Onderwijs betekenis & definitie

Onderwijs (didactiek) en opvoeding (paedagogie) zijn op het naauwst met elkander verbonden en worden veelal in éénen adem genoemd. Zij omvatten te zamen al de kundigheden, welke noodig zijn om den mensch, volgens zijn aanleg, naar ligchaam en geest tot den hoogsten trap van ontwikkeling te doen opklimmen, en wijzen de wegen en middelen aan, waarlangs en waardoor men dit doel bereiken kan. Onderwijs en opvoeding reiken elkander de hand, om de denkbeelden van waarheid, vrijheid en liefde bij den mensch te wekken en aan te kweeken en tevens den schat zijner bekwaamheid en kennis te vermeerderen, opdat hij in staat zij eene waardige plaats te bekleeden in de maatschappij.

Staat in den huiselijken kring de opvoeding op den voorgrond, in de scholen bekleedt het onderwijs de eerste plaats. Beide moeten zamenwerken tot eene deugdelijke karaktervorming. Wordt deze taak naar eisch en zoo algemeen mogelijk volbragt, dan gaat de mensch vooruit in kennis en zedelijkheid, alzoo in volmaaktheid.

De regeling van het onderwijs is in elken Staat eene zaak van het hoogste belang, — daarom wordt het gewoonlijk ook niet aan het vaak maar al te bekrompen initiatief van particulieren overgelaten. Doorgaans is het onderwijs een voorwerp van Staatszorg. Wij zouden ons bestek overschrijden, indien wij hier mededeelden, hoe het onderwijs in de verschillende beschaafde Staten is ingerigt, en zullen ons dus alleen tot ons Vaderland bepalen.

Hier heeft men, schoon niet door de wet geregeld, voorbereidend lager onderwijs, hetwelk gegeven wordt in bewaarscholen voor kinderen beneden de 5 of 6 jaren, — voorts gewoon lager onderwijs, geregeld door de wet van 1857, welke vermoedelijk eerlang zal worden herzien. Dit onderwijs, lezen, schrijven, rekenen, vormleer, aardrijkskunde, geschiedenis, Nederlandsche taal, kennis der natuur en zang omvattend (de laatste zes der genoemde vakken in de beginselen), is bestemd voor kinderen van beiderlei geslacht van 5 of 6 tot 12 jaren, — meer uitgebreid lager onderwijs, wanneer daarenboven ééne of meer vreemde talen, vrouwelijke handwerken enz. worden onderwezen, — middelbaar onderwijs, geregeld door de wet van 1863 en behalve de wiskundige vakken ook de natuur- en scheikunde, de natuurlijke historie, de staathuishoudkunde en staatsinrigting, het boekhouden, het Nederlandsch, Fransch, Engelsch en Hoogduitsch benevens de letterkunde dier talen, alsmede de warenkennis, het teekenen en de gymnastiek omvattend, terwijl het gegeven wordt aan burgerscholen (dag- en avondscholen) en hoogere burgerscholen met 3—5-jarigen cursus. Men heeft er voor jongens en voor meisjes, en als leerlingen worden de zoodanigen toegelaten, die zich op scholen van lager onderwijs voldoende hebben ontwikkeld, — en eindelijk hoger onderwijs, geregeld door de wet van 1876 en verdeeld in gymnasiaal en academisch onderwijs. Aan de gymnasia wordt onderwijs gegeven in de oude talen (Grieksch en Latijn), alsmede in de nieuwe talen en in de wis- en natuurkunde, waarna de leerling zich kan laten inschrijven aan eene der Nederlandsche universiteiten, daarbij eene keuze doende uit eene der 5 faculteiten (de wis- en natuurkundige, geneeskundige, letterkundige, regtsgeleerde of godgeleerde).

Met betrekking tot het lager onderwijs merken wij nog op, dat er openbare of gemeentescholen bestaan en bijzondere scholen, welke laatsten in den regel gesticht zijn door leden van kerkgenootschappen, welke zich met de neutrale of stelsellooze (wat de godsdienst betreft) inrigting der staatsschool niet konden vereenigen. Voorts heerscht in ons Vaderland geen schooldwang, zooals bijv. in Pruissen, waar de ouders onder strafbedreiging verpligt zijn hunne kinderen ter school te zenden.

Behalve genoemde inrigtingen van onderwijs heeft men in ons Vaderland nog vele andere, zooals kweekscholen voor onderwijzers en onderwijzeressen, normaalscholen, zeevaartscholen, scholen voor handel en nijverheid, theoretische en practische ambachtsscholen, zondags- en herhalingscholen enz.

Tot het onderwijs behoort ook het godsdienstig onderwijs, hetwelk is overgelaten aan de leeraren der verschillende kerkgenootschappen. Het draagt den naam van catechisatie, en omvat in den regel de Bijbelsche geschiedenis en de geloofs- en zedeleer, terwijl het ten doel heeft, jongelingen en meisjes tot zelfdenkende en vrome leden van een kerkgenootschap op te leiden.

Vooral in deze eeuw is het onderwijs in verschillende Staten van Europa, inzonderheid ook in Noord-Amerika, met kracht bevorderd. Men heeft zich beijverd, de beste methode in te voeren, — men heeft den toestand der onderwijzers aanmerkelijk verbeterd, maar hun ook hoogere eischen gesteld, — men heeft voorts velerlei middelen aangewend, om zooveel mogelijk alle kinderen in het voorregt van goed onderwijs te doen deelen.