als bataljonschef in Algérië en als luitenant-kolonel in 1831 en 1832 bij de expeditie naar België. Van 1837 tot 1838 was hij inspecteur der vestingwerken in Algérië en zag zich daarna geplaatst aan het hoofd der polytechnische school. Weldra echter legde hij die betrekking neder en belastte zich in 1845 als luitenantgeneraal met den aanleg der vestingwerken rondom Parijs. In Mei 1849 werd hij kommandant van het korps ingenieurs, naar Rome bestemd, en verwierf bij de belegering van deze stad den rang van maarschalk. In 1854 werd hij minister van Oorlog, en in 1860 van het Keizerlijk huis, — voorts in 1864 groot-kanselier van het Legioen van Eer. In 1870, na den val van het Keizerijk, in ballingschap gezonden, keerde hij in 1871 naar Parijs terug en overleed den 4den Junij 1872.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018